‘Jij eet zeker vlees met vetrandjes, hè?’ merkte mijn baas fijntjes op tijdens een werkborrel. ‘Daar hou jij zeker wel van, als dikkerd?’ Of neem die keer dat ik ’s ochtends op mijn werk arriveerde, en onze portier belangstellend vroeg wanneer de baby kwam.

Training

Denk je slank

  • Ontwikkel een sterke wilskracht
  • Ontdek eetgewoontes die bij je passen
  • Afvallen met blijvend resultaat
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

Niet leuk, dat soort situaties. Maar ze zijn voor mij nooit een reden geweest om streng te gaan lijnen – omdat ik mezelf altijd heb gezien als het levende bewijs dat je dik én aantrekkelijk kon zijn. Tot een paar jaar geleden mijn zwager ernstig ziek werd en overleed. Ik besefte dat gezondheid de beste reden is om te willen afvallen. Eerlijk is eerlijk: dik zijn is niet gezond.

En dus ging ik vorig jaar naar diëtiste Karen. Ik woog op dat moment 92 kilo bij een lengte van 1,78 meter, volgens officiële richtlijnen zeker 14 kilo te zwaar. Samen maakten wij een eetplan en zij stelde een streefgewicht van 75 kilo vast. ‘Dat is een heel mooi gewicht,’ meende Karen. Voor mij was het een abstract getal. Zou ik dat kunnen halen en behouden? Is dat niet hetzelfde als hopen op krullend engelenhaar, terwijl je steil haar hebt?

Denken als een dunnerd

Toen mij afgelopen zomer werd gevraagd dit verhaal te schrijven over The Beck Diet Solution, was ik al een eind op de goede weg. Ik woog 76 kilo – maar hoe zou ik op dat gewicht kunnen blijven? Dat is precies waar de methode-Beck om draait, leerde ik: je gewichtsverlies vasthouden door je denken te veranderen. De essentie van de methode is dat je door dagelijkse opdrachten je honger leert beheersen, en jezelf beloont als je vorderingen maakt. Volgens cognitief therapeute Judith Beck heb je tijd nodig de ‘foute’ gedachten die zich al die jaren in je hoofd hebben genesteld, te veranderen. In feite leer je ‘te denken als een dun mens’: dunnerds weten van nature wanneer ze verzadigd zijn. Dikke mensen niet.

Ik had mijn streefgewicht dan wel bijna bereikt, maar ik wist dat de duivel altijd op de loer ligt: opnieuw aankomen, alle goede intenties ten spijt. Het is moeilijk een strak eetpatroon vol te houden als iedere vezel van je lichaam om meer eten smeekt. Ik ben in mijn leven afwisselend dun en dik geweest. Daar ging ik luchtig mee om. Ik vond dat ik mijn dik-zijn moest accepteren.

Judith Beck is het daar niet mee eens. Ik krijg haar Nederlandse collega Marcus Huibers toegewezen om mij te coachen. Huibers, universitair docent aan de Universiteit Maastricht, ontving vorig jaar een prestigieuze prijs vanwege zijn onderzoeksprojecten naar de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij depressie. De methode-Beck is ook op de cognitieve gedragstherapie gebaseerd. Gedurende zes weken zal ik dus in kundig gezelschap verkeren. Huibers en ik zullen elkaar één keer zien en verder per mail het contact onderhouden.

Welgemoed koop ik Becks zuurstokroze boek. Ik sla het open en lees: This time it is going to be different. Klinkt dat niet als een liedje?

Gele memo’s voor mijn vorderingen

Op zaterdagmiddag koop ik in het kader van de eerste les stevige witte kaartjes, gele memo’s en een schrift om mijn vorderingen bij te houden. Op zondagmiddag is één ding duidelijk: het boek van Judith Beck is een hele kluif. Kan ik misschien een aantal opdrachten overslaan? Ik hoef toch niet een dag van tevoren te gaan plannen wat ik morgen ga eten? De rompslomp is me te groot. Maar ik word ingehaald door mevrouw Beck: ‘Je denkt misschien dat deze opdracht weinig zin heeft, maar pas op voor deze gedachten. Ze ondermijnen je!’

Op een wit kaartje – zij noemt het een Advantage Response Card – moet ik mijn doelen formuleren: wat denk ik te bereiken met gewichtverlies? ‘Verbetering van de gezondheid, er beter uitzien’, schrijf ik. Twee keer per dag moet ik dat kaartje lezen. Daarnaast schrijf ik op gele memo’s bemoedigende teksten. Ik bevestig ze op plaatsen waar de verleiding het grootst is. Op de koelkast plak ik: ‘Wees realistisch.’ Op de keukenkastjes: ‘Er is geen weg terug’. Het ziet er belachelijk uit. Als er bezoek komt, haal ik ze gauw weg. Dan vindt er ’s avonds laat een kleine ramp plaats: de Advantage Response Card blijkt zoek. Diep in de nacht schrijf ik wederom mijn doelen op een nieuw kaartje. Is deze methode echt wel iets voor mij? Ben ik er niet te chaotisch voor?

Training

Mindful eten

  • Leer ontspannen omgaan met eten
  • Inclusief dagboek-app
  • Volg de training in je eigen tempo
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

De volgende ochtend neem ik vertwijfeld de trein naar Marcus Huibers. Dat Beck-plan is me veel te Amerikaans-therapeutisch. ‘En wat vond je van het boek?’ vraagt Marcus. ‘Ik krijg er een sterk Dr. Phil-gevoel bij,’ zeg ik. ‘Alleen al dat belerende zinnetje na ieder hoofdstuk: what are you thinking?’ Over dat toontje moet ik me niet al te druk maken, verzekert Marcus me. ‘Amerikanen zijn echte believers, die zijn veel volgzamer dan Europeanen.’

Hij vraagt waar ik verder tegenaan ben gelopen. Ik vertel dat ik het onzinnig vind dat je geen ongeplande dingen mag eten. Dat je eten moet afslaan op feestjes. Als anderen mijn eten weigeren, ben ik ook niet blij. Ik vind het onbeleefd. Maar als we dit nader analyseren, moet ik toegeven dat gezondheid voor mij toch belangrijker is dan beleefdheid.

Hongerklop om vier uur ’s middags

De zes weken beginnen goed. Ik houd me netjes aan het dieet van mijn diëtiste: een uitgebalanceerde hoeveelheid koolhydraten, eiwitten, vetten en groenten. Daarnaast ben ik volop bezig met de opdrachten van de Beck-methode: ik dek de ontbijttafel, zet het eten op tafel en ik eet aandachtig – altijd zittend. Staand eten mag niet; wie zittend eet, onthoudt namelijk beter dat hij heeft gegeten. Het is verbijsterend te ontdekken hoeveel ik, als ik aan het koken ben, gewend ben te eten. ‘Proef op smaak’, staat toch in alle recepten?

Bij sommige opdrachten ben ik de beste leerling van de klas. Judith adviseert te sporten. Doe ik lekker al! Spontaan bewegen? Ja, ik neem de trap. De Beck­methode is een makkie, begin ik te denken in de tweede week. ‘Heel goed,’ schrijft Marcus bemoedigend. Maar in diezelfde week moet ik het verschil leren kennen tussen honger, trek in iets lekkers en dat sterke verlangen naar eten. Nooit geweten dat er een verschil was tussen die drie: ik dacht dat ik gewoon altijd honger had. Maar je hoeft niet in te gaan op trek en het verlangen naar lekkers, redeneert Judith Beck. Je hoeft alleen te eten bij honger. En zelfs honger kun je af en toe negeren.

Is dat echt waar? De trek om elf uur ’s ochtends is nog wel te verdragen met een appel, maar die om vier uur ’s middags is echt erg, mail ik Marcus. Dan zou een extra lunch wel op zijn plaats zijn. Ik denk aan al die keren dat ik om vier uur niet meer kon inparkeren omdat ik last had van hongerklop.

Marcus trapt er niet in. ‘Waarom ben je zo bang voor honger? Wat gebeurt er als je een keer je honger niet stilt?’ Oké, ik ga het experiment aan. En onderga de volgende dag om vier uur een brullende honger die me eerst uit mijn concentratie haalt. Volgens mevrouw Beck komt en gaat honger in golven. Inderdaad, dat is ook wat ik ervaar als ik níét eet om vier uur ’s middags. ‘Deze honger valt eigenlijk wel mee,’ denk ik. Het is een eyeopener. Maar kan mijn probleem met zo’n simpele oefening echt definitief tot het verleden behoren?

Help, ik kan dit niet!

Als ik op dag 14 ‘het spontane eten moet uitbannen’, word ik boos. Eten is al heel lang geen spontane aangelegenheid meer. Ik begin de paternalistische toon van mevrouw Beck flink beu te worden. Bovendien: ik ben toch geen boekhouder, met die stomme kaartjes. ’s Avonds laat neem ik gefrustreerd een kijkje in de koelkast. Ik steek mijn hand uit om een stuk kaas te pakken. ‘Hoho, ongepland eten mag niet,’ merkt mijn echtgenoot op vanachter de krant. Ziedend sluit ik de deur.

‘Ik kan dit niet,’ mail ik Marcus diezelfde avond wanhopig. ‘Ik heb gewoon trek!’ Zijn antwoord komt een dag later. ‘Volgens mij ben jij er niet uit op welk gewicht je je prettig voelt. Dat maakt de motivatie om af te vallen – en op gewicht te blijven – ook heel lastig, want waar doe je het dan voor.’ Tja, ik voel me gewoon altijd hetzelfde, of ik nu 92 kilo of 72 kilo weeg. Ik weet dat het er anders uitziet, omdat anderen dat tegen me zeggen, maar zo vóélt het niet. Als het duidelijk was waar ik me prettig bij zou voelen, was ik allang dun geweest, denk ik. Ik heb geen grip op het juiste gewicht.

‘Ik heb alle diëten al geprobeerd,’ ‘ik eet al bijna niks,’ ‘waarom zou deze methode wel werken’ – regelmatig heb ik last van ondermijnende gedachten. Maar die kun je ook ten positieve aanwenden, leert Beck, door ze anders te formuleren: ‘Aangezien ik in het verleden niet succesvol ben geweest met lijnen, kan ik dit in ieder geval proberen.’

In week vier moet ik op zaterdag de lunch overslaan, om de échte honger te leren kennen. Volgens Judith Beck kunnen mensen tijden zonder eten en gebeurt er niets als we een keer niet eten. Nou, ik moet er niet aan denken. De lunch is heilig. Op zaterdag ga ik rond lunchtijd winkelen en kijk ik steels op mijn horloge. De honger komt en gaat, om een uurtje later weer terug te komen en vervolgens weer weg te ebben. Er gebeurt echt niets onoverkomelijks. Vanaf dat moment valt het kwartje. Dit is te doen, ik kan dit!

Zes pond lichter

In de vijfde week van de Becktraining ben ik 3 kilo afgevallen en weeg ik 73 kilo. Het is merkwaardig om tijdens het wegen de deurpost niet vast te hoeven houden om een paar pondjes te smokkelen: die pondjes zijn weg. Ik moet constateren dat de Becktherapie heeft gewerkt, ondanks mijn scepsis.

‘Zijn je gedachten veranderd?’ vraagt Marcus. Inderdaad, ik denk minder aan eten, ik eet niet meer gedachteloos en ik kan de gradaties in honger benoemen. Marcus schrijft: ‘Volgens mij heb jij de essentie te pakken. Afvallen en diëten is één ding, maar je gewicht vasthouden is twee. Het boek is zo opgezet dat die verandering slowly but steadily wordt ingezet. Geen wonder dat dat niet vanzelf gaat, anders zou het vasthouden van je gewicht een peuleschil zijn. Kies uit de poel met opdrachten de dingen die zinvol zijn, schrijf de belangrijkste punten op een lijst en bewaar die goed. Daar kun je altijd op teruggrijpen. De uitdaging ligt er uiteraard in dit vast te houden.’

En daar zit hem nou net de crux. Ik ken veel dikkerds, maar ik ken er niet één die het is gelukt gewichtsverlies te behouden. Ik zou de eerste zijn in brede kring.

Eén ding heb ik ontdekt: je kunt wel lijnen, maar als je niet weet wanneer je écht moet eten en wanneer niet, zul je altijd weer aankomen. ‘Misschien moeten we over drie jaar opnieuw de stand van zaken opnemen,’ zegt Marcus in ons laatste coachinggesprek. En als ik dan weer 17 kilo ben aangekomen, beginnen we gewoon opnieuw, denk ik stiekem. Daar doet een dikkerd echt niet moeilijk over.[/wpgpremiumcontent]