Toen ik begin 2019 met toegeknepen ogen het zoveelste uitgelekte slachthuisfilmpje zag, was ik het zat: het was de hoogste tijd om te minderen met vlees eten. Want het is toch hartverscheurend hoe we omgaan met dieren en, kort door de bocht gezegd, het klimaat aan gort helpen door de giga-vleesindustrie?

Vegetariërs en vleeseters: twee planeten

Vegetariërs kijken anders tegen de wereld aan dan vleeseters, concludeert een team van Duitse en Am...

Lees verder

Sindsdien droeg ik als flexitariër mijn steentje bij aan de wereld. Dacht ik. Dik tevreden met mezelf bakte ik regelmatig een omeletje, smeerde hummus, bestelde een kaassoufflé in plaats van een kroket en verruilde mijn steak soms voor een sojavariant.

Tot ik in oktober 2020 een artikel in de Volkskrant las, waarin stond dat de consumptie van vleesvervangers was gestegen, maar óók de vleesconsumptie (naar 77,8 kilo per persoon per jaar).

Was ik wel een haar beter dan een ‘echte’ carnivoor? Alles bij elkaar at ik nog steeds zo’n drie keer per week vlees. Smeerde ik ’s middags braaf hummus op brood, dan at ik er ’s avonds geen karbonaadje minder om (want ja, ik had het in de middag al plantaardig gehouden). Soms dácht ik zelfs dat ik geen vlees had gegeten, maar bleek ik het plakje kipfilet op mijn cracker na een paar uur alweer vergeten te zijn.

Wat ik deed sloeg nergens op, realiseerde ik me. Ik hield mezelf zoet met een schijnoplossing om mezelf beter te voelen, terwijl ik mijn gedrag amper aanpaste. Het moest echt anders. De enige oplossing leek me: er helemaal mee stoppen.

Diepe overtuiging

‘Veel mensen willen stoppen of minderen met vlees eten,’ aldus antropoloog Roanne van Voorst, schrijver van het boek Ooit aten we dieren. Volgens onderzoek van Wageningen Economic Research en de Vegamonitor 2019 van Natuur & Milieu blijkt dat bijna de helft van de Nederlanders (47%) elke dag vlees eten niet meer van deze tijd vindt.

Toch is het percentage dat zichzelf vegetariër (2%), pescotariër (1 tot 2%) of veganist (<1%) noemt een bescheiden clubje. Van Voorst: ‘Stoppen met vlees eten vergt moeite, gewenning, discomfort en lef.

Het is eng, omdat we van onze ouders, leraren, artsen en wetenschappers hebben geleerd dat vlees eten normaal, natuurlijk en zelfs noodzakelijk is. De laatste jaren wordt duidelijk dat dat niet het geval is, maar de overtuiging zit bij veel mensen zo diep, dat we dat moeilijk kunnen geloven. Of wíllen geloven.’

Ik herken dat wel. Toen ik met dit hele plan begon, ging ik ineens aan de vitamine B12-tabletten, want ik zou weleens een tekort kunnen krijgen. Daarvoor maakte ik me nooit druk of ik wel voldoende voedingsstoffen binnenkreeg, en of ik elke dag genoeg groenten en fruit at – om maar een voorbeeld te noemen.

En wat pas echt vervelend was: het lukte me niet om volledig te stoppen met vlees eten. Dan stond ik in de snackbar en koos ik tóch voor die kroket. Mijn schuldgevoel suste ik met een smoes: één keer kan geen kwaad / het dier is toch al dood / wat maakt het uit of ik of iemand anders die kroket eet?

Cognitieve dissonantie

Een typisch geval van cognitieve dissonantie, zegt consumentenpsycholoog Patrick Wessels, die zich heeft verdiept in de psychologie van onze vleesconsumptie.

‘Veel mensen zijn er inmiddels van overtuigd dat vlees eten niet goed is, maar het brein houdt er niet van om tegen zichzelf te zeggen dat het iets niet goed doet. We willen ons niet slecht voelen over onszelf, dat veroorzaakt een onaangename spanning. Het bedenkt daarom redenen om het eigen gedrag goed te praten.’

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek worden er in ons land per dag twee miljoen dieren gedood voor ons voedsel. Wie de gedachte zou toelaten dat hij bijdraagt aan dat dierenleed en de bijbehorende milieuvervuiling zou zich consequent een slecht mens voelen.

Ons brein is echter getraind om die dissonantie te verminderen; het beschermt ons tegen ingewikkelde en pijnlijke informatie, en bedenkt redenen zodat we ons goed voelen over onszelf.

Misschien wilde ik me daarom ook geen vegetariër noemen, dat klonk zo definitief. Daarbij had ik gewoon zin in vlees. Zelfs zo erg dat ik soms stiekem – lichtelijk aangeschoten – op een verjaardag filet american op een stokbroodje smeerde. Ik bleef maar hunkeren naar parmaham op de borrelplank en in roomboter gebakken biefstuk bij de aardappels.

TEST
Doe de test »

Leef je naar je waarden?

Sociale norm

Antropoloog Van Voorst begrijpt dat wel. Zij ziet stoppen met vlees eten als een proces. ‘Het is nog geen gewoonte. Maar je smaak en gewoonten veranderen; zin in plantaardig voedsel kan groeien, dat heeft alleen tijd nodig.’

Minimaal zes weken, volgens professor Jaap Murre, hoogleraar theoretische neuropsychologie aan de universiteit van Amsterdam. Zo lang duurt het voordat iets een nieuwe gewoonte is en het comfortabel aanvoelt.

En zo voelde het inderdaad nog niet. Over alles moest ik nadenken: het standaard agv’tje, de vanzelfsprekendheid van spekjes door de stamppot, gehakt door de lasagne, ham op de tosti.

Even de supermarkt binnenspringen was er niet meer bij; dan stond ik als een verloren schaap om me heen te kijken om vervolgens maar wat groenten en een vleesvervanger af te rekenen.

Maar het lastigste van mijn poging-tot-nieuwe-leefstijl vond ik het afwijken van de sociale norm. In mijn Amsterdamse millennialbubbel was het makkelijk om geen vlees te eten; niemand kijkt je raar aan als je in een notenburger hapt.

Maar op bezoek in het dorp waar ik vandaan kom, zo’n 110 kilometer bij de grachtengordel vandaan, stond ik opeens voor dilemma’s. Daar is snert met vlees traditie, en hebben ze geen vegetarische rookworst voor bij de zondagse hutspot.

Mijn familie vond het maar niks. Toen ik tijdens een diner vroeg of iemand mijn stuk vlees wilde, keken ze me met argusogen aan. Of ik wel wist dat de wijn die ik dronk ook niet vegetarisch was, want die werd meestal geklaard met gelatine.

Soms at ik vlees uit beleefdheid. Met kerst had mijn oma twee dagen in de keuken gestaan om een ‘heerlijke hartige krans’ te maken. ‘Maar wel met biologisch gehakt, hoor.’ Zeg daar maar eens nee tegen.

Leukere mensen

Alhoewel de trend nu overwaait naar andere delen van het land, en zelfs naar mijn geboortedorp, is vlees eten voor het gros van de Nederlanders nog steeds normaal. Roanne van Voorst: ‘Afwijken van de carnistische norm, dus een impopulaire mening hebben, vinden mensen vaak niet fijn.’

Volgens psycholoog Wessels kan vlees eten daarnaast onderdeel zijn van je identiteit. ‘Vleeseters worden nog altijd gezien als “leukere” en “makkelijkere” mensen. Die als je geen vlees eet iets zeggen als: “Je bent toch geen vegetariër, hè?” Misschien sta jij wel bekend als de persoon die altijd een goedgevulde borrelplank op tafel zet en als het zonnetje doorbreekt de barbecue aanslingert. Het is moeilijk voor je zelfbeeld om daarmee te breken.’

‘Een andere reden voor het niet kunnen stoppen met vlees eten,’ zegt Van Voorst, ‘is dat we nog altijd niet genoeg inzicht hebben hoe het gaat met de bio-industrie, hoe naar dat nu eigenlijk echt is.’

Een psychologisch mechanisme dat daarbij een rol speelt is de confirmation bias, ofwel het bevestigingsvooroordeel. Daarbij gebruik je informatie die je bestaande overtuigingen bevestigt: je zoekt simpelweg naar ‘bewijs’ dat daarbij past.

Zo was een beterlevenkeurmerk voor mij lange tijd een bewijs voor: zie je wel, die dieren worden goed behandeld en hebben een prima leven gehad. Voorbeelden die dat in twijfel trokken, negeerde ik. Want natuurlijk vond ik dierenleed en de dreigende milieu- en klimaatrampen verschrikkelijk, maar tegelijkertijd onwerkelijk. Een ver-van-m’n-bed-show.

Smeltende ijskappen? Ontbossing? Varkens in kokend water? Ik zie het niet, dus het is er niet; zoiets. Wat er wel was: de McDonalds waar ik langsfietste na een feestje, en de Quarter Pounder die naar me lonkte.

Waarom we ons ergeren aan vegetariërs

Geheelonthouders, milieuactivisten en klokkenluiders – we vinden het maar moraalridders. Zelfs als...

Lees verder

Het voornemen om je eetpatroon aan te passen, slaagt pas met een duidelijke, intrinsieke motivatie, zegt consumentenpsycholoog Patrick Wessels: ‘Ga voor jezelf na waarom je het wilt. Als je niet volledig overtuigd bent van je eigen beweegredenen wordt het heel moeilijk.’

Van Voorst: ‘Op het moment dat je tóch die Quarter Pounder bestelt, zie je geen vlees eten nog als iets disciplinairs; als iets niet mogen, in plaats van iets niet willen.’

Tijd nodig

Wat me uiteindelijk de ogen opende, was de corona-uitbraak begin maart 2020: de beelden van de Wuhan-wildmarkt – vermoedelijke bron van de uitbraak – en de waarschuwingen van virologen dat de wereld steeds meer risico loopt op pandemieën, mede als gevolg van de groeiende veestapel.

Het gaat niet goed met de wereld, zo ver-van-m’n-bed was het opeens niet meer. Ineens voel ik het echt – diep vanbinnen: er móét iets veranderen.

Grenzen stellen bleek me te helpen: niet misschien/eventueel/wellicht nog een karbonaadje – nee, ik eet het niet meer, klaar. En het hielp ook om mezelf desondanks geen vegetariër te noemen. Ik krijg daardoor minder lastige vragen.

‘Ik probeer dit gewoon een paar maanden uit,’ zeg ik tegen mijn omgeving en tegen mezelf. Bevalt het niet, dan kan ik altijd nog terug.

Vier maanden later loop ik in de supermarkt zonder nadenken de vleesschappen voorbij en áls ik er soms in kijk, denk ik: jakkes, dode beesten. De zin in vlees is weg. Een homp biefstuk op mijn bord of gemalen rauw rundvlees (filet american) op mijn brood – ik moet er niet meer aan denken.

Toch voelt het label ‘vegetariër’ nog steeds te definitief. Van Voorst: ‘Dat heeft te maken met de angst om te falen. Maar af en toe “terugvallen” is helemaal niet erg. Je komt uit een diepe gewoonte, je bent iets nieuws aan het leren, daar hoort dat gewoon bij. You’re trying. Geef jezelf daarvoor tijd.’

Mijn sociale omgeving is inmiddels gewend aan mijn leefstijl. Zelfs mijn vader, die onlangs – tegen zijn zin in, maar toch – een hapje van mijn vegetarische worst nam. En later die week appte mijn moeder me een foto van hun maaltijd: ‘Geen vlees!’

Liever een ‘imperfecte’ vegetariër

Waar ik mezelf eerst een schouderklop gaf omdat ik hummus in plaats van kipfilet op brood deed, ben ik nu vooral trots dat ik me mijn laatste vleesmaaltijd niet meer kan herinneren. Of nee, dat lieg ik. In de zomer kon ik de verleiding van goede parmaham niet weerstaan.

Ik at het omdat ik daar zin in had, maar het was allesbehalve bevredigend. Ik dacht vooral aan het varken dat hiervoor het loodje had gelegd. Bovendien is mijn smaak veranderd en vind ik vlees niet eens meer zo lekker. Ik voel me oprecht beter bij een vegetarische levensstijl. Ik mag wel vlees, maar ik wil het niet.

Of ik het dus ook nooit meer zal eten, durf ik niet te zeggen. Maar zoals Van Voorst zegt: ‘Je hoeft geen die hard vegetariër te zijn als dat niet goed voelt. Liever 99 procent imperfecte, dan 1 procent perfecte vegetariërs op deze wereld.’

Bronnen: R. Van Voorst, Ooit aten we dieren, Podium, 2019 / M. Joy, Why we love dogs, eat pigs, wear cows. An introduction to carnism, Conari Press, 2011 / R. Bridgeman, Stoppen met vlees, Nieuw Amsterdam, 2018