Met grote passen beende de stewardess op me af. Ze boog zich naar me voorover, voor zover dat mogelijk was met alle spartelende ledematen op mijn schoot die me voortdurend in mijn gezicht, op mijn borst en in mijn kruis sloegen.

Fel keek ze me aan. ‘Dit. Moet. Nu. Stoppen,’ siste ze staccato. ‘De gezagvoerder heeft me gezegd dat hij met dít geluid niet kan opstijgen omdat het hem helemaal uit z’n concentratie haalt. Dus ik geef u de keuze: u zorgt ofwel dat het geloei ophoudt, of ik verzoek u het vliegtuig onmiddellijk te verlaten.’

Ik had het me zo anders voorgesteld, zoals vaker tijdens vakanties. Ontspannen zouden we, genieten van onze kleine kindjes, lekker lezen en poedelen in het zwembad. Maar iedereen weet dat ontspannen op bevel net zo onmogelijk is als niezen op commando.

De zomers die we in het buitenland doorbrachten met ons kleine kroost waren allesbehalve relaxed, er had altijd wel iemand chronische blafhoest of jeuk op vreemde plekken.

En dan beschikken wij ook nog eens over Róman, een kind dat zich niet graag laat begrenzen. Dat laat zich op school zien (hij gaat rustig onder tafel zitten als-ie ergens geen zin in heeft), thuis (de eerste keer dat hij zelf over straat mocht fietsen, schreeuwde hij euforisch: “Ik ben vrij! Helemaal vrij!”) en op vakantie waar hij als dreumes hevig in verzet ging op het moment dat ik hem op schoot moest nemen en de stoelriem vast moest. Ingesnoerd worden, Róman verdroeg het niet.

Ergens snap ik dat. Zijn behoefte aan lucht en ruimte heeft Róman namelijk van mij. Ik, die al meer dan twintig jaar freelancer ben, die het eindeloos lang uitstelde voor ik dorst samen te wonen, die het al vervelend vindt als iemand een vaarfeestje geeft op een boot omdat ik zelf wil kunnen bepalen wanneer ik vertrek.

Maar ik heb me ook altijd aangepast. Dus zit ik enigszins verkrampt op zo’n pleziertocht uit te stralen dat ik het echt heus enorm naar mijn zin heb. Ik heb eindeloos lang braafjes mijn schoolwerk gemaakt wanneer erom gevraagd werd.

En ik denk dat ik al honderden werkdinertjes beleefd heb uitgezeten terwijl ik me stiekem rotverveelde. Mijn vrijheidsdrang, kortom, heeft nogal last gehad van mijn bravemeisjesgedrag, van pleaserigheid, van de angst niet aardig gevonden te worden.

Pas sinds ik Róman heb, maak ik mijzelf hiervan los. Hij doet niet aan vleierij, is volstrekt autonoom, gaat zijn eigen gang en mensen zijn doorgaans dol op hem. Juist vanwege die eigenheid. Dus nam ik zijn rebellie langzaam over.

In het vliegtuig deed ik bij de stewardess alsof ik de riem omdeed, terwijl ik Róman stiekem zelf losjes vasthield, waarna het janken stopte. Ik laat me inmiddels nooit meer een boot op kletsen als ik dat niet wil.

Werkdinertje? Daar doe ik niet meer aan. Maar het allermooiste is dat ik deze zomer een racefiets heb waarmee ik keihard door de weilanden scheur, terwijl ik schreeuw: ‘Ik ben vrij! Helemaal vrij!’