Juist als we het niet kunnen gebruiken, gebeurt het vaak. We voelen het bloed naar onze wangen stijgen wanneer we ein-de-lijk de moed hebben gevonden om die leuke vrouw een drankje aan te bieden, of wanneer we net begonnen zijn in een nieuwe baan en in een vergadering naar onze mening wordt gevraagd. Het gebeurt als we een leugentje vertellen, een verkeerde opmerking eruit flappen, of alleen maar dénken dat anderen het vast een heel ongepaste opmerking vinden.

Het gemene aan blozen is dat we er geen invloed op kunnen uitoefenen. De doorbloeding van de huid wordt geregeld door ons autonome zenuwstelsel, dat zelfstandig en buiten onze wil om werkt. De fijne adertjes verwijden zich, waardoor er meer bloed naar ons gezicht stroomt. Dat geeft een gevoel van warmte en een rode kleur aan onze wangen, oren en hals. Die kleur komt snel op en trekt meestal relatief snel weer weg. Maar – om het nóg gemener te ­maken – omdat de warmte wat langer blijft hangen, voelt het alsof we veel langer rood zijn.

Geen blos zonder toeschouwers

Waarom zet ons lichaam ons eigenlijk zo voor gek? ‘Blozen kost het lichaam best moeite, dus het zou gek zijn als het geen functie heeft,’ zegt Corine Dijk, die aan de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek doet naar blozen, bloosangst en de communicatieve functie van blozen. Net zoals we via gezichtsuitdrukkingen communiceren, maken we aan anderen waarschijnlijk iets duidelijk door te blozen – of we nu willen of niet.

Een kenmerk van blozen is namelijk dat het altijd in het gezelschap van andere mensen gebeurt. Twee dingen spelen daarbij een rol, zo is gebleken: de grootte en de locatie van het ‘publiek’. In de regel geldt dat hoe meer mensen er aanwezig zijn, hoe harder we blozen. In een onderzoek kregen proefpersonen bijvoorbeeld een gênante opdracht: ze moesten in hun eentje voor de camera een liedje zingen, en vervolgens werden die beelden onverwacht vertoond in het gezelschap van onbekenden. De blos die zo werd opgeroepen, was veel sterker als er vier personen meekeken dan als er maar één persoon meekeek.

Uit ander onderzoek bleek onlangs dat het verschil maakt naar welke kant van het gezicht het publiek kijkt. Proefpersonen die een liedje moesten zingen terwijl de proefleider naast hen stond en naar hen keek, werden roder en warmer aan de kant van de proefleider. Dit ondersteunt de gedachte dat de blos bedoeld is om gezien te worden.

Gênante vragen

De Britse psycholoog Raymond Crozier heeft als een van de weinigen nauwkeurig onderzocht in welke situaties we blozen. Hij kwam tot twee soorten ­omstandigheden: als we in het middelpunt van de belangstelling staan – of dit nu op een positieve, neutrale of negatieve manier is – of als een persoonlijk of gevoelig onderwerp ter sprake komt. De kern van blozen is volgens Crozier dat we onszelf zien door de ogen van anderen: we worden ons plotseling bewust van hoe anderen ons zien en beoordelen. Met een blos laat je dus zien dat je gevoelig bent voor de mening van de ander. Zo zullen we waarschijnlijk heviger blozen in gezelschap van een woest aantrekkelijk persoon dan van iemand die ons koud laat, omdat we het dan minder belangrijk vinden om een goede indruk te maken.

Overigens hoeven die anderen niet altijd lijfelijk aanwezig te zijn voor een blos, bewees Corine Dijk onlangs. Ze liet proefpersonen op de computer chatten met een andere onderzoeksdeelnemer, met of zonder webcam. De andere deelnemer was in werkelijkheid een proefleider. Tijdens het gesprek stelde hij onverwacht een gênante vraag: ‘Zeg, ik vind je leuk, wanneer heb jij voor het laatst seks gehad?’ Met of zonder webcam werd er systematisch gebloosd bij deze vraag. Het kan dus ook om een ingebeelde of ervaren aanwezigheid van anderen gaan, concludeert Dijk.

Beha’s stelen

Gelukkig zitten er veel positieve kanten aan de signalen die we uitzenden door te blozen. ‘Het kan verzoenend werken in veel situaties,’ zegt Dijk. ‘Als je per ongeluk een kop koffie over iemand heen gooit en je bloost, dan laat je zien dat je je schaamt. Het maakt duidelijk dat je gevoelig bent voor het oordeel van de ander. Blozen kun je ook zien als een soort onderdanigheid. De baas zal waarschijnlijk minder blozen als hij een kop koffie over een medewerker gooit, dan andersom.’

Een onderzoek van Dijk bevestigde dit verzoenende effect. Proefpersonen beoordeelden een groot aantal foto’s van mensen die beschaamd keken, mét of zonder blos op de wangen. De personen op de foto hadden zogenaamd iets gedaan dat niet door de beugel kon: ze hadden bijvoorbeeld beha’s gestolen bij de Hema of een wind gelaten in de lift in gezelschap van andere mensen. Wat bleek: wanneer de ‘daders’ op de foto een blos vertoonden, dan dachten de proefpersonen een stuk positiever over hen. Dijk: ‘Dat gaat heel onbewust. De proefpersonen die de foto’s beoordeelden, wisten niet waar het onderzoek over ging. Zelfs achteraf had nog bijna niemand door dat het om het blozen ging. Maar intussen beïnvloedde die blos wel sterk hun mening over de personen op de foto’s.’

Helaas bleek onlangs dat er ook situaties zijn waarin een rood hoofd juist tegen ons kan werken. Als dezelfde foto’s werden getoond zonder dat duidelijk was wie de ‘dader’ was, dan werden personen met een blos juist negatiever beoordeeld. Als iemand onschuldig is, zou hij vast niet rood worden, redeneren we.

Maar over het algemeen zitten er vooral positieve kanten aan de blos, vindt Dijk. ‘Mensen zijn vaak bang dat ze een open boek zijn door te blozen. Maar het is ook heel fijn als mensen hun gevoelens tonen, vooral in groepsverband. Als die ene man door je rode hoofd bijvoorbeeld ziet dat je hem leuk vindt, hoeft dat helemaal niet ongunstig te zijn.’

 [/wpgpremiumcontent]