Dit zijn 5 misverstanden over pesten

1. ‘Mijn kind vertelt het mij zéker, als het gepest wordt’

‘Kinderen schamen zich er vaak voor als ze gepest worden,’ vertelt Beau Oldenburg, socioloog aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Er rust nog steeds een stigma op: alsof het iets over hén zegt dat ze steeds het doelwit zijn. Dat ze wel kneuzen zullen zijn. De media werken dat alleen maar verder in de hand, met koppen als: “Op de basisschool werd hij gepest, maar nu is hij een wereldster!” ’

De gevolgen van pesten

Journaliste Eveline Brandt schreef een aantal jaar geleden een aangrijpend verhaal in Psychologie Ma...

Lees verder

Mede daarom vertelt 35 procent van de kinderen aan niemand dat ze worden gepest, zelfs niet aan hun ouders, blijkt uit een kleinschalig onderzoek van Oldenburg. Wat ook meespeelt, is dat kinderen bang zijn dat er iets in werking wordt gesteld dat ze niet meer kunnen stoppen.

Dat er represailles volgen van de pesters, als ze er thuis over hebben verteld en de ouders naar school zijn gestapt. Bovendien hebben kinderen vaak het idee dat het probleem toch niet opgelost kan worden, bijvoorbeeld omdat ze zagen dat de leerkracht wel actie ondernam, maar dat dit niet meteen effect had. Daarom houden ze het maar liever voor zich.

Wat helpt, stelt Oldenburg, is als kinderen merken dat er thuis openlijk over pesten gepraat kan worden. ‘Krijgen ze steevast te horen: “Ach joh, pesten hoort er een beetje bij,” dan houden ze hun mond zéker dicht. Veel beter werkt het om een veilig gevoel te creëren door te zeggen dat je altijd samen naar manieren zou willen zoeken waarop iedereen zich prettig kan voelen in de klas.’

Ook op school moet duidelijk zijn dat pesten serieus genomen wordt. Dat de verantwoordelijkheid wordt weggenomen bij het kind en de leerkracht zegt: ‘Wij gaan hier als groep iets tegen doen. Met z’n allen.’

2. ‘Een kind dat gepest wordt, zal er ook wel een beetje om vragen’

In de gesprekken die Oldenburg met leerkrachten voert, hoort ze het regelmatig vallen: ‘Het is heel vervelend, maar hij kan zich wel héél irritant gedragen.’ Of: ‘Ze is sociaal ook wel erg onhandig.’ Ze schrikt er steeds weer van.

‘Want ja, er zijn altijd kinderen die steeds met hun pen op de tafel van anderen lopen te tikken. Of die altijd willen bepalen welk spel er gespeeld wordt, en weinig ruimte voor anderen laten. En daar moet je zéker iets mee doen in de klas. Maar het is nooit een reden om gepest te worden, laat staan pesten te rechtvaardigen.’ ‘Die vindt al dat ze gepest wordt als ze een duwtje krijgt,’ zeggen leerkrachten vaak.

Blijkt uit onderzoek dat er zoiets is als een typische slachtoffer-persoonlijkheid? Nee, zegt Oldenburg. ‘Alles wat afwijkt, kan een reden zijn om te pesten: te lang, te kort, te dik, te dun. Maar wat je ziet, is dat het in bepaalde klassen wél gebeurt, en in andere niet. Dat hangt dus sterk van de groep af: wordt pestgedrag geaccepteerd of zelfs aangemoedigd, of komt de groep ertegen in opstand?

De enige overeenkomst die we in onderzoek onder gepeste kinderen zien, is dat het vaak kinderen zijn die wat minder makkelijk voor zichzelf opkomen. Ze zijn wat verlegener, hebben wat minder vrienden, zijn fysiek of ­sociaal wat minder sterk. Een bewuste keuze van een pester, want van zulke kinderen hoeft hij of zij niet zoveel weerstand te verwachten.’

3. ‘O, maar zij wordt niet écht gepest’

In het promotieonderzoek van Beau Oldenburg gaven 71 kinderen aan minstens twee keer per maand gepest te worden. Leerkrachten, die apart ondervraagd werden, bleken slechts 18 van de 71 gevallen te ‘erkennen’ als slachtoffer.

Het is een kleinschalig onderzoek dat nog herhaald moet worden, maar ook uit gesprekken blijkt steeds opnieuw: leerkrachten zien het niet. Of ze stellen: ‘Ja díé. Maar die vindt al dat ze gepest wordt als ze een duwtje krijgt.’ ‘Pesters mogen dan niet speciaal leuk of aardig gevonden worden; ze zijn wél populair’

‘Zorgwekkend,’ vindt Oldenburg. ‘De enige die kan zeggen of gedrag van een ander al dan niet pesten is, is het slachtoffer zelf. Ik snap dat volwassenen vinden dat een kind tegen een stootje moet kunnen. En dat kinderen iets moeten leren over het verschil tussen plagen en pesten.

Maar de discussie over de vraag of het “waar” is dat het in een gegeven situatie om pesten draait, is onzinnig. Onderzoek toont aan dat kinderen die zich gepest voelen, beschadigd raken. Een groot deel krijgt depressieve klachten en ontwikkelt angstproblemen. Wie zijn wij dan om te zeggen dat het wel meevalt?’

4. ‘Zo’n pester moet je streng straffen’

‘Ik doe nu al zeven jaar onderzoek naar pesten, en als één ding duidelijk wordt, is het dat streng straffen nauwelijks helpt,’ zegt Oldenburg. ‘Sterker nog, dat verergert het probleem vaak alleen maar. Waar pesters namelijk vooral op uit zijn, is status. Ze willen laten zien hoe stoer ze zijn – en als je ondanks sancties gewoon durft door te pesten, dan moet je wel een taaie zijn.

Vervelend genoeg werkt het ook nog: pesters mogen dan niet speciaal leuk of aardig gevonden worden; ze zijn wél populair.’
Een veel zinvollere manier om pest­gedrag aan te pakken, is het inzetten van een ‘steungroep’: een door de leerkracht aangewezen groep positieve en neutrale kinderen uit de klas, met daarin óók de pester, die manieren bedenken om het kind te helpen dat zich niet prettig voelt in de klas.

‘Bewijs uit onderzoek hebben we nog niet, maar dat dit helpt is zeer aan­nemelijk. Want wat we keer op keer zien, is dat pesten een groepsproces is,’ licht Oldenburg toe. ‘Pesten levert alleen iets op als andere kinderen daarin meegaan of dat gedrag stoer vinden. Draai je het om, en laat je de groep verantwoordelijkheid nemen voor een prettige sfeer in de klas, dan is het pesten al gauw niet meer interessant.’

Dat ouders vinden dat de pester er zo wel erg makkelijk mee wegkomt, begrijpt Oldenburg wel. ‘Die willen natuurlijk liever dat zo’n pester óók even op de blaren moet zitten. En als er strafbare feiten worden gepleegd, staan daar natuurlijk sancties op.

Maar pestgedrag is vaak veel subtieler. Aangezien straffen niet werkt, zoek ik het liever in een oplossing die wél effectief is.’ Dat schoolprogramma’s die gebruikmaken van zo’n steungroep ook echt werken, blijkt uit recent onderzoek van het Trimbos-instituut en vijf universiteiten.

5. ‘Wie gepest wordt, moet de pester ­gewoon een klap verkopen. Dan stopt het wel’

‘Gewoon terugslaan,’ zeggen ouders soms tegen hun gepeste kind. Maar volgens de Noorse psycholoog Dan Olweus, al veertig jaar een autoriteit in het onderzoek naar pesten en ontwerper van het Olweus Bullying Prevention Program, is juist het machtsverschil tussen pester en slachtoffer een belangrijk kenmerk van pesten.

Dat betekent dat de pester fysiek sterker is of bijvoorbeeld meer vrienden heeft dan het slachtoffer, wat het bijzonder lastig en soms zelfs ronduit onveilig maakt om terug te slaan. Oldenburg: ‘Wetenschappelijk onderzoek doet op geen enkele wijze vermoeden dat pesten stopt als het slachtoffer terugslaat.

Daarnaast wordt door het geven van dit advies de verantwoordelijkheid van het stoppen van pesten bij het slachtoffer gelegd – “Als je maar genoeg van je afbijt dan stopt het wel” – en dat is wat mij betreft onwenselijk. Pesten is een probleem van de groep en moet ook in de groep worden opgelost.’