Wat moet je doen tegen pesten?

Kinderen die op jongere leeftijd gepest worden, ondervinden daar ook later nog last van. Uit een onderzoek onder mannen die als kind gepest waren, bleek dat ze op 20-jarige leeftijd weliswaar een positieve draai hadden gegeven aan hun leven, maar dat ze tegelijkertijd minder zelfrespect hadden en vaker depressief waren dan hun niet gepeste leeftijdgenoten. Een op de vier basisschoolleerlingen en een op de tien middelbare scholieren is het doelwit van pesterijen. Pesten moet je dus serieus nemen. Maar hoe?

Training

Ontspannen opvoeden

  • Ontdek hoe je als ouder positief en relaxed blijft
  • Omgaan met de emoties van je kind
  • Speciaal ontwikkeld om te volgen op mobiel
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

Iets aan de situatie doen

Uit een Noors onderzoek blijkt dat het helpt om iets aan de situatie te doen. Door middel van een grootscheeps interventieprogramma op meer dan duizend Noorse scholen probeerde men iedereen bewust te maken van het pesten en hen te betrekken bij het zoeken naar oplossingen. De schoolleiding nam maatregelen op drie niveaus: op schoolniveau, bijvoorbeeld beter toezicht en een conferentiedag over pesten; op klasniveau, bijvoorbeeld regels en sancties opstellen tegen pesten, en op individueel niveau, bijvoorbeeld gesprekken met daders en slachtoffers.

Voor de leerkrachten kwam daar nog bij dat ze het pestgedrag meteen aanpakten, meteen de dader erop aanspraken en het slachtoffer steunden. Dit interventieprogramma zorgde dat het pesten met 50% verminderde.

Sommige deskundigen suggereren daarnaast dat de belangrijkste interventie bij pesten misschien wel is het mobiliseren van de omstanders. Pestkoppen hebben publiek nodig, en als ze niet getolereerd worden, levert het pesten opeens veel minder op. Dus niet alleen de pestkoppen, maar ook de toeschouwers zouden erop gewezen moeten worden dat zij bijdragen aan het instandhouden van het pesten.

Iets aan de opstelling van het kind doen

In tegenstelling tot wat iedereen altijd denkt, is niet het uiterlijk – sproeten, rood haar, dik en bebrild – de belangrijkste reden om te pesten. Volgens de Zweedse onderzoeker Dan Olweus zijn de meeste slachtoffers van pesten juist verlegen en teruggetrokken en hebben ze een negatief zelfbeeld. Ze zijn zachtaardiger en gevoeliger dan andere kinderen, wat ze tot een gemakkelijke prooi maakt. Assertieve kinderen met zelfvertrouwen worden meestal niet gepest.

Weerbaarheidstraining en zogenoemde ‘kanjertrainingen’ kunnen de assertiviteit verhogen. Kanjertrainingen hebben een brede werking, uit onderzoek blijkt dat meer dan 80% van de kinderen er baat bij heeft. Uit een onderzoek naar de verandering die de kanjertraining in de klas teweegbrengt, blijkt dat de kinderen zich na afloop van de training meer op hun plek en veiliger voelen. De rust die is ontstaan, komt de concentratie ten goede, bovendien wordt de groepscohesie versterkt. Uit hetzelfde onderzoek, onder duizend kinderen, bleek dat bijna alle kinderen positieve ervaringen meldden, zoals meer sociale contacten.

Conclusie over pesten

Kinderen die gepest worden, schamen zich vaak. Uit het onderzoek van Olweus blijkt dat de helft het niet durft te vertellen: niet op school en niet thuis. Ouders moeten daarom alert zijn. Allerlei symptomen zoals teruggetrokken gedrag, humeurigheid, gebrek aan zelfrespect, kunnen duiden op pesten, evenals fysieke signalen, zoals blauwe plekken of kapotte kleren. Om pesten te verminderen, zijn maatregelen op school zijn het effectiefst. Kanjertrainingen en assertiviteitstrainingen maken het slachtoffer van pesten sterker en kunnen indirect ook invloed hebben op de pestkoppen.

Mag je een kind af en toe een corrigerende tik geven?

Kinderen halen je soms het bloed onder de nagels vandaan, gaan te ver, zijn onuitstaanbaar. Af en toe zou je ze… Sommige ouders geven hun kind ook daadwerkelijk een pak rammel om te laten zien wanneer de grens bereikt is, anderen slaan hun kind uit principe niet. Er gaan stemmen op om in de wet een algeheel verbod op het slaan van kinderen vast te leggen. Het kabinet debatteerde hier in maart van dit jaar nog over. De regering vond dat een pedagogische tik best mag. Maar is het nou schadelijk voor een kind of niet?

Slaan is niet schadelijk

Uit meedere onderzoeken is naar voren gekomen dat een tik niet slecht is voor de ontwikkeling van een kind. Kinderen die af en toe billenkoek krijgen, zijn zelfs gehoorzamer dan kinderen die nooit een tik krijgen, vechten minder en hebben over het algemeen een goede band met hun ouders. Jong-volwassenen die als kleuter af en toe een pak voor hun broek kregen, zijn even competent en aangepast en functioneren zelfs beter dan leeftijdgenoten die nooit op hun vingers werden getikt.

Of slaan een positief effect heeft, hangt ten dele af van het milieu waarin een kind opgroeit. Het blijkt dat vooral in culturen waarin lijfstraffen een geaccepteerd onderdeel van de opvoeding zijn – bijvoorbeeld in streng protestante of islamitische gezinnen – het kind een pak rammel vaak ziet als ‘verdiend’, en een teken van betrokkenheid.

De angstige terughoudendheid van ouders om hun zoon of dochter af en toe een corrigerende tik te geven, is dus niet gegrond.

Maar zo simpel ligt het ook weer niet

Uit sommige onderzoeken blijkt wel een negatief effect van slaan op de ontwikkeling van een kind. Zo zou het leiden tot minder zelfvertrouwen en meer vijandigheid en emotionele problemen. Bovendien reageren kinderen die geslagen zijn problemen eerder af op hun omgeving. Het blijkt hier echter vooral te gaan om kinderen die vaak – wekelijks of vaker – en hard geslagen worden.

En zelfs de onderzoekers die aantoonden dat slaan niet schadelijk is, noemen behoorlijk wat mitsen en maren. Zo zeggen zij dat het altijd belangrijk is om een kind te waarschuwen voor je het een tik geeft, dat slaan nooit de enige vorm van straf mag zijn, het altijd met uitleg gepaard moet gaan, ouders nooit impulsief en niet in het openbaar moeten slaan, en dat het belang van het kind altijd voorop moet staan.

Bovendien is slaan volgens de onderzoekers niet gewenst bij verlegen en angstige kinderen. Uit onderzoek blijkt dat het niet goed werkt bij kinderen onder de 2 en boven de 6 jaar. Oudere kinderen kun je beter uitleggen waarom hun gedrag onacceptabel is. Slaan zou een laatste middel moeten zijn om een kind tot de orde te roepen.

Een ander argument tegen slaan is dat het van kwaad tot erger zou kunnen gaan. Inderdaad blijkt dat mishandeling meestal een uit de hand gelopen ‘normale’ lichamelijke bestraffing is.

Conclusie over slaan

Af en toe een (niet al te harde) tik is niet schadelijk voor een kind tussen de 2 en 6 jaar, het lijkt zelfs beter te zijn dan een kind helemaal nooit op de vingers te tikken. Een kanttekening daarbij is dat het positieve effect niet per se een gevolg van het slaan is. Het blijkt dat ouders die nooit slaan, ook geen ‘alternatieve straffen’ geven en sowieso meer tolereren. Een kind voelt van dit soort ouders geen betrokkenheid en leert niet waar zijn grenzen liggen. Onverschilligheid is dus schadelijker dan af en toe een corrigerende tik. Maar duidelijk zijn en grenzen stellen, kan in veel gevallen ook zonder met de handjes te wapperen.

Moet je een kind laten huilen als het niet kan slapen?

Een kind dat niet kan slapen, is een nachtmerrie voor de ouders. De cijfers over het vóórkomen van slaapproblemen bij jonge kinderen, variëren tussen de 15 en 35%. Maar wanneer heeft een kind een slaapprobleem? Een kind dat zich normaal ontwikkelt, zou na drie tot zes maanden de hele nacht door moeten kunnen slapen. Zo’n kind wordt ook wel eens wakker, maar het blijft rustig en valt even later gewoon weer in slaap. Probleemslapers beginnen te huilen of aandacht te trekken als ze wakker zijn. Moet je zo’n probleemslaper nou gewoon laten huilen of niet?

Gewoon negeren

Onderzoekers omschrijven slaapproblemen bij kinderen vaak als ‘gedragsvalkuilen’. Het kind huilt als het wakker is en de ouders reageren hierop door het te komen troosten, waardoor ze het kind eigenlijk belonen voor zijn gedrag. Zo blijft het kind de aandacht van de ouders nodig hebben om te kunnen slapen. De manier om dit te doorbreken klinkt simpel: negeren. Rond de 90% van de slaapproblemen verdwijnt doordat ouders stoppen hun kind te belonen voor zijn gedrag. Een slaapprobleem dat al drie jaar bestaat, kan binnen drie weken zijn opgelost. Voor veel ouders is dat een openbaring. Ze hadden zich nooit gerealiseerd dat ze zelf een belangrijk onderdeel van het probleem waren.

Ouders houden het negeren echter vaak niet vol. De situatie verslechtert vaak in het begin, het kind raakt in de war, gaat nog meer huilen en de oververmoeide ouders raken hierdoor zo gestrest dat ze toch maar weer in het oude gedragspatroon vervallen. Bovendien hebben veel ouders last van schuldgevoelens en twijfelen ze of het niet slecht is voor hun kind. Toch blijkt uit onderzoek dat juist kinderen bij wie het slaapprobleem zo wordt aangepakt, minder spanning ervaren, zich veiliger voelen en zich meer hechten aan hun ouders dan kinderen bij wie het probleem niet hard werd aangepakt.

Maar, let op…

Als een kind niet kan inslapen of vaak middenin de nacht huilt, wil dat niet altijd zeggen dat het genegeerd moet worden. Soms ligt er een ander probleem ten grondslag aan het niet kunnen slapen. Het is belangrijk dat ouders en hulpverleners eerst kijken of er een lichamelijk probleem is, of het aan factoren in de omgeving ligt, zoals lawaai, of aan medicijngebruik, of dat het slaapprobleem een direct gevolg is van een recente nare ervaring. In die gevallen is negeren uiteraard niet de juiste oplossing, maar moet eerst het onderliggende probleem worden aangepakt.

Conclusie over huilen

Hoe moeilijk het voor sommige ouders ook is, de snelste en beste manier om het slaapprobleem van hun kind op te lossen, is het huilen te negeren – als het huilen tenminste niet ontstaat door duidelijk aanwijsbare oorzaken. Om het negeren vol te houden, is het wel belangrijk dat ouders weten dat het huilen of de woede van het kind in het begin erger wordt, en dat er ook, nadat het een tijdje goed is gegaan, vaak nog een ‘spontane terugval’ komt. Als ouders zich hier niet door laten ontmoedigen, is de kans zeer groot dat het probleem verdwijnt. Dat het laten huilen schadelijk zou zijn voor de tere kinderziel, is vanuit wetenschappelijk oogpunt nonsens.

Maakt het voor een kind iets uit of het door homo-ouders wordt opgevoed?

Steeds meer homoseksuelen besluiten om kinderen op te voeden. Er zijn mensen die voetstoots aannemen dat kinderen van homo-ouders slechter af zijn: ze denken dat deze kinderen worden gestigmatiseerd, dat ze slechte relaties hebben met hun leeftijdgenootjes en daardoor meer gedragsproblemen en emotionele problemen. Bovendien zouden ze een abnormale psychoseksuele ontwikkeling doormaken, omdat ofwel het mannelijke, ofwel het vrouwelijke rolmodel ontbreekt. Maar is dat ook echt zo? Maakt het voor een kind iets uit of het door homo-ouders wordt opgevoed?

Kinderen van homo-ouders zijn toleranter

In tegenstelling tot wat vaak geroepen wordt, hebben kinderen niet per se een moeder én een vader nodig als rolmodel. Ook opa’s en oma’s, tantes en ooms, leraren, vrienden en buren hebben die functie. Jongetjes voelen zich jongetjes en meisjes voelen zich meisjes, of ze nou één of twee homo-ouders hebben of niet. Onderzoek heeft aangetoond dat lesbische moeders zelfs meer dan gescheiden heteroseksuele moeders moeite doen om hun kind in contact te laten komen met mannelijke rolmodellen. Met de voorbeelden van verschillende sekserollen in het leven van zo’n kind zit het dus wel goed. Bovendien is het niet zo dat kinderen van homo-ouders vaker homoseksueel worden. Al het onderzoek dat hiernaar is gedaan, wijst uit dat de seksuele geaardheid van ouders geen invloed heeft op de seksuele geaardheid van hun kinderen. Wel zijn er aanwijzingen dat kinderen van homo-ouders toleranter zijn ten opzichte van mensen die ‘anders’ zijn. De kinderen van homo-ouders hebben geen andere persoonlijkheid, hebben dezelfde soort relaties met leeftijdgenootjes en familieleden, hebben een normale zelfwaardering, niet meer of minder gedragsproblemen en geen afwijkende schoolprestaties.

Al het onderzoek dat tot nu toe naar de homo-ouders zelf is gedaan, wijst bovendien uit dat homo’s net zulke goede ouders zijn als hetero’s. Over het algemeen voeden ze de kinderen op dezelfde manier op, zij het dat homovaders wat strenger zijn, meer nadruk leggen op geestelijke ontwikkeling en iets meer betrokken zijn bij de activiteiten van hun kinderen. Daarnaast blijken er verhoudingsgewijs net zoveel hetero’s als homo’s met stabiele relaties te zijn.

Kinderen van homo-ouders worden vaak gepest

Minder goed nieuws dat uit het onderzoek naar voren komt, is dat kinderen van homo-ouders vaker worden gepest. Uit een onderzoek bleek dat kinderen van gescheiden lesbische moeders vaker gepest werden dan kinderen van gescheiden heteroseksuele ouders. Ze raakten daar emotioneel echter niet door beschadigd. Kinderen van homo-ouders blijken in de meeste gevallen uitstekend in staat te zijn hun situatie uit te leggen aan leeftijdgenootjes en leraren. Een andere conclusie die erop duidt dat het wel iets uitmaakt, is dat kinderen van homo-ouders iets vaker experimenteren met homoseksualiteit.

Conclusie over homo-ouders

Voor de emotionele gezondheid van een kind maakt het niet uit of het wordt opgevoed door homo’s of hetero’s. Veel belangrijker is dat het opgroeit in een liefhebbende omgeving: de manier waarop de leden van het gezin met elkaar omgaan, blijkt veel meer invloed te hebben op de ontwikkeling dan de seksuele geaardheid van de ouder(s). Een kanttekening die bij dit alles moet worden geplaatst, is dat het onderzoek naar het homo-ouderschap nog in de kinderschoenen staat. Maar het feit dat de resultaten van diverse onderzoeken, totstandgekomen met verschillende methoden, alle in dezelfde richting wijzen, is veelzeggend.[/wpgpremiumcontent]