‘De hormonen, de operaties; het liefst zou ik het hele traject van haar overnemen’

Berit Hooghoudt (47), moeder van Noa (10), die geboren is als jongen.

Noa: ‘Op de kleuterschool zei de juf: “Jij moet naar de jongens-wc.” “Nee hoor,” zei ik. “Ik ben een meisje.” Maar ze hield vol dat ik echt een jongen was. Ik was boos. Toen heeft mama een mail gestuurd naar school. Dat vond ik fijn.’ ‘Noa was 3 jaar, toen we op vakantie gingen voetballen. Ik stelde voor: jongens tegen de meisjes. Noa ging bij haar zusje en mij staan. Ik zei: “Maar jij bent toch een jongetje?” Ze reageerde verdrietig en boos. Dacht écht dat ze een meisje was. In de jaren daarna eiste Noa steeds meer ruimte op om te zijn wie ze is: een stoer meisje met lang haar, dat brandweermannetje speelde in haar roze prinsessenjurk.

Dagboek van een transgender

Debby is 30, en geboren als man – die een jaar geleden besefte dat hij een diepgeworteld verlangen...

Lees verder

Ik vond het prachtig, zo’n bijzonder kind. Tegelijkertijd zag ik haar verdriet. Noa huilde veel en zei dingen als: “Mag ik terug in jouw buik en dan opnieuw geboren worden als meisje?” Ik las over de pijn van transgenders die zichzelf moeten ontkennen. Dat wilde ik niet voor mijn kind. Van mij mocht ze als meisje door het leven, maar in de buitenwereld ging dat knellen. Ons gezin lag voortdurend onder een vergrootglas, iedereen had een oordeel. Het genderteam adviseerde om Noa af te remmen: de wens om een meisje te zijn, kon weer verdwijnen, zeiden ze. Ook school had kritiek. “Is het nou zó moeilijk om Noa genderneutrale kleding aan te doen?” vroegen ze. Zo pijnlijk. Alsof wij dit zo graag wilden.

Door die reacties ging ik enorm twijfelen aan mezelf. Noa zag mijn wanhoop en zei: “Mama, dan doe ik op school wel alsof ik een jongetje ben, hoor.” Nee, dacht ik toen. Ik sta niet toe dat mijn kind zichzelf opgeeft. Zelf was ik ook een buitenbeentje. Ik ben hoogbegaafd en hoogsensitief, en de neiging om me aan te passen zit diep. Voor mezelf kon ik destijds niet opkomen, maar toen ik mijn pijn terugzag bij Noa, brak de tijger in mij los. Ik ben ons verhaal gaan delen met ouders van vriendjes en vriendinnetjes, zij namen het voor ons op en uiteindelijk was ook de school overtuigd. Noa mocht voortaan als meisje komen.

We zijn er nog lang niet: Noa heeft een lange, zware weg te gaan. De hormonen, de operaties – het liefst zou ik het hele traject van haar overnemen. Maar de meeste zorgen maak ik me over de impact van de genderdysforie op haar psychische gezondheid. Hoe zullen mensen op haar reageren? Krijgt ze te maken met verbale agressie, met uitsluiting? Ik hoop dat ze het allemaal aankan en altijd zal blijven voelen dat ze een prachtig mens is.’

‘Ik maak me zorgen over haar extra ingewikkelde leven, maar belast haar daar niet mee’

transgenderSander Ruijg (54), vader van Jonan (13), die geboren is als jongen
Jonan: ‘Wat ik ook doe, ik kan mijn vader alles vertellen. Hij zal nooit raar reageren. Dat geeft me een vertrouwd en veilig gevoel.’ ‘We hebben Jonan altijd de ruimte gegeven om te zijn wie ze is: een meisje. Op de basisschool was ze vrolijk en blij, maar in de brugklas werd ze erg depressief. Haar vriendinnen hadden slaapfeestjes, praatten over jongens. Voor hen hoorde Jonan er gewoon bij, maar zelf besefte ze toen voor het eerst dat ze nooit het leven van een gewoon meisje zal leiden. Zoiets als een vriendje krijgen, is voor haar bijvoorbeeld niet vanzelfsprekend, want iedereen weet dat Jonan transgender is. Ze kon het niet bolwerken, en wij konden haar leed niet wegnemen. Dat vond ik zo erg. Als ik ’s avonds laat nog even bij haar ging kijken, lag ze te slapen met doorgelopen mascara op haar wangen van het huilen. Verschrikkelijk. Dankzij psychologische begeleiding en puberteitsremmers die de fysieke ontwikkeling tot man stopzetten, gaat het nu beter. Maar het verdriet zit er nog steeds.

Op haar 4de zei Jonan: “Papa, mama, ik heb meisjeshersens.” Dat kan kloppen, dachten wij. Jonan is nooit een jongetje geweest; het is niet zo dat ze van de ene op de andere dag haar voetbalbroek inruilde voor een tutu. Misschien omdat ik al twee zoons had, heb ik er nooit moeite mee gehad. Ik vind het eigenlijk wel fijn om ook een dochter te hebben. Ze doet een heel ander beroep op me dan mijn zoons. Onze gesprekken gaan meer over gevoel, over omgang met anderen, over het gedoe dat meiden onderling met elkaar hebben. Daar kunnen wij samen prima over praten.

Training

Goed zoals je bent

  • Leer jezelf accepteren
  • Omarm je imperfecties
  • Met boek van Brené Brown
bekijk de training
Nu maar
€ 95,-

Door een maffe speling van de natuur is mijn dochter geboren als jongen. Dat verhelp je niet met een paar operaties. Al heeft ze straks een vrouwenlichaam, Jonan zal nooit helemáál vrouw zijn. Haar vriendinnen worden later moeder en oma. Jonan misschien ook, maar haar genen kan ze niet doorgeven. Voor haar zal het leven altijd extra ingewikkeld zijn, en de buitenwereld is vaak hard. Natuurlijk maak ik me daar zorgen over, maar ik belast haar niet met mijn eigen emoties. Als Jonan verdrietig is, ga ik lekker met haar op een terrasje zitten, mensen kijken, praten over niks. Daardoor ontspant ze. Wordt ze opener. Ze is een sterk, positief kind, dat met wijsheid naar de wereld kijkt en dat nu al weet dat teleurstelling bij het leven hoort.’

Had ik toch EERDER MOETEN ZEGGEN dat ik dacht dat hij een jongen was?

Dave: ‘Mama wist al dat ik een jongen ben voordat ik het zelf wist. Bij mijn coming-out hoefde ik geen strijd te leveren, niets uit te leggen. Ze accepteerde me meteen. Daar was ik zó verbaasd over.’

Danielle Engels (47), moeder van Dave (22), die geboren is als meisje.
‘Op de basisschool ging hij door voor een stoer meisje met stekeltjes, maar op de middelbare school koos hij toch maar voor meisjeskleren en lang haar. Je mag het niet zeggen van je eigen kind, maar het was geen gezicht. Dave was geen meisje-meisje, nooit geweest ook. Zijn klasgenoten zagen ook dat er iets niet klopte. Ze scholden hem uit voor lesbo en pot.

Toen Dave ongesteld werd en borsten kreeg, vond hij dat vreselijk. Hij werd depressief. Ik vermoedde wel wat er aan de hand was, maar praatte er niet met hem over. Zo’n conclusie moet uit het kind zelf komen, vind ik. Ook omdat de gevolgen zo ingrijpend zijn en Dave zo kwetsbaar was. Een transitietraject is heel zwaar; ik was bang dat hij het op dat moment niet zou aankunnen.

Vier jaar geleden werd hij met hevige buikpijn opgenomen in het ziekenhuis. Er zat hem iets dwars waar hij letterlijk ziek van werd. Om hem te helpen, bracht ik het gesprek geregeld op homo’s en transgenders. Zo liet ik hem merken dat wat mij betreft alles oké was. En hij begon steeds vaker opmerkingen te maken als: “Mannen kunnen staande plassen. Handig zeg!” En: “Voor mannen is het leven een stuk makkelijker.” Op een dag zei ik: “Oké, wat wil je me nu éígenlijk vertellen?” Huilen, huilen, huilen. “Wat moet ik met die tieten,” riep hij. “Ik ben toch geen vrouw?” Eindelijk waren daar de woorden waar ik al jaren op wachtte – we konden in actie komen. Na zijn coming- out verdwenen Daves lichamelijke klachten. Zo groot was zijn opluchting dat ik even getwijfeld heb: had ik toch eerder moeten zeggen dat ik dacht dat hij een jongen was? Maar Dave bevestigde gelukkig dat hij dat destijds niet aangekund zou hebben.

Hij kwam op de wachtlijst voor een geslachtsveranderende operatie. We zijn nu drie jaar verder. Dave is begonnen met de hormonen en onlangs werden zijn borsten en baarmoeder verwijderd. Dat vond ik spannend, maar is niets vergeleken bij de operatie die hem nog te wachten staat: een grote ingreep met kans op complicaties. Doodeng vind ik, en Dave weet dat. Onze band is heel hecht, we praten tegenwoordig over alles. Ook over zijn toekomst. Ik hoop van harte dat hij een leuke vriendin vindt. Laatst zei ik nog tegen hem: “De vrouw die jou krijgt, is een geluksvogel. Je bent een mooie man die écht snapt hoe het is om ongesteld te zijn.”

De genderlast begrijpen

‘Is het een jongetje of een meisje?’, is een van de eerste vragen die ouders in spe kunnen verwachten. Het antwoord op die vraag kan onwillekeurig toekomstbeelden oproepen, primair bij de ouders zelf. Beelden die worden gevoed door stereotypen van ‘jongetje’, ‘meisje’, ‘man’ en ‘vrouw’. Van zaterdagmiddagen langs het voetbalveld en een volwassen zoon die helpt klussen, bijvoorbeeld, of van verkleedpartijen, turnles en een dochter die moeder wordt. Het zijn toekomstbeelden waar ouders zich onbewust aan hechten. En die worden doorbroken als hun kind zich niet prettig blijkt te voelen bij zijn of haar geboortegeslacht.

Hoe abrupt die toekomstdromen worden doorgeprikt, bepaalt in grote mate waar ouders van kinderen met genderdysforie tegenaan lopen, zegt arts en therapeut Kim Horsnell. Zij coacht kinderen – en hun naasten – met vragen rondom hun genderidentiteit. ‘Sommige kinderen tonen en vertellen vanaf hun prille jeugd dat ze eigenlijk een jongetje dan wel meisje zijn. Ouders van deze kinderen stellen hun impliciete verwachtingen van meet af aan bij. Bij andere komt de mededeling als een verrassing, wanneer hun kind een jaar of 13 is en wordt geconfronteerd met ongewenste borst- of baardgroei. Die boodschap op de puberleeftijd betekent een abrupt afscheid van het impliciete toekomstbeeld en kan een proces van ambigue rouw in gang zetten.’ Rouw, omdat ouders afscheid nemen van een gekoesterd toekomstbeeld en van hun eigen identiteit als vader of moeder van een zoon of dochter. En ambigu, omdat het kind ondertussen springlevend is. En in die ambiguïteit zit het venijn. Horsnell: ‘Ouders voelen zich schuldig over hun eigen verdriet en krijgen van hun omgeving de goedbedoelde opmerking; ‘Ach, als je kind maar gelukkig is.’ Natuurlijk is het belangrijk dat je kind gelukkig is, maar voor ouders is het ook belangrijk dat hun verdriet er mag zijn.’

Niet alle ouders ondersteunen de genderdysforie van hun kind. Soms spelen culturele of religieuze normen daarbij een rol, in andere gevallen haken ouders af omdat ze de frustratie van hun kind met zijn of haar geboortegeslacht niet zien. ‘Genderdysforie is niet meetbaar in het lichaam, maar stel je vast door goed te luisteren,’ zegt psychotherapeut Joep Roeffen, die kinderen en ouders begeleidt bij het Genderteam Zuid-Nederland. ‘Soms hebben ouders tijd nodig om de genderlast van hun kind te begrijpen. En heel soms willen ze niet verder meewerken aan een medische of sociale transitie, uit vrees dat het kind er spijt van zal krijgen.’ En dan zijn er nog ouders die hun kind überhaupt niet toestaan hulp te zoeken. Hun kinderen zitten vast in lichaam en gezin en blijven onder de radar, tot ze 16 zijn en zelfstandig hulp mogen zoeken.

Ouders die hun kind wel steunen, zijn vaak blij wanneer het eindelijk mag worden wie hij of zij is. Heeft het kind van meet af aan laten blijken zich niet te herkennen in zijn geboortegeslacht, dan worden de ouders daardoor niet overvallen, maar zitten ze vooral met vragen over zijn welzijn. Hoe kunnen ze daaraan bijdragen? Mag het kind een tutu aan naar school, ook als het daarmee ten prooi valt aan pesterijen? Is het verstandig om zo snel mogelijk met een hormoonbehandeling te beginnen? Vragen waar geen hapklare antwoorden voor zijn, omdat ze per kind en situatie verschillen. Bovendien spelen voor bijna alle ouders van genderdysfore kinderen zorgen over de toekomst, zoals: zal mijn kind ooit geaccepteerd worden, een partner of baan vinden? ‘Een terechte zorg,’ aldus Horsnell. ‘Transgenders hebben te maken met discriminatie en maatschappelijke afkeuring. Ik help ouders om daar niet op vooruit te lopen en zich bewust te worden van wat ze nú kunnen doen. Dat is veel, want de belangrijkste voorspeller voor een prettige levensloop van kinderen met genderdysforie is een liefdevol en steunend thuisfront.’