Dan wil ik me overgeven aan eindeloos niksen en lanterfanten. Ik wil scharrelen en dagdromen. Soezen en dralen. Eigenlijk wil ik de zomers terug uit mijn jeugd, waar ik voor mijn gevoel alle dagen doorbracht met bloemen plukken in de wei, rondfietsen zonder doel en eindeloos stripboeken lezen in de tuin.

Inmiddels is mijn leven helaas niet meer ingericht op ‘alles aan de kant-dagen’. Er zijn deadlines, afspraken en to-do-lijsten.

En dat betekent dat ik op een zomerse dag zodra de zon verschijnt een beetje hysterisch mails wegwerk, stukjes typ en meetings afraffel in de hoop op een niets-moeten-moment later die dag. Wat meestal niet zo uitpakt, omdat dan de zon inmiddels weg is of ik moe ben van de drukte daarvoor (of chagrijnig omdat het me niet eerder is gelukt naar buiten te gaan).

Ook deze zomer zullen er vast weer te weinig scharrelmomenten zijn, momenten dat er niets hoeft. Maar ik heb me voorgenomen daar niet van te balen. Want soms is het genoeg om te weten dat ze zomaar kunnen komen langsdrijven.

Zo’n ochtend dat ik wakker word, denk: weg met die productivity guilt, en op de fiets stap om te gaan zwemmen in een duinmeertje. Zo’n moment dat ik tussen meetings door de tuin inloop en zie wat voor mooie kleur die ene bloem heeft.

Of dat ik ruik dat de seringen bloeien als van de ene afspraak naar de andere fiets. Weten dat ze spontaan kunnen oppoppen, die momenten dat ik alles wat moet even vergeet en kan genieten van het hier en nu, dat maakt de zomer magisch. Op drukke én op rustige dagen.