Het verschil tussen in-group en out-group zit er diep in bij onze soort. Het gaat ver terug en is bij allerlei dieren te vinden. Mieren, bijvoorbeeld, gaan grote oorlogen aan waarbij duizenden doden vallen. Het ene mierenleger hakt op het andere in omdat het vreemd ‘ruikt’, want bij mieren loopt de groepsherkenning via feromonen. Bij chimpansees breiden volwassen mannen hun territorium soms uit door de leden van naburige groepen te doden. Andere apen kennen ook zulke conflicten en maken evengoed verschil tussen wij en zij.

Jaap Rabbie, een Nederlandse sociaal-psycholoog, onderzocht dit onderscheid bij de mens. Vooral als er symbolen aan te pas komen, wordt het ongelofelijk snel gevormd. Rabbie gaf elkaar onbekende proefpersonen verschillend gekleurde pennen en blocnotes, waarna hij hen eenvoudig tot ‘blauwen’ en ‘groenen’ bestempelde. Alhoewel beide groepen volkomen toevallig waren samengesteld, vond elke groep de eigen leden veruit de beste voordrachten geven.

Ik dacht hieraan toen ik dit najaar te gast was in het televisieprogramma Pauw & Witteman. Ex-minister Henk Kamp sprak herhaaldelijk over ‘die Marokkanen’, terwijl hij het had over leden van de Nederlandse samenleving. Ik kon mijn oren niet geloven – zulke taal van iemand in zijn positie! Toen ik er wat van zei, deed de ex-minister eerst alsof z’n neus bloedde. De interviewers floten hem terug, maar hij had nauwelijks een antwoord.

Dit soort denken is zó ingeburgerd in de Nederlandse samenleving dat men het nauwelijks meer beseft. De krantenkoppen spreken rustig van ‘Turken’ en ‘Marokkanen’ als het gaat om derde generatie Nederlanders die Nederlands spreken. Maar taal is niet slechts cosmetica. Zoals alle symbolen beïnvloedt het hoe we tegen elkaar aankijken. Termen als ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ klinken in mijn oren respectievelijk als ‘zij die erbij horen’ en ‘zij die er niet bijhoren’. Ik zeg niet dat in Amerika alles zo fijn verloopt, maar Amerikanen zijn in eerste instantie Amerikaan en pas in tweede instantie iets anders. Ze zijn vaak heel trots op hun achtergrond als Irish American of Italian American, en de Afro-Americans hebben een sterke gemeenschapszin die ze ontlenen aan hun eigen cultuur, die ik hier in Atlanta elke dag meemaak. Maar niemand verbonden aan de regering zou het wagen om publiekelijk te spreken van ‘die Ieren’ of ‘die Afrikanen’, alsof het om een stel vreemdelingen gaat.

Integratie is vooral zo’n moeizaam proces omdat wij mensen het niet van harte doen. We zijn tenslotte groepsdieren en zouden het liefst in ons eigen kleine kringetje blijven ronddraaien. Maar als gevolg van beslissingen uit het verleden, kunnen we niet meer terug. Politieke leiders en media dienen dus zo te leren praten dat geen enkele bevolkingsgroep zich buitengesloten voelt. Dat sommige groepen zélf tegen integratie lijken te zijn, is geen excuus: men haalt zulke groepen natuurlijk nooit tot aanpassing over door ze taalkundig in de hoek te zetten. De politieke wil dient van de top komen.

Om te beginnen moet de hele natie gelijk gekleurd schrijfgerei krijgen.[/wpgpremiumcontent]