‘Ik weet nog dat ik op de bank zat, ik was zeven jaar, en ineens kwamen er allemaal familieleden binnen. De spanning in de ruimte was om te snijden. Muisstil bleef ik zitten. Als ik me niet zou bewegen, zou alles hetzelfde blijven. “Weet ze het al?” vroeg mijn oma. “Ik denk het wel,” zei mijn moeder.

Zorgen voor het kind in jezelf

Woedend zijn als een vriend afbelt of in elkaar krimpen van kritiek op het werk. Als je reactie niet...

Lees verder

Dat mijn vader dood was, is nooit tegen me gezegd. Toen ik ernaar vroeg, kreeg ik te horen dat hij een hersenbloeding had gehad. Praten over mijn gevoelens? De dag erna werd ik naar school gestuurd alsof er niets aan de hand was.

Er is niet meer over gesproken. Alsof mijn vader er nooit was geweest. Troost of een knuffel kreeg ik niet, want “we moeten door”.’

Gepest

‘Ik was altijd een vrolijk, extravert kind geweest. Na de dood van mijn vader werd ik onzeker. En dat voelden andere kinderen haarfijn aan; ze gingen me pesten. Jarenlang vrijwel dagelijks, tot en met het eindexamenjaar van de middelbare school.

Ik herinner me dat de kinderen op de lagere school een lijst hadden gemaakt. Die ging rond op het schoolplein, maar ik mocht hem niet zien. Er waren blikken en er werd gefluisterd. Uiteindelijk duwde iemand het papier onder mijn neus. Daarop stond: “Met wie zou je nooit willen spelen, zelfs al was het de laatste persoon op aarde?” Iedereen had mijn naam ingevuld. Zelfs het buurmeisje dat de dag ervoor nog bij me thuis had gespeeld.

Ik voelde me zó verraden en voor schut gezet. En zo gebeurde er elke keer wel iets, van klein tot groot. Kinderen kwamen niet op mijn verjaardagsfeestje, of ze nodigden me wel voor hun feestje uit, maar zeiden op het laatste moment dat ik niet welkom was.’

Overleven

‘De pestkoppen waren overal. Ze scholden me uit, achtervolgden me, gilden naar me. Ze pestten me met mijn haar, mijn hoofd, mijn kleren, mijn tanden: eigenlijk was alles verkeerd aan me. Ik was steeds alert op wat er om me heen gebeurde, had altijd mijn voelsprieten uit.

Ik was van mezelf gevoelig voor sfeer en stemmingen, maar had thuis ook al jong geleerd om af te stemmen op de ander. Mijn vader had de ziekte van Ménière. Als hij duizelig was en aanvallen had, kon hij alleen nog maar in bed of op de grond liggen en moest het stil zijn in huis.

Omdat ik vrij druk was, werd ik naar oma ‘Daf’ gestuurd, de moeder van mijn vader. Daar kon ik mezelf zijn. Oma was net als ik heel vrolijk en leergierig, en net zo eigenwijs. Maar dat noemde ze haar ‘eigen-wijsheid’. Dat vond ik mooi. En ik herkende mezelf er ook in.

Aan de buitenkant zagen mensen nog steeds dat vrolijke, eigenwijze en drukke meisje, maar ik miste mijn vader en was verdrietig over het pesten. Door extra hard te leren, te lezen en aan leuke dingen te denken, probeerde ik mezelf op te peppen.

Wat moest ik anders? Mijn moeder en stiefvader hadden allebei een heftige jeugd gehad en leerden nooit om te praten over gevoelens, over verdriet. Op hun beurt wisten ze niet hoe ze mij daarmee moesten helpen.

Even doorzetten

De sfeer thuis was gezellig en vrolijk, maar van praten over gevoelens was geen sprake. Als ik vertelde over het pesten, zei mijn moeder: “Daar moet je je gewoon niets van aantrekken’. Ongetwijfeld goed bedoeld, maar voor mij voelde het als: stel je niet aan.

Op een dag zei iemand in de gang op de middelbare school: “Als ik jou als kind had gekregen, had ik meteen zelfmoord gepleegd.” Er brak iets in me en voor het eerst in al die jaren durfde ik tegen een pestkop in te gaan: ik heb die jongen een mep gegeven. Waar die plotselinge woede vandaan kwam, begreep ik zelf niet.

Door het op school goed te doen, een doorzetter te zijn, focuste ik op de toekomst. Na de middelbare school zou alles beter worden. Daar hield ik me aan vast. En uiteindelijk is dat ook zo gegaan, want toen ik eenmaal mijn diploma had, ben ik nooit meer gepest. Vanaf toen werd mijn leven veel leuker. Lichter.’

Nachtmerries

‘Maar ’s nachts vond mijn verdriet een weg naar buiten. Ik had een terugkerende nachtmerrie waarin ik voelde dat er gevaar dreigde, maar niemand me geloofde. Uiteindelijk kwamen er huizenhoge golven die me verzwolgen. Ik werd wakker met een enorme angst en het gevoel niet serieus genomen te worden.

Training

Mindfulness training

  • Leer omgaan met stress
  • Krijg meer aandacht voor het nu
  • Met notitieboek en Gids voor een Langzaam Leven
Bekijk de training
Nu maar
€ 99,-

Het was in mijn studententijd dat ik mijn moeder eindelijk de vraag durfde te stellen: ‘Hoe is papa doodgegaan?’ Pas toen kreeg ik de waarheid te horen. Mijn vader heeft toen ik zeven was eerst een zelfmoordpoging gedaan, en ik heb hem gevonden. Het is heel raar, maar ineens kreeg ik een aantal herinneringen terug uit die tijd.

Dat ik in de slaapkamer van mijn ouders stond, en mijn vader ziek in bed lag. Dat ik niet snapte wat er aan de hand was. Hij bleek tientallen pillen geslikt te hebben, maar doordat hij moest braken, is hij die eerste keer in leven gebleven.

Mijn vader is toen vrijwillig opgenomen in een psychiatrische instelling en heeft een paar dagen later alsnog een einde aan zijn leven gemaakt. Hierover is dus al die jaren tegen mij en mijn oudere zus gelogen.

Maar ik ben nooit boos op mijn moeder geweest, ze heeft gedaan wat ze kon. Ze had twee kleine kinderen voor wie ze verder moest en kreeg van de huisarts het advies niets tegen ons te zeggen. We waren “nog te jong”. Ook oma Daf heeft op mijn moeder ingepraat om het geheim te houden. Onder het mom van “wat zullen de mensen wel niet denken?”

Mijn moeder heeft de zelfmoord van mijn vader met de beste bedoelingen van de wereld verzwegen. Ze wilde ons juist geen pijn doen. De intentie was goed, de uitwerking op mij slecht. Want ik heb daardoor niet kunnen rouwen, en ik ben niet getroost.

Doordat er geen ruimte was voor mijn verdriet, voelde ik me niet serieus genomen. Misschien nam ik daarom ook zelf mijn gevoel niet serieus. Stel je niet aan, zei ik tegen mezelf. Ik nam de overlevingsstrategie van mijn moeder over.’

Veiligheid

‘Ik schopte het daarmee ver. Heel lang lukte het me om me richten op leren en de vrolijke, zonnige dingen zonder te hoeven praten over mijn gevoelens. Mensen zagen iets in me, gaven me kansen en ik pakte ze.

Zo ben ik speechschrijver geworden voor diverse ministers, staatssecretarissen en CEO’s. Ik had het enorm naar mijn zin, met leuke collega’s. En een fijne relatie.

Op een gegeven moment besloten mijn vriend en ik vanuit ons huis op de fiets naar Santiago de Compostela te gaan, een droom van me. Onderweg voelde ik me vrij en gelukkig. Ik mijmerde over de toekomst. Ik had een idee voor een roman die ik wilde gaan schrijven en hoopte mijn eigen bedrijf te beginnen.

Maar eenmaal weer thuis ging ik toch gewoon door in mijn veilige, vaste baan. Hoewel ik in mijn werk best lef heb en andermans verhalen opschrijven me goed afgaat, vond ik vanuit mezelf een boek schrijven te spannend. Ik was denk ik onbewust bang dat er iets zou bovenkomen dat ik had genegeerd.

Op een nacht droomde ik dat ik een boek in handen had. Ik zag de titel: De achtbaantester. Toen ik het omdraaide om te kijken wie het geschreven had, bleek ik dat zelf te zijn.’

Door elkaar geschud

‘En toen schudde mijn leven opeens op zijn grondvesten. Alles kwam tegelijk. Door een reorganisatie op mijn werk raakte ik mijn baan kwijt, het ging niet goed met mijn stiefvader en het huis dat mijn vriend en ik hadden gekocht bleek in slechte staat te zijn.

Mijn werk, mijn huis… de belangrijkste zekerheden die ik dacht te hebben, bleken schijn. Ineens was ik alleen maar Nancy, in plaats van “de speechschrijver van”.

De laatste klap kwam letterlijk, in de vorm van een auto-ongeluk. De hele voorkant van mijn auto, tot vlak voor mijn voeten, was eraf. Ik herinner me dat ik ingesnoerd op een brancard de Eerste Hulp werd binnengereden.

Ik mocht me niet bewegen en zat van mijn voeten tot mijn nek vastgegespt. Iemand sprak troostende woorden en legde een deken over me heen. Ik werd opeens helemaal warm vanbinnen. Voor het eerst in jaren voelde ik totale ontspanning. Ik kon niets anders dan me overgeven aan wat er komen zou.

Er moet een engeltje op mijn schouder hebben gezeten, want behalve extreme stijfheid en wat kneuzingen had ik niks fysieks aan het ongeluk overgehouden. Maar het gevoel geen beschermlaag meer te hebben, bleef lang hangen.’

Klappertanden

‘Ons huis was eindelijk klaar. Toen ik daar zat en nergens heen hoefde, begon er iets in me te borrelen. Op een avond zei ik tegen mijn vriend: ik ga dat boek schrijven. Toen ik die woorden eenmaal had uitgesproken, was ik zó blij.

Maandenlang schreef ik. Het kwam er als vanzelf uit: een speels, hoopvol verhaal met humor, over serieuze thema’s als rouwverwerking, dingen onder het tapijt schuiven, loslaten. Het leven echt durven leven. Klinkt het herkenbaar?

Toch had ik zelf nog niets door. Zelf dacht ik dat ik fictie schreef, maar mijn lijf wist wel beter. Ik transpireerde, zat te klappertanden, werd misselijk en duizelig. Misschien had mijn lichaam wel eerder in de gaten wat er speelde dan mijn hoofd.

Later las een vriendin het manuscript. Zij wees me op de parallellen met mijn eigen leven. En toen zag ik het zelf ook haarscherp: ik had geschreven over écht door de pijn van een verlies heen gaan.

Die pijn erkennen. Durven praten over je gevoelens. Het schrijfproces was rauw en heftig. Maar het was nodig, ik ontkwam er niet meer aan. Toen het boek klaar was, voelde ik me zo licht als een veertje. Dat gevoel is gebleven.’

Praten over gevoelens

‘Mijn vader mag er weer zijn. Ik praat over hem en over wat er gebeurd is, eindelijk voel ik de vrijheid om te praten over mijn gevoelens. Ook met mijn moeder en zus.

Ik voelde altijd vrij weinig voor hem doordat er zo veel taboe en pijn rondom zijn overlijden hing. Nu, voor het eerst in al die jaren, voel ik liefde voor hem.

En de vrolijke herinneringen aan hem zijn terug: ik zie ons weer samen schaken, wandelen door de duinen, lachen om taalgrapjes en om Van Kooten en De Bie.

In mijn leven is het soms nog steeds een achtbaan. Maar ik begrijp nu: hoe eng of ingewikkeld het soms ook is, je kunt niet anders dan je eraan overgeven. Inclusief alle emoties die erbij horen, en de dingen die je liever wegduwt. Want dat is de enige manier om het leven écht te leven.’

Nancy Olthoffs boek De achtbaantester verscheen in 2020 bij uitgeverij Orlando.
Bronnen: L.J.M.E. Peters, Opgebrand door emoties (…), Faculty of Social and Behavioural Sciences Theses, 2017 / M. Berking, De oorzaken van een disfunctionele omgang met gevoelens, in: Emotieregulatie, Bohn Stafleu van Loghum, 2017

Beter leren voelen

Emoties negeren kan leiden tot emotionele stress, die weer allerlei mentale en fysieke kwalen tot gevolg kan hebben, zoals verslaving, extreem perfectionisme, hartaandoeningen, slapeloosheid.

Dat negeren is een beschermingsmechanisme dat we vaak al in onze jeugd ontwikkeld hebben, zegt organisatiepsycholoog Marjon Bohré.

‘Als je bij pijn of een moeilijke situatie van volwassenen om je heen altijd het signaal kreeg dat huilen niet helpt en dat je flink moet zijn, dan kan het gevolg zijn dat je, eenmaal zelf volwassen, verdriet of angst ook wegstopt.’

We merken vaak pas dat we emoties verdringen als we tegen de spreekwoordelijke muur aan lopen, bijvoorbeeld doordat we een burn-out krijgen, zegt Bohré.

Het is dan van belang om te leren op een andere manier met negatieve emoties om te gaan. Bohré: ‘Daarmee kun je de emotionele stress verminderen en het heeft daarnaast als effect dat je weer positieve gevoelens kunt ervaren.’

Om emoties beter te leren voelen, is het niet altijd nodig om oude emoties alsnog te beleven. Maar je moet wel vaak diep graven in de huidige.

Bohré: ‘Dat begint vaak met een vaag, ongedefinieerd gevoel. Wanneer je je richt op deze vage sensatie en die aandacht geeft, wordt steeds duidelijker waar die vandaan komt. Het benoemen van het gevoel kan helpen.

In mijn praktijk laat ik cliënten die moeite hebben om emoties te voelen vaak benoemen wat ze in hun lichaam voelen als ze een negatieve emotie ervaren. Daarmee versterk je het gevoel.

Vervolgens kunnen ze de emotie leren accepteren: wat je voelt, is niet fout, het is gewoon zo. Als ze een emotie ten volle kunnen toelaten, volgt er vaak bevrijding en opluchting.’