Die dag wist ik het zeker: ze haten me. Ze willen me misschien zelfs wel dood. Het bloed, het lachen, het reikhalzend kijken naar mijn reactie – de boodschap was toch duidelijk? Ze haten me.

TEST
Doe de test »

Ben je gegroeid na tegenslag?

Het was 1982, het was de tweede klas, we hadden biologieles van meneer Stegeman. Hij wilde ons bloed laten onderzoeken onder de microscoop. We griezelden en giechelden: een grote pot met varkensbloed stond voor hem op tafel. Met een glazen rietje zoog hij steeds wat druppels omhoog, die hij voorzichtig op een glasplaatje liet neerkomen. Voor iedere leerling een glaasje met bloed. En toen zoog meneer Stegeman plotseling wat te hard. Bloed liep in zijn mond; bloed trok uit mijn hoofd. Ik werd duizelig, wit, wilde weg. Het mocht. Ging ik toen naar dat ene toilet? Dat meisjestoilet waar het allemaal op de muur stond gekalkt?

De bel ging, ik keerde terug naar het biologielokaal om mijn tas in te pakken en naar de wiskundeles te lopen. Het gespannen gegiechel, het reikhalzen om me heen zag ik toen nog niet. Ik pakte mijn spullen, mijn wiskundeschrift, mijn agenda. Die droop. Van het bloed. Ze hadden mijn agenda in bloed gedoopt. In hun haat – dacht ik.

Ja, ik werd gepest, een paar jaar lang, op de middelbare school. En ja, ik vind het een melodramatische titel, die van het pas verschenen boek Platgetrapt. Het trauma als gevolg van pesten. Maar het klopt wel. Het klopt dat iemands zwakke kanten feilloos worden gezien, en door de pesters worden aangepakt. Platgetrapt, zo je wilt.

Wanneer ik later, veel later, probeer te bedenken wat het ergste was, dan was dat waarschijnlijk de schaamte. De ‘afgang’, in scholierentaal. Je wordt gepest, je hoort er dus echt, echt níét bij. Daar stond het, op de wc-muur, zichtbaar voor alle meisjes van de school. Hoe stom en lelijk ik was. Een stomme, domme trut. Met mijn naam voluit, en nog eens, en nog eens.

Die schaamte nam ik ook mee naar huis. Ik geloof niet dat ik er veel over vertelde aan mijn ouders, ik durfde het niet. Ik kon de goede woorden ook niet vinden. De goede houding niet.

Hoe geef je je een houding als meisje van dertien met een echt meisjeslichaam en echte meisjeshobby’s, tegenover de mooie, stoere, populaire meisjes van Het Gooi? Ik speelde bijkans nog met de poppen, zij speelden met de jongens. Suède cowboylaarzen met een schuine hak droegen ze; ik stevige stappers met steunzolen. Lang blond haar hadden ze, precies de goede kleren en: borsten. Daar moest ik nog tot mijn zestiende op wachten.

Ze stonden om me heen in een kring en rijmden op mijn naam: ‘Laat je tieten nog eens zien!’ Ze gnuifden om die schoenen, om mijn kinderlijke kleren. En toen ik dan eindelijk, eindelijk in het weekend een keer voorzichtig had gezoend, en nog in de wolken op maandag het schoolplein op liep, stonden ze al klaar: ‘Vuile rothoer!’

Ze waren met z’n tweeën, twee mooie, vroeg volwassen meisjes, en ja, de auteurs van het boek Platgetrapt hebben ook hierin gelijk: ‘De echte aanstichters van het pesten zijn vaak kinderen die zelf problemen hebben. Die reageren ze af op anderen.’ Maar dat bleek pas veel later.

Ze kregen de hele klas mee. En, wat nog erger was, ze kregen ook de twee vriendinnetjes mee die ik nog had overgehouden van de lagere school. Daar deden ze heel geraffineerd hun best voor. Mijn vriendinnen werden ingepalmd, mochten ‘erbij’ horen. En dat wil natuurlijk iedereen van dertien, veertien, vijftien, zestien. Was het toen voorbij? Ja, zo’n beetje wel, geloof ik.

Ooit blijken ze te hebben vergaderd, met de hele klas. Bij de kapstokken, tussen de jassen, hebben ze gepraat over mij. Dat het toch eigenlijk niet langer kon zo, dat het te ver ging. Maar ze deden niets, ze durfden niets. En ik, ik hoorde dit pas toen ik allang studeerde.

Pesten tegengaan met effectieve Finse methode

Verontruste ouders, machteloze leerkrachten… Ook dit schooljaar zullen er in klaslokalen overal in...

Lees verder

Wat dééd ik nou eigenlijk, al die jaren? Wat voelde ik? Huilde ik, praatte ik er wel eens over? Waarom weet ik dat nauwelijks? Mijn latere therapeute vond het helemaal niet gek dat ik me dit zo slecht kan herinneren. Je kunt het je gewoon niet permitteren om er van alles bij te voelen. Je moet toch naar school. Dat zinnetje, ik hoor het mezelf weer vol overtuiging zeggen tegen haar: je moet toch naar school. En omdat dat moet, en omdat de afgang van het van school af gaan misschien nóg wel onverdraaglijker is, ontwikkel je een overlevingsstrategie.

Ik zeg tegen de therapeute: ‘Nou ja, zo erg was dat pesten misschien ook niet, ik herinner me immers niet zo veel.’ Ze kijkt me aan en zegt: ‘Het is heel erg. Want je gaat het geloven. Je gaat geloven dat je waardeloos, lelijk, stom bent. Als kind heb je nog niet de vaardigheden om in te zien, laat staan om te zeggen: jullie zien het verkeerd. Nee, je gelooft: ik ben niet om van te houden.’

Ze heeft gelijk, weet ik nu.

O, wat koos ik een onhandige strategie. Wat een doorzichtige, domme strategie. Die diende zich aan toen ik me op een dag toevallig zo sterk voelde dat ik een weerwoord had, dat ik lachte om de zoveelste rotopmerking, en dat ik hun verbazing, hun ergernis daarover zag. Toen dacht ik, of ik denk nu dat ik dat dacht: ik moet stoer zijn.

Ik had die dag eindelijk eens een hippe trui aan, die heel groot was (om het meisjesfiguur te camoufleren) en waarop stond: Big Shirt. Vanaf toen werd het: big shirt, big mouth. Ik ging eroverheen schreeuwen. Ik ging zelf een gave Gooise meid worden! Ze zagen het voornemen en waren meedogenloos. De kleren werden bespot, de scheldwoorden werden harder, harder dan rothoer, en het pesten breidde zich uit naar het café waar ik net voorzichtig begon uit te gaan. Daar stond ze op tafel, de mooiste van de twee, en droeg een gedicht voor over mij. Iedereen in het café lachte.

Er waren voor mij niet veel hippere, populairdere voorbeelden dan zij, mijn kwelgeesten. Dus kopieerde ik uitgerekend hun schoenen, hun kleren. Een groot mannenoverhemd met een loshangende sjaal. Puntschoenen met veters. Ze hadden het feilloos door – en bescheurden zich.

Maar het werkte wel, uiteindelijk. Een aardig meisje, nota bene van een klas hoger, zei opeens: ‘Wat zie je er leuk uit.’ Dat zei ze echt! En we spraken nog eens met elkaar, en we spraken wat af. En zij had nog een paar vriendinnen, en we werden een clubje. Een clubje van vijf. Ik was zestien, ik kreeg mijn eigen vriendinnen. Ik ging naar de vijfde klas en het ging beter.

Het is, zie ik nu zonder enig gevoel van leedvermaak, mij beter vergaan dan hen, die twee die al mijn schoolherinneringen kleuren. Er was een hoop te doen, nog vele jaren later, een hoop te leren voor mij. Bijvoorbeeld dat je bestaansrecht hebt gekregen bij je geboorte, en dat je dat niet hoeft te verwerven. Verlegenheid hoeft niet te worden overschreeuwd. Je leert dat je die strategieën veilig kunt loslaten, dat je ze vriendelijk kunt bedanken voor de bewezen diensten. Je leert dat je niet voortdurend bevestiging hoeft te zoeken. En dat je oude pijn kunt voelen zonder dat er iets vreselijks gebeurt. Dat het kan helen.

Je leert ook dat er wél woorden voor zijn, maar dat die zo slecht passen, zo verwrongen klinken als je er nog middenin zit. Je begrijpt nu waarom het thuis niet gezegd kon worden: ‘Ik word gepest.’ Ze zullen me niet geloven, niet begrijpen, voel je weer als je het hardop probeert te zeggen. Want dat lauwe, laffe zinnetje drukt het helemaal niet goed uit: de vernederingen, de schaamte, de eenzaamheid, de angst. Ook de angst dat je hén, je ouders, er pijn mee zou doen dat jij, hun dochter, zo weinig geliefd was. En de angst dat ze zouden denken dat dat misschien wel terecht was.

Ik ben ze allebei nog eens tegengekomen. De ene, die met de koude ogen, zat opeens daar in een hoek van het studentencafé. Ik kreeg de schrik van mijn leven. Ze staarde me even aan, keek toen weg. Tot ze opeens naast mijn tafeltje stond. Ze zei: ‘Ik wil je graag een drankje aanbieden, want ik heb jou vroeger op school zo gepest.’ En wat deed ik? Ik greep weer naar die oude strategie en zei stoer: ‘Dacht je soms dat ik daar nu nog mee zit?’ Ze antwoordde: ‘Dat weet ik niet. En kinderen pesten elkaar nu eenmaal. Maar ik heb jou echt vreselijk gepest.’ Ik stamelde me onder haar drankje uit met een smoes, want dat wist ik toch echt zeker: voor geen goud nam ik een drankje van haar aan. Ik verliet het café, zwaaide zelfs nog vriendelijk en trok later de haren uit mijn hoofd van spijt. Ik had willen zeggen: ‘Ja, jij hebt mij vreselijk gepest, diep gekwetst en ik neem je dat kwalijk. En als je het waagt een drankje voor mij te halen, gooi ik het in je gezicht.’

Later dacht ik terug aan die harde ogen en ik zag opeens: die zit helemaal niet goed in haar vel. Mijn gezelschap van die avond zei: zelfs de manier waarop ze je nu benaderde, had nog iets heel agressiefs.

Ook de ander zag ik later terug, de mooiste van de twee. We kwamen elkaar tegen in een winkel. We waren allebei zwanger, we stapten het pashokje uit in onze modieuze zwangerschapskleren, want hip en mooi moet je onder alle omstandigheden blijven, leren de meisjes uit Het Gooi. We keken in de spiegel en we keken elkaar aan. Mijn hart sloeg over, ze sprak me aan, vriendelijk, vragend. Maar ik wilde niet, ik kon niet met haar praten, ik rekende af en vluchtte weg.

Twee maanden later zag ik haar overlijdensadvertentie.

Ik geloofde mijn ogen niet. Ik las en herlas en ik begreep: ze heeft het zelf gedaan. Zelf, met haar hoogzwangere buik! Mijn God, laat dit niet waar zijn. Maar het was waar. Het was schizofrenie. Ze was, hoorde ik later, al jaren psychiatrisch patiënt. Maar ze wilde graag een kind, met haar man. Een leuke man, had ik in de gauwigheid nog wel gezien in die winkel. De ongeboren baby kon niet tegen de medicijnen. Maar zij kon niet zonder de medicijnen. Ze raakte in een crisis, ze heeft zichzelf van het leven beroofd.

Wat moet ik nu van deze ontstellend rauwe afloop denken? Niets – althans niet met betrekking tot mij. Natuurlijk is dit niet wat ik heb gewild, zelfs niet ooit stiekem heb gewenst. Ik hoef me nergens schuldig over te voelen. Maar zij ook niet. Ze was nog een kind, net als ik, ze was misschien toen al ziek, en anders dan voor mij valt er voor haar niets meer te leren van het verleden. Is er geen les, geen loutering. Ik ben maar een geluksvogel. n

 

Meer lezen

Platgetrapt. Het trauma als gevolg van pesten, Joan Elkerbout en Priscilla van Lierop, Uitgeverij Bergboek, € 15,-[/wpgpremiumcontent]