‘De dader wilde graag weer snel naar huis. Ik sta perplex’

Karin (43) is de partner van Rob Sitek (44), die vier jaar geleden overleed na mishandeling door een Amsterdamse taxichauffeur. Hun dochter was elf maanden oud.

‘Rob ging voor het eerst na lange tijd weer stappen. De taxichauffeur weigerde op de meter te rijden en daarover ontstond een conflict. Die chauffeur kwam uit de vechtsportwereld. ’s Nachts werd ik gebeld door Robs broer: “Rob… intensive care…” Alleen flarden drongen tot me door. Een halfuur later zat ik met Joy in het AMC. Rob had een enorme klap gekregen waardoor zijn halsslagaders scheurden. Alle levensfuncties vielen direct uit. Hij was hersendood.

Het incident werd breed uitgemeten in de pers. Aan alle kanten werd aan me getrokken door journalisten, politie en justitie. Die bemoeienis viel me zwaar. Vaak klopten de feiten niet, dat ergerde me. Na zes weken kwam een brief van de dader. Ik had gehoopt dat hij spijt had, maar het ging alleen over hemzelf. Je kon duidelijk zien dat het een poging was om strafvermindering te krijgen. Voor het eerst voelde ik een enorme woede opkomen. In de rechtszaal bleek de dader een opvliegend mannetje. Of hij snel naar huis mocht want zijn vrouw zat alleen met een kindje. Ik was perplex. Dat was toch mijn verhaal? Ik had het wel willen uitschreeuwen.

De dader kreeg twee jaar cel omdat er geen sprake was van voorbedachten rade. Ik ben nu drieënhalf jaar verder. De dader is inmiddels vrij, mijn leven ligt in kreukels. Ik ben mijn geliefde kwijt, ben honderd procent afgekeurd – ik werk op therapeutische basis – en mijn dochter is haar vader kwijt. De zorg voor haar houdt me op de been, maar haar verdriet is ook confronterend. Vaak vraagt Joy: “Waar is mijn papa?” Ik vertel haar alles eerlijk.

Ik ben naar het Leidseplein gegaan in de hoop iets te begrijpen dat ik maar niet kan bevatten. Vlak bij de plek heb ik een tegel tegen zinloos geweld gelegd. Ik heb PTSS-klachten, daarvoor ben ik behandeld met EMDR, maar nog steeds heb ik slapeloze nachten. Ik kan hem maar niet loslaten. Als ik het bankstel verplaats, vraag ik me af hoe Rob dat zou vinden. Inmiddels weet ik dat ik niet meer naast hem wakker word. Maar het echte rouwen moet nog beginnen.’

‘Ik was ziek van woede, maar ik wist niet op wie ik woedend moest zijn’

Henriëtte Hirschfeld (49) is de dochter van marktkoopman Wally Hirschfeld. Zestien jaar geleden werd Wally (62) slachtoffer van een roofmoord.

‘Mijn vader stond met sieraden op de markt in Amsterdam-Zuidoost. Op een avond in april vond ik hem dood op de vloer in zijn seniorenwoning. Dat beeld vergeet ik nooit meer: zijn handen waren op zijn rug gebonden en hij had tape om zijn mond. Mijn verstand zei dat hij dood was, maar ik kon het niet geloven. Ik stond aan de grond genageld.

In een waas belde ik mijn vriend. De politie kwam en verzegelde de boel. Mijn vader bleek al 72 uur dood. Hij is het slachtoffer geworden van een roofmoord. De daders waren onbekend.

Ik vond dat er recht gedaan moest worden: deze daders moeten worden opgespoord en gestraft. Mijn vader is altijd zo goed geweest voor zijn kinderen en kleinkind. Ik was ziek van woede, maar ik wist niet op wie ik woedend moest zijn. Ik deed er alles aan om de zaak onder de aandacht te brengen, bij RTL4, SBS, Peter R. de Vries, de kranten. Ik ben iemand die niet snel opgeeft – juist daarom was het zo frustrerend dat de moord niet werd opgelost.

Twee jaar later werd mijn dochter geboren. Mijn vriend zei dat het over moest zijn: ik moest mijn aandacht aan mijn dochter besteden en niet aan mijn vader. Hij vond dat ik verder moest, maar ik voelde nog steeds woede, wraak, verdriet. Ik snapte echt niet hoe hij zoiets van me kon vragen. Mijn dochter is haar opa ontnomen, ik mijn vader. Op een gegeven moment zijn we uit elkaar gegaan; we begrepen elkaar niet meer.

In 2004 werd de zaak heropend; twee vermoedelijke daders waren opgepakt. Ik kreeg nieuwe hoop. Ze gingen vrijuit omdat het bewijs niet keihard en onomstotelijk vaststond – heel erg vond ik dat. Het is moeilijk te verteren dat daders zo worden beschermd. De laatste jaren zakt mijn woede. Ik wil nog altijd meemaken dat er iemand wordt veroordeeld, maar andere zaken gaan nu voor. Mijn dochter is 13, ik moet er voor haar zijn. Laatst las ik dat een zaak uit 1997 na jaren is opgelost. Ik was een beetje jaloers, maar het gaf me ook nieuwe hoop.’

‘Ineens had ik een heel ander leven dan mijn studiegenoten’

Lucinda (34) is de twee jaar jongere zus van Nadia van de Ven. Nadia werd elf jaar geleden vermoord door haar huisbaas. Ze was 25.

‘Nadia woonde in een studentenhuis in Utrecht. Haar huisbaas Pascal was een teruggetrokken, wereldvreemde jongen. Nadia was juist assertief. Ze hadden weleens woorden over de katten en over de fietsen in de gang. Wat er die dag precies aanleiding was voor de woordenwisseling weet ik niet. Voor hem was in elk geval de maat vol. Hij pakte zijn machinepistool – van Defensie, waar hij had gewerkt – en schoot haar dood. Later werd ontdekt dat hetzelfde wapen zeven jaar eerder ook was gebruikt voor een moord. Maar daarvan is hij vrijgesproken; Pascal is alleen veroordeeld voor de moord op Nadia, twintig jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.

Ik kon het niet geloven. Nadia en ik groeiden op in een hecht gezin. Onze vader had NAH, niet-aangeboren hersenletsel. Dat was niet altijd even makkelijk, en ik vond veel steun bij Nadia. In de puberteit was ze me met alles net iets voor. Ze was mijn grote voorbeeld.

Ik was juist mijn eigen leven aan het opbouwen, los van haar, toen ze bruut van me werd weggerukt. Alles stond op zijn kop. Er kwamen rechtszaken, onderzoeken. Mijn basale gevoel van vertrouwen was verdwenen. Ik voelde me eenzaam omdat ik zo anders in het leven stond dan mijn studiegenoten. In plaats van me af te vragen naar welk feest ik zou gaan, zat ik me af te vragen waarom Nadia niet verder mocht leven en ik wel.

Op Pascal ben ik niet boos meer. Hij is een patiënt: hij kreeg tbs omdat hij een stoornis heeft. Over de rol van zijn ouders ben ik wel verontwaardigd. Ze wisten dat hij problemen had. Hij had zijn ouders kort daarvoor nog aangegeven dat hij zijn taak als huisbaas niet aankon, maar daar hebben ze niets mee gedaan. Ze vonden dat de dood van Nadia haar eigen schuld was, ze zeiden niet waarom. Aanvankelijk wilden ze ons de borg, de vooruitbetaalde huur en de begrafeniskosten niet eens terugbetalen.

Ik woon nu samen met een lieve vriend en specialiseer me tot revalidatiearts. Het ging goed met me, maar vorig jaar kreeg ik last van oververmoeidheid en depressies. Ik heb toen een bundel van mijn gedichten uitgegeven, Parels van verdriet. Dat heeft me geholpen om beter te kunnen praten over mijn gevoelens van wanhoop en verlies.’

‘Als ik bedenk hoe hij heeft geleden, krijg ik het nog benauwd’

Jack Keijzer (56) is de vader van Pascal Keijzer, die 16 was toen hij zes jaar geleden werd vermoord. Jack, zijn vrouw Jolanda en zoon Remy bleven achter.

‘Pascal gebruikte af en toe cocaïne. We hadden daar vaak ruzie over. Na de zoveelste aanvaring zei hij huilend: “Ik ben verkeerd bezig, ik ga hulp zoeken.” Hij stopte en nam een baantje. Een paar weken later werd hij vermoord. Toen de politie aan de deur stond dacht ik aan zelfmoord. Was het maar zo, dan had hij er zelf voor gekozen. Nu is hij door twee mannen neergestoken. Hij verkocht ook weleens wat en volgens deze mannen had hij een keer geen goed spul geleverd. Hij lag op straat in een plas bloed dood te gaan, toen zijn ze nog twee keer over hem heen gereden.

Als ik bedenk hoe hij heeft geleden krijg ik het nog benauwd. Pascal was een scharrelaar, geen crimineel. Het verlies van je kind omdat iemand anders dat zo bepaald heeft, is onverteerbaar. Zo iemand ontwricht een heel gezin. Sindsdien leiden we een “aangepast leven”. Een leven om het gat heen dat Pascal heeft achtergelaten. Tot aan de identificatie hoopte ik nog dat de politie de verkeerde voor zich had. Maar dan zie je hem daar liggen: hij is het echt. We hebben Pascal gewassen en aangekleed. Toen ik een moment alleen was met Pascal heb ik de hele boel bij elkaar geschreeuwd.

Het liefste zou ik van de hoofddader horen dat het hem spijt. Dat zou me rust geven. Hij heeft vijftien jaar gekregen; in de praktijk kom je dan na tien jaar vrij. Hij toonde geen enkel berouw. Ik kan me daar boos over maken, maar dat is zonde van mijn schaarse energie. Remy heeft soms wraakgedachten, ik probeer daar meteen met hem over te praten. Hij was 13 toen zijn broer werd vermoord. We hebben hem bij alles betrokken.

Ik geef nu voorlichting op scholen. Dan vertel ik het verhaal van Pascal. Ik wil ze niet de les lezen maar mochten de kinderen ooit voor de keuze staan, dan hoop ik toch dat ze bedenken wat drugsgebruik voor een gezin betekent. Ik verwijt mezelf niet dat ik naïef ben geweest, maar ik heb wel het gevoel te hebben gefaald. Op Pascals geboortekaartje staat dat we hem veilig naar zijn doel in het leven zullen brengen. Dat is me niet gelukt.’

Ik heb vaak gedacht: arme kinderen… jullie vader is een moordenaar’

Inèz (68) is een zus van Ron Makadoero, die vier jaar geleden werd vermoord door de ex van zijn geliefde. Ron was 57.

‘Iedere morgen bracht ik mijn neefje naar school en dan kwam ik onderweg langs het kantoor van Ron. Die dag was de straat afgezet met rood lint. Er was veel politie op de been. “Een misdrijf, mevrouw, u moet omrijden.” Later die ochtend werd ik gebeld. Het bleek om mijn broer te gaan: hij was op klaarlichte dag door het hoofd geschoten.

Ik kom uit een hecht Indisch gezin. Mijn twee zussen, drie broers en ik kwamen meteen samen om elkaar te steunen. Ron was zo’n geliefd mens, hoe kon dit gebeuren? Hij werkte bij de IND; had een afgewezen asielzoeker dit gedaan? Als oudste identificeerde ik mijn broer. Hij zag er verschrikkelijk uit: zijn gezicht leek wel ontploft.

Ik ben kankerpatiënt, in 2005 kreeg ik te horen dat ik nog anderhalf jaar te leven had. Mijn broer was altijd kerngezond. Vier jaar later was hij dood en stond ik naast hem. Ik kon het niet begrijpen. De dader werd meteen gepakt: de jaloerse ex van Rons vriendin – Ron had al een tijd een verhouding met iemand van zijn afdeling. Het was een crime passionnel, in de rechtszaal zei hij: “Ik wilde haar treffen door hem te vermoorden.” Toen we dat hoorden werden we zó boos. Ron was gebruikt als wisselgeld. Gelukkig zaten we achter glas, anders waren we hem aangevlogen.

De man bleek getrouwd en had twee kleine kinderen. Ik heb vaak gedacht: arme kinderen… jullie vader is een moordenaar. Iedere keer wanneer ik woedend werd, ging ik terug naar die gedachte. Dan kreeg ik medelijden met de kinderen en ebde de woede weg.

Hij kreeg zestien jaar. Ging in hoger beroep en werd weer veroordeeld. Nu probeert hij de uitspraak te laten vernietigen. Vaak denk ik: “Man, wat wil je nou?” Alle bewijzen liggen er. We willen de zaak graag afsluiten. Wat daar in die rechtszaal gebeurt, interesseert ons steeds minder. We richten onze energie op andere dingen. Ron wilde na zijn pensioen kinderen helpen in Indonesië. Met de familie zijn wij Stichting Ron’s Droom gestart: fondsen zoeken voor de scholing van kansarme kinderen in Indonesië. Wanneer we vergaderen is het alsof Ron bij ons zit. Nu weet ik waarom ik nog leef: ik heb nog iets te doen, het waarmaken van Rons droom.’

Rouw na een misdrijf is veel complexer

Gemiddeld drie keer per week wordt in Nederland een moord gepleegd. Achter de soms kleine krantenberichten daarover gaan grote drama’s schuil. Bijna driekwart van de nabestaanden heeft elf jaar later nog ernstige rouwklachten. 30 procent heeft zelfs klachten die samenhangen met een posttraumatische stressstoornis (ptss), zoals nachtmerries, vermijding en extreme gevoeligheid. Sommigen kampen met ernstige rouw- én ptss-klachten, stelde criminologe Mariëtte van Denderen vast. Het blijkt daarbij geen verschil te maken of het slachtoffer iemands partner, ouder, broer, zus of kind was.

Hoe komt het dat rouw na een moord veel langer duurt en veel heftiger is dan na een natuurlijk overlijden? Van Denderen hoopt volgend jaar aan de Rijksuniversiteit Groningen te promoveren op onderzoek daarnaar. Drie jaar lang volgde ze ruim driehonderd mensen die een geliefde door een geweldsmisdrijf hadden verloren. Ze bracht hun rouwklachten in kaart en ontwikkelde een behandeling om nabestaanden te ondersteunen.

‘Het belangrijkste verschil,’ zegt ze, ‘is het feit dat iemand anders de hand heeft gehad in dit overlijden.’ Andere factoren, blijkt uit internationaal onderzoek, zijn de gruwelijkheid van de daad, de verminking van het slachtoffer en de soms buitenproportionele media-aandacht. Nabestaanden worden langdurig en onwillekeurig geconfronteerd met het gebeurde. Is er een verdachte, dan volgen politieverhoren en mogelijk rechtszaken. Op radio, tv en internet wordt het gebeurde steeds opgerakeld.

Nabestaanden zijn overigens niet altijd geneigd zich af te sluiten voor die berichtenstroom. Vaak hebben ze juist een onstilbare honger naar informatie, hoewel nog niet alle feiten direct duidelijk zijn en politie en justitie spaarzaam informatie geven. ‘Ieder detail willen weten is een uiterste poging om de controle terug te krijgen,’ aldus Van Denderen.

Dat rouw na een geweldsmisdrijf zulke extreme vormen kan aannemen, is haar sterk opgevallen, zegt de criminologe. Net als bij een ‘gewoon’ rouwproces zijn er individuele verschillen. Maar bij rouw na geweld spelen de persoonlijkheidskenmerken en persoonlijke ervaringen van een nabestaande een grotere rol. Waardoor het kan gebeuren dat een nabestaande die in zijn jeugd is mishandeld, daar nu weer in hevige mate last van krijgt – extremer dan het geval zou zijn geweest bij ‘gewone’ rouw. Die gevoeligheid maakt de rouw nog intenser en de verwerking nog moeilijker.

Er zijn veel overeenkomsten tussen de nabestaanden die Van Denderen volgde. Een ervan is schuldgevoel. Ze denken: ‘Had ik maar dit of dat gedaan’ of ‘Ik mag de draad van het leven niet gewoon weer oppakken, want dan staat niemand meer stil bij het verschrikkelijke dat mijn geliefde is overkomen.’

Ook hebben velen het gevoel dat hun groot onrecht is aangedaan; ze zinnen op wraak. Maar, zo ontdekte Van Denderen: ‘Wraakgevoel blijkt de rouwklachten te verergeren.’ Gevoelens van wraak en woede richten zich op de dader, maar ook op advocaten, politie of justitie. Dat is begrijpelijk, zegt ze, maar de fixatie op onrecht is soms een valkuil: ‘Het kan een manier zijn om de heftige pijn uit de weg te gaan.’

Het verklaart waarom sommige nabestaanden jarenlang bezig blijven met de strafmaat, het Openbaar Ministerie, advocaten en procedures. Maar het blijkt weinig zoden aan de dijk te zetten om hun energie en aandacht te richten op de dader: ‘Er bestaat geen enkel verband tussen de hoogte van de straf en de mate van klachten,’ constateert Van Denderen. ‘In het beste geval voor de nabestaande krijgt de dader vijftien jaar; daarna komt hij vrij. De overledene komt nooit meer terug; als nabestaande heb je levenslang, zeggen nabestaanden vaak.’

Het gevaar bestaat dat rouw een leven gaat beheersen. Waardoor bijvoorbeeld een broer of zus van een moordslachtoffer moet constateren: ‘Ik heb mijn broer verloren en daarna ook mijn moeder.’ Sommigen verlangen intens naar een spijtbetuiging van de dader, maar die komt zelden. Veelal zullen nabestaanden ermee moeten leven dat op cruciale vragen geen antwoord komt en dat het Nederlandse recht niet over uitputtende middelen beschikt om daders te straffen.

Volgens Van Denderen helpt het bij de verwerking als nabestaanden hun aandacht richten op iets wat ze wél in de hand hebben: de overige gezinsleden, een goed doel, of voorlichting over geweld op scholen. Mensen die dat doen, richten hun aandacht op een positieve herinnering aan de overledene. Die positieve herinneringen kunnen hen helpen bij het ontwikkelen van veerkracht.

Voor meer informatie of aanmelding voor de behandeling: rouwnamoord.nl