De laatste tijd heb ik diverse manueel therapeuten bezocht vanwege gewrichtsklachten. Steeds gebeurde hetzelfde. De behandelaar vroeg me een bepaalde houding aan te nemen of een beweging te maken, en constateerde dat er iets scheef was. (Wát er scheef was verschilde per behandelaar.) Hij ging aan de slag. Hij manoeuvreerde hier en daar wat en gaf soms een abrupte ruk of draai. Na afloop moest ik weer dezelfde houding of beweging tonen en zei hij trots: ‘Ah, het ziet er al veel beter uit! Zie je dat?’

Nee, zei ik elke keer. Ik zag geen verschil. Ik voelde geen verschil. Wat ziet hij dan? Verbeeldt hij het zich? Als je de tweede keer iets moet rekken of strekken, is het toch logisch dat je verder komt dan de eerste keer? Zouden andere patiënten daarin meegaan en ‘Ja, ik zie het!’ roepen? En wie weet zich dan al beter voelen?

Als psycholoog en wetenschapper ben ik gespitst op alle therapie-effecten die berusten op iets heel anders dan de therapie. De meeste klachten (psychisch of fysiek) gaan na verloop van tijd vanzelf over. Ben je onder behandeling, dan kan het lijken alsof je daardoor opknapte, maar dat was misschien ook vanzelf gebeurd. Dan is er ook nog het placebo-effect: doordat je effect verwacht, ga je je beter voelen, zelfs als de behandeling niks voorstelt.

Misschien doen artsen, psycho- en fysiotherapeuten vaak maar wat en hopen ze dat het goed uitpakt. Door dit soort effecten zal dat negen van de tien keer ook het geval zijn. Misschien weten ze zelf niet eens dat het zo werkt en bestaat er zoiets als een behandelaars-placebo-effect: de illusie dat iemand door jouw toedoen opknapt. Als je iets verwacht te zien, zie je het ook. Meestal wordt dat ook nog bevestigd door de patiënt, die niet durft te zeggen dat-ie geen verschil merkt, of die echt is opgeknapt dankzij zijn eigen placebo-effect.

Zo leef je samen in een sprookje. Al die tijd heeft de behandelaar niks gedaan dat écht zinvol was. Maar hij vindt zichzelf een hele vent met zijn flauwekulkunstjes – ‘vent’, want ik heb de indruk dat dit ‘Kijk mij eens effectief zijn’-gedrag vaker optreedt bij mannen. Die vervullen met zulk plezier de heldenrol in sprookjes dat ze misschien wat minder realiteitszin hebben.

De laatste manueel therapeut in mijn rijtje legde uit dat bijna iedereen een beetje scheef staat en waar je dat aan ziet: heel gewoon – geen magische kennersblik – ik kon het zelf ook zien! Ze ging aan het werk, zonder imponerende heftige rukken. Doordat ze minder praatte, was er meer tijd om iets te doen. Na afloop stond ik nog steeds een beetje scheef, vond ze. Maar ik voelde meteen dat het goed kwam, dat de gewrichten eindelijk weer lekker zaten.

Misschien zijn er grofweg twee manieren waarop fysio- en psycho-therapeuten je verder kunnen helpen: lullen of poetsen. Ik heb een voorkeur voor een poetser: ambachtelijk, geen hocus pocus, geen heldenverhalen, gewoon aanpakken die hap. Hou je van wat grandeur, kijk je graag op naar knapperds die dwars door jou heen kijken en weten wat je beweegt en waarom je je zó ­beweegt, dan heb je meer aan een Held. Met jouw en zijn placebo-effect bij ­elkaar bereik je ongelófelijke resultaten.

Roos Vonk is hoogleraar psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, auteur en managementconsultant.

(www.roosvonk.nl)