Quinn wandelt graag. Hoewel, graag is niet het juiste woord. Quinn wandelt omdat níét wandelen voor hem onhoudbaar is. ‘Steeds als hij voor een wandeling de deur uitging had hij het gevoel dat hij zichzelf achterliet,’ schrijft Paul Auster in Broze stad, de roman waarin Quinn de hoofdrol speelt. ‘En door zich over te geven aan de loop van de straten, door zichzelf te reduceren tot een soort blindengeleidehond, kon hij zich onttrekken aan de dwang tot denken, en dat was het vooral wat hem een beetje rustig maakte, een weldadige leegte in zijn binnenste schiep.’

Een hoofd zonder gedachten en een geest die weldadig leeg is – Quinn is niet het enige romanpersonage dat om die reden loopt. De literatuur wemelt van de hoofdpersonen die zich kalm wandelen. Ook van de schrijvers die op die manier zielerust nastreven, overigens. In haar mooie ‘geschiedenis van het wandelen’ Ik loop rond Abcoude en neem mee citeert journaliste Esther Bakker er talrijke. Onder hen de Nederlandse Arita Baaijens, die eindeloze trektochten door de woestijn maakt met een kudde kamelen. ‘Het urenlange voortstappen, het ene been voor het andere en het andere weer voor het ene veroorzaakt een droomtoestand waarin mijn voetstappen als een ronddraaiende gebedsmolen mijn geest op een ander plan brengen,’ schrijft Baaijens.

En dan heb je natuurlijk nog schrijver Bruce Chatwin, oppergoeroe van de wandelwereld. In zijn Anatomy of Restlessness stelt hij dat drugs het armzalig alternatief zijn voor mensen die niet meer weten hoe je loopt. De mens is geboren om te lopen, zo is zijn overtuiging; hij heeft van geboorte af aan de behoefte om tot rust gewiegd te worden in wat Chatwin ‘de ideale beweging’ noemt – ‘verticaal, met een schommeling van acht centimeter’. Wie zich aan die aangeboren drang onttrekt, moet dus niet verbaasd zijn als hij depressief wordt of verslaafd raakt.

Stevig doorstappen

Wandelen als antidepressivum. Het idee fascineerde theologe Ineke Albers. Zodanig zelfs dat ze er een promotieonderzoek aan wijdde. Twee jaar geleden promoveerde ze in Tilburg op Heilige kracht wordt door beweging losgemaakt. Over pelgrimage, lopen en genezing, een dik boekwerk waarin ze zich onder andere uitvoerig over de vraag buigt hoe we met de medische kennis van nu kunnen verklaren dat zoveel mensen lopen als helend ervaren.

Het is vooral de beweging die het ’m doet, zegt ze. ‘Als je loopt, maken je hersenen dopamine aan. En die neurotransmitter werkt onder andere goed tegen depressie en pijn. Een wandeling kan dus letterlijk genezend werken voor mensen die daarmee worstelen.’

Dat is een uitspraak waar bewegingswetenschapper en hoogleraar klinische neuropsychologie Erik Scherder zich helemaal in kan vinden. Met die kanttekening dat de wandelaar daarvoor wel echt moet doorstappen. ‘Slenteren heeft geen zin, de beweging moet wel een zekere inspanning vragen – al denk je bij een tachtigjarige dan natuurlijk aan iets anders dan bij een 25-jarige. En: je moet er minstens dertig minuten voor lopen. Liever nog drie kwartier.’

Een lunchwandelingetje van een kwartier is dus niet genoeg om je hersenen een oppepper te geven. Maar een stevige stadswandeling of tocht door de bossen voldoet beslist aan de voorwaarden van de neuropsychologie. Albers denkt dan ook dat veel van de wonderbaarlijke genezingen die vroeger aan het bezoek aan een bedevaartsoord werden toegeschreven, eigenlijk werden veroorzaakt door de lange, rituele tocht erheen. ‘Niet de heilige plaats, maar de heilige weg deed zijn werk.’

Moderne spirituele vragen

Dat inzicht kan meteen verklaren waarom bekende pelgrimsplaatsen nog altijd een populair doel zijn voor langeafstandslopers. Dit ondanks de ontkerstening en de enorme explosie aan goedkope reismogelijkheden van de afgelopen jaren.

Neem Santiago de Compostela. Volgens de overlevering ligt in deze Noord-Spaanse stad de apostel Jacobus begraven; al sinds de tiende eeuw een reden voor pelgrims uit heel Europa om massaal de Pyreneeën over te steken. Na een dip in de vorige eeuw doen ze dat nu weer – en met verbijsterende groeicurves. In 2007 gingen meer dan zestienhonderd Nederlanders te voet naar Santiago. En dan hebben we het dus echt niet over een zondagmiddagwandeling. Om als pelgrim de statistieken te halen, moet je minstens honderd kilometer van de Camino de Santiago – het ‘Jacobspad’ van de Pyreneeën naar Santiago – gelopen hebben. De meeste pelgrims lopen er meer, vaak wel achthonderd kilometer.

De meerderheid doet dat niet uit eerbied voor de apostel. Religieuze motieven spelen hooguit een bijrol in deze krachttoer. ‘Moderne’ spirituele kwesties spelen echter des te meer – waarom leef ik zoals ik leef? Wat moet ik met deze baan, deze relatie? Wat is de hogere zin van al mijn gehannes?

Die vragen klinken ook door in Ik ben er even niet, het pelgrimsdagboek waarmee de Duitse cabaretier Hape Kerkeling in eigen land drie jaar geleden een verkoopsucces had. Vergelijk de man qua effect en bekendheid met Paul de Leeuw: altijd lachen, altijd lol. Maar in 2001 was het even op. Maandenlang had hij niet naar zijn eigen moeheid geluisterd, schrijft hij in zijn beginhoofdstuk; ‘en dan lig je opeens op de afdeling spoedeisende hulp en denken ze dat je een hartinfarct hebt’.

Hét moment voor een sabbatical, besluit de cabaretier, en ook hij onderneemt de achthonderd kilometer lange tocht naar Santiago. Probleemloos gaat dat niet – hij is ongetraind en veel te zwaar. Maar hij bereikt zijn doel. En noteert na aankomst: ‘In onze bijna gedespiritualiseerde westerse wereld ontbreekt het helaas aan geschikte initiatieriten die voor elk mens eigenlijk van levensbelang zijn. De ­camino biedt een echte, bijna vergeten mogelijkheid jezelf te bewijzen. Ieder mens zoekt naar houvast. Daarbij zit het enige houvast ’m in het loslaten.’

Vertrouwelijke gesprekken

Loslaten – het is een woord dat steeds terugkeert als het over lopen gaat. Daar is om te beginnen een heel nuchtere verklaring voor. Iedereen die weleens een lange wandeling heeft gemaakt, weet dat je je gaandeweg van allerlei ballast ontdoet. Waarom drie T-shirts meeslepen als twee voldoen? Waarom een boek nog meesjouwen als je het uit hebt?

En als je je dan ineens in staat ziet afscheid te nemen van die prachtige roman of dat mooie maar vlekgevoelige truitje, waarom dan niet ook van dingen die psychisch op je schouders rusten? Een relatie die niet functioneert, een familieband die meer knelt dan koestert… Zo kunnen alledaagse handelingen tijdens het lopen symboolwaarde krijgen en onalledaagse gevolgen hebben.

‘Lopen geeft je afstand en laat je je leven even met nieuwe ogen bezien,’ zegt theologe Ineke Albers. ‘Wat dat betreft heeft het wel iets weg van mindfulness, de meditatietechniek die momenteel zo populair is. Het malen in je hoofd houdt op, je wordt even “uit de tijd” getild. In mijn proefschrift citeer ik Herman Post, een schrijver die dat effect van lopen heel mooi verwoordde: hij heeft het over momenten van volmaakt geluk, waarin hij niets meer te wensen had – niet terugverlangde naar wat achter hem lag én niet gespannen uitzag naar wat nog komen moest. Lopen brengt je heel erg in het “nu”.’

En dan is er nog dat andere heilzame bijeffect van lopen: het gooit de gesprekken die je voert open. ‘Ik hoor vaak van mensen dat de ontmoetingen die ze tijdens een lange voettocht hadden, een bijzondere betekenis voor ze hebben gehad,’ zegt Albers. ‘Op de een of andere manier praat het fijn tijdens het lopen, kom je al snel op wezenlijke thema’s.’

De verklaring daarvoor? Freud wist het al: het dwingende oogcontact van de gangbare gespreksopstelling werkt remmend. Dwing twee neuzen daarentegen in één richting en de tongen komen los. Dus legde Freud zijn cliënten met het gezicht van hem af op de divan, óf ging hij met ze wandelen. Zelfs de meest geremde mensen durven dan hun ziele­roerselen uit te spreken.

En als er even niets te zeggen valt, is het ook goed. Dan kijk je naar de beestjes in het gras of de blaadjes aan de bomen. Er is tijdens een wandeling altijd wel iets wat de stilte vergemakkelijkt. Zo kan op stille bospaden ?’s morgens in de vroegte al een vertrouwelijkheid ontstaan die veel mensen alleen kennen van nachtelijk cafébezoek.

‘Maar vergeet het effect van het lopen zelf niet,’ voegt Erik Scherder toe. ‘Beweging activeert onder andere de hersengebieden die zich ook bezighouden met taal. Het is dus logisch dat je spraakzaam wordt van een lange wandeling. Ik hoorde op een congres eens over een jongen die na een hersen­bloeding nooit meer sprak, behalve wanneer hij wandelde.’

Opwelling van geluk

Maar voordat nu het beeld ontstaat dat wandelen vooral iets is voor zieken of depressieven: volgens Ineke Albers is het ook een aanrader voor ‘gewone’ mensen. ‘Ook zij kunnen profiteren van die extra dopamine-aanmaak. Heb je pijn of ben je somber, dan brengt die toevoer je naar een “normaal” niveau; maar zit je al lekker in je vel, dan kan het regelrecht euforiserend werken.’ En het mooie is, zo vervolgt ze: hoe vaker je loopt, hoe sneller dat effect optreedt. Je hersenen raken als het ware geconditioneerd om in gejubel uit te barsten zodra ze wandelbewegingen signaleren. ‘Als je niet gewend bent te wandelen, moet je lange tochten maken om die euforie te bereiken. Maar heb je het effect eenmaal ervaren, dan is het steeds sneller op te roepen. Dat blijkt onder andere uit onderzoek bij laboratoriumratjes.’

En uit verhalen van doorgewinterde wandelaars natuurlijk. ‘Ik hoor geregeld dat mensen het lopen als een spirituele ervaring beschouwen,’ vertelt ­Albers. Dat geldt zelfs voor Esther Bakker, die het wandelgebeuren in haar boek toch voor­namelijk vrij plastisch beschrijft (‘In plaats van een lichaam met aparte delen – een kont, een zij, linkerbeen, rechtervoet – ben ik een systeem geworden waar een soort olie doorheen loopt’). Halverwege haar tochtje rond Abcoude noteert ze niettemin: ‘In de kronkels van het voetpad herken ik kronkels in mijn gedachten. Ik droom, ik zweef, ik fantaseer. Ik keer terug tot de mens die in bossen woonde en daar zijn eten vandaan haalde. Ik neem bezit van mijn land.’

Een opwelling van onberedeneerd geluk die iedere regelmatige wandelaar zal herkennen. ‘Geen wonder dat veel lopers merken dat wandelen haast verslavend werkt,’ zegt Albers. Maar anders dan een verslaving aan drugs of antidepressiva is deze verslaving alleen maar gezond.[/wpgpremiumcontent]