Kind uit huis geplaatst: ‘We ontnamen hem zijn veilige plek’ 

  • 1586 woorden
  • leestijd is
  • 8 minuten
Moet mijn kind het huis uit omdat ik het niet meer aankan? Die vraag hield deze moeders jarenlang wakker. Het antwoord werd uiteindelijk: ja. ‘We lieten hem schreeuwend achter, maar ik kon hem niet troosten.’

‘Wie geeft zijn kind nou op?’

Nadine (39) is getrouwd en heeft twee zoons. Ben (13) is de oudste en hij woont vanwege zijn PDD-NOS in een woongroep.

Online basistraining

Omgaan met autisme

  • Met autisme-expert Annelies Spek
  • Concrete adviezen over communicatie
  • Inspirerende sessies met video en achtergrondartikelen

bekijk de training
Nu maar
€ 30,-

‘Ik zag de andere moeders wel kijken als Ben op het schoolplein een woede-uitbarsting kreeg. Geef hem maar een week met mij mee, dan is het zo over, hoorde ik ze denken. Ze hadden geen idee. Wij weten sinds zijn 7de dat Ben PDD-NOS heeft. Op school waren te veel prikkels: al die kinderen, de herrie, het verkeerd begrepen worden – het frustreerde hem elke dag. Hij ontwikkelde tics om zich staande te houden: sabbelen op zijn mouwen, knipperen met zijn ogen. Als de school uit was, kwam de ontlading. Meestal gebeurde dat thuis, maar soms ging hij op school al door het lint. Beschaamd probeerde ik hem dan te kalmeren.

In groep 7 trok Ben het niet meer. Hij kwam steeds vaker in de pauze naar huis. “Ik wil niet terug naar school,” zei hij dan. Ook buitenspelen weigerde hij, hij zat het liefst uren met de tablet op de bank. Zijn wereldje werd heel klein. We maakten ons zorgen en regelden extra hulp voor hem, maar hij gleed steeds verder af. Hij werd angstiger en dwingender. Alles moest op zijn manier, anders werd hij heel boos. Dan maakte hij dingen stuk, of reageerde zich af op mij. Ik paste me aan om hem rustig te houden – te veel – en verloor mijn gezag als moeder. De verhoudingen raakten zoek. “Misschien is het beter als Ben een tijdje uit huis gaat,” opperde een hulpverlener voorzichtig. Dat wilde ik pertinent niet. Wie geeft zijn eigen kind nou op?

Uiteindelijk kon het niet anders meer. Ben werd onhandelbaar, hij bepaalde alles in huis. Op een zondag in mei riepen mijn man en ik onze zoons bij elkaar. Het was het moeilijkste gesprek van ons leven. We vertelden dat Ben een tijdje ergens anders ging wonen, waar ze hem beter konden helpen. Ben ontplofte, zoals verwacht: we ontnamen hem de enige plek waar hij zich veilig voelde. Het voelde alsof we faalden als ouders.

Twee dagen later brachten mijn man en ik hem weg. Het afscheid duurde amper een kwartier, toen moesten we gaan. We lieten hem schreeuwend achter, zijn paniek was hartverscheurend. Ik wilde mijn armen om hem heen slaan, hem troosten, maar ik wist dat hij op dat moment niets had aan moederliefde. Ben had iets anders nodig, iets wat wij hem niet konden geven: medicatie en therapie. Professionele hulp.

Het duurde maanden voordat hij tot zichzelf kwam. Maar ineens was daar die middag waarop we hem op een skelter rondjes zagen rijden – buiten nog wel! Toen wist ik: er is hoop.
Nu, bijna twee jaar later, gaat het erg goed met Ben. Hij slikt nauwelijks nog medicijnen, gaat naar school, en hij lacht en knuffelt weer. Hij heeft veel geleerd over zijn beperking, net als wij. Hij is enorm gegroeid, ik geniet ervan om hem zo te zien. Aan het einde van dit jaar komt hij weer thuis wonen. Dat vind ik fijn, maar ook behoorlijk spannend. Ik wil nooit meer terug naar toen.’

‘Ik rouw nog elke dag om haar’

De dochter van Mirjam (43, gescheiden) woont in een woongroep. Julia (14) heeft autisme.

‘Mijn dochter wegbrengen was het moeilijkste wat ik ooit deed. Ik vond het verschrikkelijk dat ik haar uit handen moest geven, maar probeerde niets te laten merken. Onderweg in de auto deed ik alsof het oké was. Ik maakte haar kamertje in de woongroep gezellig met posters en knuffels, dronk thee en omhelsde haar krachtig bij het afscheid. Toen ik weer bij mijn auto was, kreeg ik een vreselijke huilbui. Alles was mislukt – mijn huis was een bende, ik was mijn baan én mijn kind kwijt. Ik had me nog nooit zo alleen gevoeld.

Tot groep 3 Julia het prima op school. Ze was slim, fijngevoelig en had vriendinnetjes. Maar langzaam veranderde er iets. Ze werd niet meer uitgenodigd voor kinderfeestjes en speelde steeds vaker alleen. Op advies van de juf liet ik haar onderzoeken, maar daar kwam niets uit. Ik wist dat Julia het lastig vond dat er andere regels golden bij haar vader en mij, maar er speelde meer. Ze voelde zich alleen nog zeker als ze in vierkantjes over straat liep en kleren droeg in dezelfde kleur. Als de dingen niet op haar manier gingen, raakte ze in paniek.

Op een warme zomeravond draaide ze door. Ze riep dingen die ik niet begreep, kroop weg onder de tafel en weigerde nog te eten. Ik kreeg haar alleen rustig door samen Disney-films te kijken. Twee weken zat ik naast haar op de bank, de gordijnen dicht.

De huisarts verwees ons door naar een kinderpsychiater. Die schreef zware medicijnen voor, tegen de hallucinaties en de angst. Ik voelde me een gifmengster als ik ze stiekem door haar ranja roerde. Ze was pas 9. De psychiater constateerde uiteindelijk dat Julia MCDD heeft, een variant van autisme waardoor haar emoties en gedachten gemakkelijk met haar aan de haal gaan. Ik was haar veilige haven: zelfs als ik naar de wc ging, wachtte ze voor de deur. Ik liet me claimen, tot ik he-le-maal op was.

Op een verjaardag bij een vriendin brak ik. “Rust, reinheid en regelmaat, dat is het beste,” zei iemand toen ik vertelde over de problemen met Julia. Ik begon te schreeuwen uit het diepst van mijn wezen. “Luister dan toch! Help mij!” Mijn schoenen schoten uit en ik huilde onbeheerst. Daarna regelde mijn familie dat Julia een tijdje naar haar vader ging. Dat werkte ook niet. Een paar weken later werd ze opgenomen.

Ik ging in therapie voor een zware burn-out, maar kon alleen over Julia praten. Ik wist niet meer wie ik was zonder haar. Nu pas, jaren later, begin ik iets meer aan mezelf te denken. Ik sport weer, en doe aan yoga. Ik ben niet meer 24/7 bereikbaar voor Julia, hoe moeilijk ik dat ook vind.

Het gaat best goed met haar, al pubert ze behoorlijk. Ze heeft de structuur van de woongroep echt nodig, dat weet ik nu. Toch rouw ik er nog elke dag om. Als ik een groepje oud-klasgenoten van haar in de stad zie, denk ik: wat had ik haar graag een plekje bij die meiden gegund.’

‘Lieke miste me niet. Dat was intens pijnlijk’

Zowel de dochter als de zoon van Gerda (60) kon niet thuis wonen. Lilly is verstandelijk beperkt en Matt heeft een psychotische kwetsbaarheid.

Online basistraining

Omgaan met autisme

  • Met autisme-expert Annelies Spek
  • Concrete adviezen over communicatie
  • Inspirerende sessies met video en achtergrondartikelen

bekijk de training
Nu maar
€ 30,-

‘Lilly was een passieve baby, ze brabbelde niet en graaide niet naar speeltjes. Ze hield niet van knuffelen en huilde nooit om mij. Ik had niet het gevoel dat ik bijzonder voor haar was. Ze had een heupafwijking en wij dachten lang dat ze zich daardoor nauwelijks ontwikkelde. Maar toen ik hoogzwanger was van Matt, hoorden we dat Lilly verstandelijk beperkt was. Ik was geschokt: zou ze ooit kunnen lopen, praten of lezen? En wat als het een erfelijke aandoening zou zijn?

Gelukkig merkte ik na Matts geboorte direct verschil: met hem had ik wel contact. Het deed wel pijn om te zien dat Matt in alles sneller was dan Lilly. Toen onze derde werd geboren, kwam ik handen tekort. Ik kon Lilly geen moment alleen laten. En als ik Fay de fles gaf, stortte Lilly zich enthousiast op haar broertje – letterlijk. Soms stonden haar tandafdrukken in zijn arm, of vond ik plukken haar van hem. We plaatsten een hek in de huiskamer: daarachter maakten we het Lilly-proof. En de box was omspannen met gaas, zodat ze geen speelgoed op Fay kon gooien. Ik was constant alert. Het putte me uit.

Lilly was bijna 5 toen we besloten haar uit huis te plaatsen. Het was een onmenselijke keuze: we moesten één kind loslaten omwille van de andere kinderen. Mijn man en ik brachten haar samen weg. Ik gaf haar begeleiders een ‘gebruiksaanwijzing’ van vier kantjes en drukte ze op het hart te bellen als er iets was. Maar ze belden nooit. Lilly maakte het goed, ze miste me niet eens. Voor haar was dat een zegen, voor mij intens pijnlijk.

Vijf jaar later gingen mijn man en ik uit elkaar. Matt luisterde toen ook al slecht, kon zich niet concentreren en maakte veel ruzie. De scheiding speelde zeker mee, maar er was meer aan de hand. Hij werd onhandelbaar. We kregen hulp van talloze deskundigen, maar uiteindelijk kon ik hem niet meer aan. Het glas vloog uit de deuren als hij zijn zin niet kreeg. Matt verhuisde naar zijn vader, maar ook dat werkte niet.

Op zijn 14de lieten we hem opnemen in een pedologisch instituut. Hij is daarna nooit meer thuis komen wonen. Zijn puberteit bracht hij door in leefgroepen en op zijn 18de ging hij op kamers. Toen kreeg hij last van psychoses, jarenlang viel hij van de ene crisis in de andere. Ik maakte me non-stop zorgen. Het waren tropenjaren.

Door de steun die ik kreeg van familie en vrienden, had ik nooit het gevoel dat ik een slechte moeder was. Ik heb mijn best gedaan. Wat ik soms nog wel moeilijk vind, is dat Fay zoveel tekort is gekomen. Van sommige van haar kinderfoto’s kan ik me niets herinneren, al mijn aandacht ging naar de andere kinderen. Toch is ze er goed uit gekomen. Fay is getrouwd en heeft twee schatten van kinderen. Lilly woont in een beschermde woonvorm en Matt leeft zelfstandig. Ik ben trots op alle drie en hou van alle drie. Zoals iedere moeder zou doen.’

Dit artikel verscheen eerder in Psychologie Magazine. De namen zijn gefingeerd.

Een onmenselijke keuze

‘Geen enkele ouder wil zijn kind uit huis plaatsen, het is vreselijk om het meest kostbare wat je hebt uit handen te geven. De kinderen zelf zien de pijn van hun ouders vaak niet, ze hebben het gevoel dat ze worden weggestuurd. Dat geeft ouders nog meer het gevoel dat ze falen,’ vertelt gedragswetenschapper en gz-psycholoog Alinda Meijer van Horizon Jeugdzorg en Onderwijs.

Naar schatting wonen ongeveer 42.000 kinderen in de leeftijd tot 18 jaar niet meer bij hun ouders. Bij ongeveer 12.000 van hen is dat omdat ze een psychiatrische aandoening of een verstandelijke dan wel lichamelijke beperking hebben. In die gevallen werken ouders vaak mee aan de uithuisplaatsing. Dat ligt anders als de kinderrechter bepaalt dat de veiligheid van het kind in gevaar is. Dan wordt het gedwongen uit huis geplaatst. Bij gedwongen uithuisplaatsing nemen professionals de beslissing. ‘Dat doe je alleen als het echt niet anders kan.

Maar wanneer is die grens bereikt? Daar zijn geen harde criteria voor,’ zegt onderzoeker Cora Bartelink van het Nederland Jeugd Instituut. Zij werkte mee aan de landelijke richtlijn voor uithuisplaatsing die wordt gebruikt door maatschappelijk werkers, orthopedagogen en psychologen. ‘De richtlijn helpt bij het opmaken van de balans tussen draaglast en draagkracht: wat heeft het kind nodig en wat kan een ouder bieden? Ook de omgeving wordt meegenomen: kan die ondersteunen, wat kan professionele hulp betekenen?’ Bij een vrijwillige uithuisplaatsing moeten ouders zelf bepalen wanneer het écht niet meer gaat. ‘Tot het allerlaatst twijfelen ze: heb ik werkelijk alles geprobeerd? Is uithuisplaatsing de enige juiste oplossing?,’ somt Meijer op. ‘Als ouders dag in dag uit alles moeten geven, raken ze uiteindelijk uitgeput. Alle energie gaat naar het kind, er is weinig ruimte meer voor iets anders. De keuze die zich dan opdringt is onmenselijk, maar onvermijdelijk: óf een kind uit huis, óf de rest van het gezin gaat eraan onderdoor.’

Doordat veel ouders met een ‘moeilijk’ kind zich schamen voor zijn of haar gedrag, trekken ze zich steeds meer terug uit het sociale leven. Bartelink: ‘De angst om een slechte ouder gevonden te worden, ligt op de loer. Begrijpelijk, maar dat isolement maakt het nog zwaarder. De mensen om de ouders heen kunnen er namelijk voor zorgen dat zij de zorg voor een kind beter aankunnen. Denk aan een vriend of vriendin bij wie een ouder even kan opladen.’ Na de uithuisplaatsing doorlopen ouders een rouwproces. Ze gaan door fases van ontkenning, woede, verzet, depressie en uiteindelijk aanvaarding. Bij dat laatste helpt Meijer hen. ‘Als ze de nieuwe situatie accepteren, ontstaat er ruimte voor nieuwe vormen van ouderschap. Zelfs als het kind ook na verloop van tijd niet meer thuis komt wonen, blijven de ouders een belangrijke rol spelen. Sommige ouders komen hun kind elke avond voorlezen, anderen halen het elke week op voor een familiemaaltijd, of ze gaan in het weekend iets leuks doen samen. Ook als een kind uit huis is, blijft het onderdeel van het gezin.’De omgeving oordeelt vaak hard en ouders voelen dat. Gz-psycholoog Meijer: ‘Ze vinden dat ze zelf voor hun kind moeten zorgen, ook als ze er eigenlijk niet meer toe in staat zijn. Maar je bent ook echt een goede ouder als je ervoor zorgt dat je kind van iemand anders de juiste hulp krijgt.’

Lees door via 100% Digitaal

  • Toegang tot álle online artikelen
  • Altijd het nieuwste magazine
  • Korting op onze trainingen
Al vanaf €4,- per maand!
Al abonnee? Log in
  • Meer over

    Autisme

    Bij mensen met autisme werkt de informatieverwerking in de hersenen op een andere manier. Dit heeft invloed op gedrag en manier van communiceren. Er zijn verschillende vormen van autisme, zoals klassiek autisme, Asperger of PDD-NOS. Een diagnose is niet altijd eenvoudig te stellen, er zijn grote verschillen per persoon en tussen mannen en vrouwen.

    Bekijk dit thema

Dit vind je misschien ook interessant

Artikel

Vakantiekampen voor onzekere kinderen

Tijdens de bijzondere vakantiekampen Ster- en Maankamp fleuren onzekere kinderen helemaal op. Spelen...

Lees verder
Video

5 vragen over dwang

Steeds opnieuw controleren of het gas uit is, of erg bang zijn voor vuil: wanneer heb je echt een dw...

Lees verder
Artikel

Leer de taal van autisten

Lees verder
Artikel

Een robot als maatje, waarom niet?

Lees verder
Artikel

Hoe geef je échte aandacht aan je kind?

Lees verder
Advies

Ik zoek een relatiepsycholoog met verstand van asperger

Lees verder
Advies

Mijn man lacht me uit

Lees verder
Verhaal

‘Kinderen opvoeden mag best makkelijk zijn’

Lees verder