Autismekenmerk 1: Moeite met informatie verwerken

Kinderen met autisme vatten dingen vaak nét even anders op dan bedoeld. Ten eerste nemen ze wat je zegt soms te letterlijk. Een voorbeeld is een kind dat de opdracht krijgt ‘Ga in de wc even je handen wassen’ en haar handen in de wc-pot doopt. Ten tweede leggen ze soms verkeerde verbanden, zoals het kind dat ineens zijn favoriete groene pistache-ijs niet meer wil omdat zijn beste vriendje zei dat groenten vies zijn. Ook kunnen ze nieuwe informatie niet altijd even goed plaatsen. Iemand met autisme kent de gewone postbode misschien wel, maar kan vervolgens in de war raken van een eenmalige pakketbezorger voor de deur: wie is die man en wat komt hij doen? Verder kost het verwerken van informatie meer tijd dan gemiddeld. Als een nichtje vertelt dat ze een nieuwe hond heeft, kan je zoon met autisme een halfuur later midden in een ander gesprek vragen hoe die hond heet.


Zo kun je ermee omgaan:
Beperk je tot één boodschap tegelijk en formuleer zo kort mogelijk. Verval je in bijzinnen, bloemrijke omschrijvingen en figuurlijk taalgebruik, dan raakt een kind met autisme je waarschijnlijk snel kwijt.
Geef je kind de tijd. Merk je dat hij of zij nadenkt over een vraag, wees dan gewoon even stil. Nieuwe vragen zijn weer méér informatie om te verwerken.
Geef ‘ondertiteling’. Je kunt je kind bijvoorbeeld helpen de wereld te begrijpen door alles wat hij ziet te omschrijven: ‘Dat is de pakketbezorger, die komt een pakketje brengen dat ik heb besteld.’

Training

Ontspannen opvoeden

  • Ontdek hoe je als ouder positief en relaxed blijft
  • Omgaan met de emoties van je kind
  • Speciaal ontwikkeld om te volgen op mobiel
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

Autismekenmerk 2: Sociale onhandigheid

Er zijn talloze onuitgesproken sociale regels in ons dagelijks leven die voor kinderen met autisme niet zo vanzelfsprekend zijn. Vraagt je neefje hoe het gaat en antwoord jij: ‘Niet zo goed’, dan verwacht je dat hij vraagt wat er aan de hand is. Een autistisch kind zou er echter zomaar overheen kunnen praten, gewoon omdat hij de hint niet oppikt dat je ergens mee zit. Om dezelfde reden zou een kind dat in pyjama op de bank zit een smeekbede als: ‘Wil je je alsjeblíéft even gaan omkleden?’ kunnen opvatten alsof ‘nee’ ook een optie is.
Een andere uitdaging in sociale situaties is het herkennen van emoties in gezichtsuitdrukking, stem en lichaamstaal. Kinderen met autisme kunnen emoties van anderen daardoor ook door elkaar halen. Kinderen vragen hun ouders bijvoorbeeld of ze boos zijn, terwijl ze hooguit vermoeid zijn.

Zo kun je ermee omgaan:
Neem sociale onhandigheid niet persoonlijk. Als iemand met autisme eens lomp uit de hoek komt, heeft hij dat zelf waarschijnlijk niet eens door.
Reik sociale regels voor specifieke situaties aan. Begin eenvoudig, bijvoorbeeld: ‘Pak het laatste stuk vlees op een schaal niet zomaar, maar vraag eerst aan anderen of zij ook nog willen.’ Iets complexer kun je ook proberen: ‘Als iemand je vertelt dat het niet zo goed gaat, hoor je te vragen wat er aan de hand is.’
Geef concrete, neutrale aanwijzingen. Emotie in je stem leggen heeft weinig nut als je iets gedaan wilt krijgen van iemand met autisme. Tegen het kind dat nog in pyjama zit zeg je dus niet ongeduldig: ‘Wil je je alsjeblieft aankleden?’, maar: ‘Jij gaat je aankleden als de grote wijzer van de klok bovenaan staat.’

Autismekenmerk 3: Over- of ondergevoelig voor prikkels

Kinderen met autisme kunnen zowel over- als ondergevoelig reageren op zintuigelijke prikkels. Ze trekken bijvoorbeeld geen jas aan omdat ze kou amper voelen, maar kunnen zich wel de hele dag ergeren aan de naden in hun sokken. De gevoeligheden kunnen per persoon sterk verschillen. Terwijl de een met de handen over de oren staat als een alarm of schoolbel afgaat, hoort een ander de deurbel niet eens rinkelen als hij ergens mee bezig is. Weer anderen hebben een hekel aan aanraking door anderen, felle lichten of sterke geuren.

Zo kun je ermee omgaan:
Help prikkels te verminderen. Een kind dat slecht tegen omgevingsgeluid kan, kan tijdens zelfstandig werken een koptelefoon opzetten. Voor een kind dat zich ergert aan kleding, kun je naadloze en ruim zittende kleren kopen.
Leer prikkels relativeren en voorspelbaar en hanteerbaar maken. Wordt een kind onrustig van de maandelijkse sirene? Leg rustig uit dat er niks aan de hand is, dat dat geluid elke maand klinkt, en hoe hij ermee kan omgaan: het duurt 1 minuut en 26 seconden, je kunt je handen op je oren houden en de klok in de gaten houden totdat het voorbij is.
Geef bij onderprikkeling duidelijke regels. Iemand die geen kou voelt, leg je bijvoorbeeld uit dat hij iets warms moet aantrekken als hij kippenvel op zijn huid ziet.

Autismekenmerk 4: Een vol werkgeheugen

Veel kinderen met autisme vinden plannen en organiseren lastig. Ze hebben bijvoorbeeld geen idee waar te beginnen als ze hun kamer moeten opruimen. Of ze kunnen op school moeilijk schakelen naar iets anders als de eerste taak nog niet af is. Dat kan liggen aan een vol werkgeheugen. Soms leidt zo’n overvol hoofd tot een woede-uitbarsting.

Zo kun je ermee omgaan:
Merk je dat je kind moeite heeft zich te concentreren op je huiswerkuitleg, vraag hem dan gewoon eens waar hij met zijn hoofd zit. Misschien heeft hij een simpele vraag die je direct kunt beantwoorden. Dan kan hij dat onderwerp afsluiten en heeft zijn werkgeheugen weer ruimte voor andere taken.
Parkeer onderwerpen en vragen waarop je niet direct een antwoord hebt. Spreek duidelijk af dat je het er later opnieuw over hebt, inclusief specifieke dag of tijd. Zorg wel dat je dan inderdaad een antwoord hebt, anders werkt de ‘parkeermethode’ waarschijnlijk al snel niet meer.
Leidt de stress van een overvol hoofd tot een woede-uitbarsting, laat je kind dan even uitrazen, zolang hij geen gevaar voor zichzelf of de omgeving vormt. Praten heeft op zo’n moment geen zin. Evalueer achteraf samen de situatie. Hoe ontstond die uitbarsting en wat kun je een volgende keer doen om dat te voorkomen? Iemand met autisme kan vaak, eenmaal tot rust gekomen, best helder aangeven wat voor hem wel of juist níét goed werkt.

Bron: C. de Bruin en F. Naber, Dit is autisme! Van hersenwerking tot gedrag, Graviant Educatieve Uitgeverijen, 2017

[/wpgpremiumcontent]