Volgens Truus Wertheim-Cahen (55), een autoriteit op het gebied van creatieve therapie bij vroegere Indische kampkinderen, is de therapie ook zeer geschikt voor hulp aan vluchtelingen.

In onze familie was het not done dat je naar de kunstacademie ging. Ik was achttien en woonde in die tijd in Israël. Ik wilde iets met kunst doen n ik wilde mensen helpen. Je had daar de opleiding occupational therapy, vergelijkbaar met ergotherapie. Nee, bezigheidstherapie mocht je het beslist niet noemen, want naast handvaardigheid zat er ook veel psychologie en psychiatrie in.

Na de Tweede Wereldoorlog was dat vak erg in opkomst. Alleen pillen en praten hielp niet, mensen met psychische problemen moesten ook wat doen. Ik voelde me erg aangetrokken tot de psychiatrie. Op mijn 21ste ging ik werken op de gesloten afdeling van een psychiatrische inrichting. Daar zat ik met patiënten pitrieten mandjes te maken. Erg geestdodend, ik kreeg niet het idee dat ik in de praktijk bracht wat ik had geleerd.

Begin jaren zeventig ging ik met mijn man terug naar Nederland. Ik heb tot mijn kandidaats psychologie gestudeerd, daarnaast gaf ik veel handenarbeid-cursussen. In 1978 werd ik als expressief therapeute aangesteld bij Centrum ’45, een kliniek voor oorlogsslachtoffers. Ik had daar een prachtig atelier en werkte met gemengde groepen oorlogsgetroffenen: joodse mensen met hun partners, verzetsmensen, en in toenemende mate met mensen die in een jappenkamp waren opgegroeid. Echt gestructureerd ging het er allemaal niet aan toe. Ik stimuleerde mensen te tekenen en te schilderen vanuit de gedachte dat kunst helend was.

Het viel me op dat de oudere mensen, die de oorlog min of meer als volwassene hadden meegemaakt, zich heel anders uitdrukten. In tegenstelling tot de Indische kampkinderen, sprak uit hun werk meer een getuigenis: ze maakten ter ontspanning bijvoorbeeld maquettes en stillevens van concentratiekampen, gebaseerd op concrete herinneringen. De kampkinderen hadden niet van die concrete herinneringen. Wel hadden ze allerlei vage klachten, driftbuien, angsten. Zij liepen rond met herinneringen die ze niet in woorden konden uitdrukken, maar die wel van invloed waren op hun psychische gesteldheid. Ze reageerden ook anders op materialen, op kleuren. Een keer had ik voor een opdracht een bepaald stijfsel aangemaakt. Een patiënt ging daarvan helemaal door het lint. Later bleek dat stijfsel de geur te hebben van de pap die hij in het kamp moest eten.

Het viel me eveneens op dat sommige Indische kamp kinderen zich permitteerden te ‘spelen’ in creatieve therapie. Vroeger moesten ze altijd op hun hoede zijn. Die tijd haalden ze nu in. Ze konden voor het eerst kind zijn en weer ongestoord en onbekommerd spelen.

Op zoek naar de authentieke beleving

Beeldende expressie bij getraumatiseerden bood veel meer mogelijkheden dan ik dacht. Ik begon me steeds systematischer bezig te houden met creatieve therapie. Las Engelse boeken, volgde in Amerika diverse cursussen. Art therapy bleek een echt vak te zijn. Sinds een jaar of twaalf heb ik een eigen praktijk. Het overgrote deel van mijn cliënten, heeft een Indische achtergrond. Als zelfstandig therapeute bepaal ik zelf de inhoud van mijn therapieën. In Centrum ’45 werkte ik altijd in groepen en binnen een multidisciplinair team. Nu geef ik individuele therapieën. Daardoor kom ik dichter bij iemands authentieke beleving.

Cliënten komen meestal eens in de twee weken, gedurende twee, drie jaar. Een sessie duurt een klein uur; gedurende de helft daarvan is een cliënt aan het tekenen. Ik vraag veel naar de beleving, naar betekenissen. Ik ben getuige n klankbord. Naarmate ik een cliënt beter ken, zal ik meer over een tekening of beeld zeggen en kan ik er later op terugkomen. Maar ik interpreteer niet in een psychoanalytisch kader. Wat een beeld voor de cliënt zelf betekent, staat centraal. Het kan best zijn dat een tekening na een paar maanden een totaal andere betekenis krijgt.

Creatieve therapie bevat vier helende elementen, althans voor oorlogsslachtoffers. Wat je maakt, daarmee communiceer je. Naar jezelf toe, naar de therapeut, naar anderen die belangrijk zijn. Met woorden verhul je meer. Daarnaast haal je herinneringen op die invloed kunnen hebben op je psychische functioneren, waarmee ik beslist niet wil zeggen dat je bij iedereen die getraumatiseerd is, je moet richten op het ophalen van herinneringen. Ook kun je in creatieve therapie op een rituele wijze iets afsluiten, bijvoorbeeld door een werk aan iemand op te dragen, of een beeldje te maken voor je baboe van wie je nooit afscheid hebt kunnen nemen. En ten vierde maak je met je tekeningen een soort beeldende autobiografie.

Het kenmerkende aan de problematiek van Indische kampkinderen en andere ‘child survivors’ is dat ze vaak menen geen eigen geschiedenis te hebben. Het is de geschiedenis van hun ouders; zij zouden zelf te jong zijn geweest om die tijd bewust te hebben meegemaakt. Het werken aan zo’n beeldende autobiografie kan heel bevrijdend zijn. Met creatieve therapie probeer je uiteindelijk te bereiken dat getraumatiseerde herinneringen in het gewone geheugen geïntegreerd raken. Zo’n trauma moet niet meer die ingekapselde zweer zijn die opspeelt wanneer jij dat niet wilt.

Ik had een vrouw in therapie, die zeer bijzonder werk maakte. Ze praatte thuis nooit over haar kampverleden. Toen het tijd was de therapie af te ronden, heeft ze haar zoon gevraagd haar werk te fotograferen. Die foto’s heeft ze op een voor haar betekenisvolle manier geordend. Ze kocht op een rommelmarkt een ijzeren doos waar die foto’s in pasten. Op die doos grafeerde ze de zin ‘Mijn vader was soldaat.’ Haar vader, die in het leger zat, moest na de familiehereniging in 1946 terug voor de politionele acties en is daarbij omgekomen. Die doos was een persoonlijke uiting van haar levensloop. Haar problemen had ze ingekaderd, ze had er symbolisch een plek voor gecreëerd.

Hulp aan vluchtelingen

Oorlogen zullen er altijd zijn. Ik wilde meer met mijn expertise doen. Ik ben een aantal creatieve therapeuten die met asielzoekers werken, gaan superviseren. Het aantal vluchtelingen neemt enorm toe, velen kampen met psychische problemen. Vluchtelingen hebben ongeacht hun status recht op gezondheidszorg, hulp dus van een Riagg en medische hulp. In de praktijk blijkt die drempel vaak te hoog: leg een Somaliër maar eens uit wat een Riagg doet. Maar een Riagg zegt ook dat therapie pas zin heeft bij een basale zekerheid, zoals een verblijfsvergunning; elke sessie kan anders immers de laatste zijn. Bovendien zijn er enorme taalproblemen. Het is voor een getraumatiseerde vluchteling beslist niet makkelijk alles via een tolk uit te leggen. Vluchtelingen willen vaak ook geen therapie, bang als ze zijn om nog een stigma te krijgen.

Creatieve therapie lijkt me een laagdrempelig alternatief voor vluchtelingen. Niet dat ik denk dat de heilsboodschap daarvan moet komen; meer dan een pleistertje plakken kan het vaak niet zijn. Maar een zinvolle tussenvorm naar de reguliere zorg is creatieve therapie zeker. Geleidelijk is men er meer open voor gaan staan. Er kwam tijdelijk wat financiële steun van de Stichting Pharos, het landelijk steunpunt voor vluchtelingen. En de gemeente Utrecht verstrekt nog steeds subsidie voor creatieve therapie bij kinderen van asielzoekers die problemen op school hebben.

Creatieve therapie stelt vluchtelingen ook in staat te communiceren. Als je niet communiceert met mensen, dan isoleer n marginaliseer je. Daar worden mensen ziek van. Het is geen pretje in een asielzoekerscentrum te wonen. Het is er vaak smerig, er is veel ruzie, veel mensen zijn depressief en suïcidaal. Creatieve therapie biedt een uitlaatklep voor het wachten, het niets doen. Toneelspelen met volwassen mannen levert goede resultaten op; ze kunnen anderen op een actieve manier getuige laten zijn van hun verhaal. In Enschede bijvoorbeeld hebben asielzoekers zelf een toneelstuk geschreven en gespeeld. Ook hebben ze de muziek erbij gemaakt en de decors ontworpen. En in Amersfoort produceerden alleenstaande minderjarige asielzoekers onder begeleiding onlangs een videoproductie, een gangster-achtige film, gebaseerd op wat ze op televisie zien en waarin ze zelf alle rollen spelen. Als je vluchtelingen iets laat doen, neemt hun autonomie en zelfwaardering toe. Dat is zoveel meer bevorderlijk dan benadrukken dat ze geen verblijfsvergunning hebben en daarom niks mogen of kunnen.

Ik ben drie keer in Joegoslavië geweest om supervisie te geven voor een kleine ngo, een non-gouvermentele organisatie, die graag iets goeds wilde doen voor kinderen. Ja, ietsellipse Er pendelde een busje met plaatselijke hulpverleners tussen een paar kampen. Dat waren artsen, verplegers en ortho pedagogen. Ik probeerde de hulpverleners zo bewust mogelijk te maken hoe het is om met kinderen te werken, mee te gaan in hun spontaniteit. De bereidheid om te helpen is er, maar je voelt je zo machteloos in een kamp waar kinderen nauwelijks uitzicht hebben op verbetering. Van een echte behandeling kan ook geen sprake zijn, daar de traumatisering in die kampen gewoon doorgaat. Een creatief-therapeutische insteek door middel van schilderen en tekenen biedt kinderen echter wel geestelijke bewegingsvrijheid. Maar diagnoses op basis van tekeningen stel je in dit geval niet of nauwelijks.

Onlangs heeft de Engelse organisatie Warchild, die creatieve therapie aan kinderen in opvangkampen enorm propageert, mij aangetrokken als consultant. Binnenkort ga ik naar Kosovo en Albanië om mensen daar te trainen in het geven van creatieve therapie.

Aanvulling op reguliere therapie

Giel Hutschemaekers van het Trimbos-instituut heeft een onderzoek uitgevoerd dat een omwenteling in de geestelijke gezondheidszorg teweeg zal brengen. Therapieën moeten evidence-based en geprotocolleerd zijn. Tja, dat is niet altijd even simpel. Het protocolleren van creatieve therapie is nogal in tegenspraak met het wezen ervan, want er moet juist ruimte zijn voor improvisatie. Voor mijn eigen hachje vrees ik niet, daar ik vanuit de reguliere psychiatrie veel erkenning krijg voor mijn werk met getraumatiseerden. Maar ik kan me voorstellen dat creatief therapeuten, die bijvoorbeeld met anorexia-patiënten werken, het lastig krijgen.

En voor vluchtelingen? Die problematiek heeft zoveel facetten, dat is niet te reduceren tot alleen psychische problematiek. Feit is wel dat mensen gek worden als ze vier jaar moeten wachten in een asielzoekerscentrum. Als de reguliere hulpverlening die hoge drempels blijft houden, waarom zou je bij deze doelgroep creatieve therapie dan niet kunnen be schou wen als een vorm van recreatie met therapeutische elementen?

Het zal niet voor niets zijn dat ik dit werk doe. Maar ik weet niet hoe bewust de Tweede Wereldoorlog doorwerkt in mijn motivatie. Ik maak deel uit van een getraumatiseerd deel van de Nederlandse bevolking, zonder dat overigens te dramatiseren. Mijn vader heeft in Auschwitz gezeten, mijn grootmoeder is in de oorlog vermoord. Ik ben in 1944 in de onderduik geboren en opgegroeid tussen overlevenden van de oorlog, die min of meer expliciet de boodschap uitdroegen dat je in een vertrouwd gewaande omgeving plots niet meer veilig kunt zijn. Bij vluchtelingen herken ik hoe moeilijk het is te leven in een maatschappij waar de meeste mensen jouw verleden niet delen. De problematiek die daarmee samenhangt, fascineert me. Daar wil ik bij helpen.’

De tekeningen op pag. 48 en 49 zijn gemaakt in het kader van het project Creatieve Therapie van Bea Aldenberg en Astrid Valikani, beiden creatief therapeut. Informatie: Oase, Werkplaats beeldende expressie voor vluchtelingen, Molenstraat 74, 7514 dl Enschede, tel.: 053-4355135

Voor meer informatie:

– Stichting Pharos – Steunpunt Gezondheidszorg Vluchtelingen, Herenstraat 35, postbus 13318, 3507 lh Utrecht, tel.: 030-2349800, e-mail: pharos@pharos.nl

– Nederlandse beroepsvereniging voor creatief therapeuten (nvkt), Fivelingo 253, 3524 bn Utrecht, tel.: 030-2893086[/wpgpremiumcontent]