Schrik niet: het ‘verval’ van het menselijk lichaam begint al op dertigjarige leeftijd. Vanaf dan verliezen het lichaam en het brein steeds meer cellen. Tussen het dertigste en negentigste levensjaar raken de hersenen tien tot vijftien procent van hun gewicht kwijt. De meeste lichaamsfuncties gaan per jaar 0,8 tot 1 procent achteruit. Gelukkig hebben veel organen meer capaciteit dan ze nodig hebben: ze hebben dus nog een extra voorraadje cellen achter de hand. En omdat het proces van ouder worden heel langzaam gaat, zult u bij uw moeder pas rond haar vijftigste de eerste tekenen van ouderdom merken. Heeft ze aan topsport gedaan of verricht ze zwaar werk, dan was waarschijnlijk al eerder duidelijk dat ze haar oude niveau niet meer haalde.

Wat gebeurt er in een lichaam dat ouder wordt? Wat maakt dat onze ouders steeds langzamer worden en moeite krijgen met het onthouden van bepaalde dingen? De cellen waaruit ons lichaam is opgebouwd, zijn sterfelijk. Elke zeven jaar zijn alle cellen in ons lichaam doodgegaan en vervangen door nieuwe kopieën. Maar tijdens het kopiëren van cellen worden er vaak kleine fouten gemaakt, die bij het maken van de volgende kopie weer doodleuk worden doorgegeven. Het gevolg: steeds minder efficiënte cellen. Bovendien raken we cellen kwijt door ziekte en schadelijke stoffen in ons lichaam.

Het verlies van cellen en de toename van het aantal foutjes heeft gevolgen voor het functioneren van het lichaam. Zo wordt het stofwisselingssysteem langzamer en kan het lichaam minder voedingsstoffen opnemen. De lever, nieren en blaas zijn minder goed in staat om schadelijke stoffen buiten de deur houden en afvalstoffen af te voeren. De longen halen minder zuurstof binnen. Het hart verliest aan kracht, terwijl het juist harder zou moet pompen omdat tegelijkertijd de aderen vernauwen en verharden. Dat alles heeft ook gevolgen voor de hersenen. Die moeten het nu doen met minder zuurstof, minder voedingsstoffen en meer schadelijke stoffen. Bovendien verliest het brein zelf ook cellen. Zo bezien lijkt het een wonder dat onze ouders überhaupt nog functioneren.

Geheugenproblemen

Wanneer welke functie achteruit gaat, hangt onder meer af van lichaamsbouw, gezondheid en omgeving. Uit onderzoek blijkt dat hoger opgeleiden die sporten en een goede gezondheid hebben, minder ouderdomsverschijnselen vertonen. Stress zorgt juist weer voor een snellere aftakeling.

‘De meeste mensen zien vooral een achteruitgang van hun geheugen,’ zegt Margriet Sitskoorn, hoofd sectie Neurocognitie bij de divisie Hersenen in het umc Utrecht en directeur van het NeuroCognitief Centrum Nederland. Het geheugen wordt aangestuurd door de temporaalkwab, een hersengebied dat achter de oren zit. Omdat het aantal cellen afneemt, wordt het voor uw moeder moeilijker om nieuwe informatie op te slaan. En ook het terugvinden ervan gaat trager. Sitskoorn: ‘Het wordt met name lastig om dingen te onthouden die nergens mee samenhangen. Bijvoorbeeld telefoonnummers, of waar je je auto hebt geparkeerd. Ik zie bij het ziekenhuis waar ik werk elke dag oudere mensen naar hun auto zoeken op de parkeerplaats.’ Betekenisloze informatie als ‘tweede verdieping, parkeervak B’ of routebeschrijvingen zijn moeilijk vast te houden. Boodschappenlijstjes met de ingrediënten voor een bepaald gerecht zijn makkelijker in het geheugen te prenten dan losse boodschappen, omdat de verschillende onderdelen met elkaar samenhangen.

Een supermarkt die zijn indeling omgooit, heeft waarschijnlijk niet door welk effect dat kan hebben op oudere klanten. De vertrouwde route biedt dan geen houvast meer: in één klap gaan alle oude associaties verloren. En het kost tijd om weer nieuwe verbanden te leggen.

Concentratie en flexibiliteit

Hoewel (licht) geheugenverlies de grootste verandering lijkt, gebeurt er nog veel meer. Ook de frontaalkwab, een hersengebied in het voorhoofd, heeft namelijk te kampen met celverlies. Dit gebied regelt aandacht en het zogenaamde ‘hoger uitvoerend functioneren’: plannen maken, ze uitvoeren, en bijsturen als we nieuwe informatie krijgen. Celverlies in de frontaalkwab heeft dus gevolgen voor het gedrag.

Zo is uw moeder minder goed in staat om nieuwe activiteiten te verzinnen en dingen te ondernemen naarmate ze ouder wordt. Sitskoorn: ‘De opstarttijd om iets te ondernemen wordt langer. Op je dertigste denk je nog: hop, jas aan en wegwezen. Na je vijftigste heb je meer tijd nodig. Er wordt meer gedreuteld.’

Als ze iets gaat ondernemen, wordt ze bovendien minder flexibel in het bijstellen van die plannen. Wanneer afspraken ineens worden omgegooid, heeft ze meer moeite met omschakelen. Spontane acties, verrassingen en last-minute reizen doen het dan ook beter bij jongeren dan bij ouderen. En met een onverwacht bezoek doet u uw moeder misschien niet altijd een plezier.

De frontaalkwab zorgt ook dat we meerdere dingen tegelijk kunnen doen. Sitskoorn: ‘Vergelijk het met een dirigent, of een manager. Hij stuurt meerdere activiteiten tegelijk aan en houdt het overzicht.’ Maar waar we op ons dertigste vier dingen tegelijk konden doen, zijn dat er maar één of twee na ons vijftigste levensjaar. Autorijden in druk verkeer wordt bijvoorbeeld lastiger, vooral als we intussen ook nog een gesprek voeren. We hebben steeds meer concentratie nodig bij de dingen die we doen.

En die concentratie neemt nu juist ook af. Hoe ouder we worden, des te sneller zijn we afgeleid door wat er om ons heen gebeurt. Zo lijkt het misschien alsof uw moeder minder aandacht heeft voor verhalen van anderen dan ze vroeger had. Maar waarschijnlijk speelt de ouderdom hier een rol: ze wordt sneller afgeleid, kan minder goed met meerdere dingen tegelijk bezig zijn en minder goed onthouden wat er allemaal wordt verteld.

Vergeetachtigheid

Verstrooidheid, zoals vergeten de wekker te zetten of medicijnen in te nemen voor het slapen gaan, heeft vooral te maken met foutjes in het werkgeheugen, dat eveneens wordt aangestuurd door de frontaalkwab. In het werkgeheugen slaan we tijdelijk informatie op die we willen bewerken. Iemand die bijvoorbeeld een reeks cijfers achterstevoren wil opzeggen, probeert de cijfers vóór zich te zien. Hij slaat ze dan op in zijn werkgeheugen om ze er vervolgens één voor één weer uit te halen. Wanneer het werkgeheugen door celverlies minder efficiënt wordt, kan uw moeder minder goed onthouden wat ze moet doen. Sitskoorn: ‘Iemand kan al haar afspraken netjes in haar agenda zetten, maar als ze er niet aan denkt om in haar agenda te kijken, vergeet ze ze alsnog.’ Ook zal ze bijvoorbeeld vaker de trap oplopen om iets te halen, om onderweg te vergeten wat ze boven ging doen. Het werkgeheugen kan die tijdelijke informatie niet meer goed vasthouden, en onderweg naar het doel is ze sneller afgeleid door de dingen om haar heen.

Ook het leren programmeren van een videorecorder en het leren gebruiken van een mobiele telefoon of ander modern apparaat zijn klassieke voorbeelden van vaardigheden waar we vanaf ons vijftigste meer moeite mee krijgen. Dat heeft te maken met achteruitgang van de frontaalkwab en celverlies in de hippocampus, een belangrijk gebiedje in de temporaalkwab, dat essentieel is bij het oplossen van nieuwe problemen. Bovendien moet je voor het bedienen van nieuwe snufjes vaak verschillende losse handelingen onthouden die geen logische samenhang hebben, en dat werd nu juist moeilijker met de jaren.

Hersenfitness

Minder geheugen, minder concentratie en minder vermogen tot plannen: het stemt allemaal niet vrolijk. Gelukkig is er ook goed nieuws: er valt veel aan te doen. Margriet Sitskoorn: ‘Tot nu toe hebben we altijd gedacht dat we de achteruitgang voor lief moeten nemen. Maar uit recente studies blijkt dat dat helemaal niet zo hoeft te zijn.’

Van de hersenen is lang gedacht dat ze geen nieuwe cellen kunnen genereren. Maar sinds enkele jaren is duidelijk dat de hippocampus, een belangrijk onderdeel van de temporaalkwab, gedurende het hele leven cellen blijft aanmaken. En wat blijkt nu bovendien: wanneer we op de juiste manier bewegen of denkactiviteiten verrichten, gaat de hippocampus méér cellen aanmaken. 55-plussers die aan fitness doen, presteren na zes maanden duidelijk beter op denktaken dan de niet-sportende controlegroep. Bij mensen ouder dan 65 jaar (en dan met name bij vrouwen) blijkt het effect het grootst te zijn. Fitnessprogramma’s die krachttraining en conditietraining combineren, minimaal een halfjaar lang en een half uur per sessie, werken het beste.

De vooruitgang zit met name in het vermogen om informatie te organiseren en structureren, en plannen te maken: precies die vaardigheden die het meest achteruitgaan bij het ouder worden. Aanvullend onderzoek heeft aangetoond dat de verbetering niet alleen in het gedrag zichtbaar is, maar ook in de hersenen. Sportende ouderen hebben meer hersencellen, en inderdaad juist in die delen van de hersenen die het meest te lijden hebben onder de ouderdom.

Volgens Sitskoorn is het nog beter om naast fitness ook het brein te stimuleren met denktaken. ‘Door sport worden nieuwe cellen aangemaakt; daarna moeten ze ook op de juiste manier gestimuleerd worden om actief te worden.’ De onderzoeksgroep van Sitskoorn heeft daarom in het NeuroCognitief Centrum (nccn) twee trainingen ontwikkeld. De training Cognitieve Fitness richt zich met een speciaal fitnessprogramma op het positief beïnvloeden van het geheugen, het concentratievermogen en het plannen van gedrag. Een andere cursus traint het brein met denktaken, bijvoorbeeld met computerspelletjes.

Sitskoorn: ‘Er bestaat dus een goedkope en gemakkelijke manier om iets te doen aan de achteruitgang van het brein. Het is jammer dat weinig mensen dit nog weten, want het is zó duidelijk bewezen.’

Informatie over cognitieve trainingen: NeuroCognitief Centrum Nederland (NCCN) Niasstraat 1, 3531 WR Utrecht, 030-2919927, e-mail: nccn@neurocognitiefcentrum.nl[/wpgpremiumcontent]