Wie ben je?

‘Ik ben iemand met een levendige fantasie. De personages in mijn boeken doen elkaar zo nu en dan de afgrijselijkste dingen aan. Niet dat ik die dingen zelf direct zou doen, maar ik denk wel eens: als je mij de ruimte gaf, als iedereen inclusief God nou even z’n ogen dichtdeed, dan zou ik die-en-die best kunnen vermoorden. Dan pakte ik mijn geweer en loste ik dat heerlijke schot.

Wat mij altijd heeft gefascineerd, is de what if­-­kwestie. What if the worst should come to happen? Tot hoever kun je iemand drijven voordat-ie flipt? Ik denk dat mensen veel kunnen verdragen voordat ze loos gaan. Ze doen heus hun best om fatsoenlijk te blijven, ook al is het vreselijk moeilijk om mens te zijn: je zit vol tegenstrijdigheden en hebt zoveel potentie voor verdriet en pijn. Maar dan. Als de omstandigheden ook nog eens een keer onfatsoenlijk worden, hoe blijf je dan een fatsoenlijk mens?

Iedere split second kan je leven als een tapijt onder je voeten worden weggerukt, er kan zomaar iets gebeuren waardoor alles op losse schroeven komt te staan: alles waarop je vertrouwde en waarvan je dacht dat het onderdeel uitmaakte

van je identiteit. Het veilige, het bekende waar we zoveel houvast aan ontlenen en wat ons tezelfdertijd ook altijd een beetje de keel uithangt, het kan ons zomaar uit de vingers glippen. Hoe houd je in die situatie het hoofd boven water? Dan komen er primitieve impulsen naar boven die je onder normale omstandigheden kunt verbloemen en bedekken. Het wordt dan ieder voor zich en God voor ons allen. En dán wordt het interessant.

Dat derailleren doet zich voor in duizend verschillende gedaantes en steeds vind ik het weer mateloos interessant. Zo rond mijn achtste boek begon ik erachter te komen dat het bij mij altijd daarover gaat. Het kan heel alledaags zijn, zoals in mijn nieuwste boek, waarin iemands moeder door een hersenbloeding van het ene op het ­andere moment volkomen matteklap wordt. Maar het kan ook heel extreem zijn, zoals in Zonder genade, waarin een kind onverwachts wordt doodgeschoten in de disco.

Ik denk dat ik zelf niet zo snel zal derailleren. Omdat ik houvast vind in het schrijven. Schrijven is mijn reddingsboei. Toen mijn moeder tweeëneenhalf jaar geleden een herseninfarct kreeg, was ik eerst volkomen in paniek. Maar vrij snel wist ik: “Ja, Renate, hier ga je natuurlijk een keer een boek over schrijven.” Ik klop dit nu meteen af, hoor! Wie weet vlieg ik krijsend in de gordijnen als ik voor de volgende crisis sta. Zoals in de eerste jaren dat ik me had. Toen ben ik het meest tot het uiterste gedreven in mijn leven. Doordat ik niks meer kon, viel iedereen om me heen weg. Ik heb het toen zó uit moeten vechten met die fundamentele menselijke eenzaamheid. Ik kon geen bal en zat half gestikt in mijn lijf. Als er geen levende bewijzen om je heen zijn dat je liefde en aandacht waard bent, dan is het heel moeilijk om te geloven dat er nog iets in jou aanwezig is dat nog een klein beetje de moeite waard is. Ik voelde me zó’n ontzettende mislukkeling en zó’n loser.

Het wonderlijke is dat je het op een gegeven moment niet meer kunt opbrengen om je zo ongelukkig te voelen. Het vraagt gewoon te veel van je, en dan zet je er een streep onder. Ik heb toen de conclusie getrokken: allemaal staan we er ten diepste helemaal alleen voor, en ik heb tenminste nog het voorrecht gehad dát te mogen ontdekken. Sindsdien ben ik niet meer bang voor eenzaamheid. Of je nou gelukkig bent of eenzaam, het is maar een staat van zijn. Is het nou zo vreselijk belangrijk hoe je je voelt? Ik heb in die periode, net zoals nu, mooie boeken geschreven, dus het maakt helemaal niks uit.’

Wat was een keerpunt?

‘Toen mijn zus van die flat sprong. Zij was 20, ik 27. Het is de meest vormende ervaring in mijn leven geweest. Van zoiets heftigs gaan de raderen van schuld pas echt draaien. Mijn schuld­gevoel was zo monsterlijk groot dat ik dacht: “Dit valt nooit te delgen. Hier valt geen boete meer voor te doen, dit is te veel wat ik op mijn geweten heb, dit is te erg.” Nóg kan het me ­onverhoeds overrompelen. Laatst kwam ik een oud-klasgenoot van haar tegen, een leuke vrouw van begin veertig. Werd ik opnieuw verpletterd door een verdriet dat nergens anders mee te vergelijken is. Als het balletje net even anders was gerold, had hier mijn zus kunnen staan, ging het door me heen. Dan had ze óók een normaal leven gehad, net als ieder ander met zijn ups en zijn downs, in plaats van al twintig jaar stom een beetje dood zitten zijn. Ik voelde weer die wanhoop: verdomme, ik had iets moeten doen! Had ik haar die avond maar gebeld, dan was ze niet gesprongen. Je weet met je verstand dat het ­megalomaan is om te denken dat je iets had moeten doen of moeten laten, maar toch… Je gevoel schreeuwt iets anders.

Mijn zusje heeft diverse zelfmoordpogingen gedaan, dat maakt het schuldgevoel alleen maar groter. Waarom deed ik nou niks? Druk met mijn eigen besognes denk ik, maar je wílt het ook helemaal niet zien. Het is zó naar. Je kijkt er wat langs. Het is echt waardeloos, zo’n zelfmoord. Veel erger dan welk ander sterfgeval dan ook. Als iemand van wie je veel hebt gehouden, zelf heeft verkozen niet meer te willen leven, dat is zó iets dramatisch. Je voelt jezelf mislukt, verdoofd, je gaat aan jezelf twijfelen.

Verdriet, daar zit nog een zuiverende werking aan, als je het durft te ondergaan tenminste. Ik denk dat we verkiezen ons schuldig te voelen om daarmee ons verdriet weg te kunnen drukken. Schuld is onze vlucht­heuvel. Maar schuld, daar zit geen enkele schonende werking aan. Het blijft moerassig, drabbig en naar, je wordt er geen completer mens van.

Mijn boeken zijn lange tijd over dat schuld­gevoel gegaan; het was mijn werkkapitaal, zonder dat ik het in de gaten had. Pas bij mijn vijfde boek kwam ik erachter wat ik de hele tijd had zitten doen. Ik had mijn personages van balkons laten vallen en van torens laten springen, maar ze gingen nooit dood: ik gaf ze altijd vleugels. Al schrijvend kwam ik erachter dat ik daarmee probeerde goed te maken dat ik mijn zusje niet had gered. Ik was boete aan het doen. Dat is trouwens iets waarvan ik heilig ben overtuigd, en waar mijn personages altijd mee worstelen: wanneer je iets fout hebt gedaan, dan kun je alleen maar verder leven als je er boete voor doet. Alleen dan kun je in het reine komen. Schuld en boete, die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.’

Waar geloof je in?

‘In dankbaarheid. Een levensreddend beginsel! Het klinkt vreselijk eo, maar ik hoef maar even een brief te gaan posten en terug te komen in mijn mooie fijne huis, en mijn hart springt op. Dan denk ik: “Wat ben ik bevoorrecht!” Dankbaarheid is een heerlijke emotie. Je voelt werkelijk je hart opengaan. Je neemt er ook je juiste plaats in de schepping door in. Het is niet je eigen verdienste, het is je maar toegevallen, je hebt geluk gehad. Dank, o kosmos! Dank, o kosmos! Dat is een gevoel dat ik heel vaak heb. Als ik de eekhoorns in de tuin zie, of er valt iets mee, dan voel ik me bevoorrecht. Als je dat gevoel koestert, geef je jezelf een kans op geluk. Ik betrap me er voortdurend op dat ik eigenlijk altijd aan het dankzeggen ben. Ik ben al blij als ik een nacht lekker slaap. Dan doe ik ’s ochtends mijn ogen open: “O, wat heb ik toch heerlijk geslapen, dank voor het heerlijke slapen!” Zo ben ik dus de hele dag aan het mompelen. Bespottelijk, maar ik vind het fijn.’

Wat zou je willen veranderen?

‘De harteloosheid. Het ongeduld. Mensen die meteen tegen je beginnen te schreeuwen als je net die ene parkeerplaats inrijdt waar zij hadden willen staan. Bij Albert Heijn rossen ze je met kar en al de diepvries in als je staat te treuzelen. Kinderen en ouderen, de kwetsbare groepen in de samenleving, laten we aan hun lot over, terwijl onderwijs en gezondheidszorg de pijlers zijn voor een beschaafde samenleving. Ik hoop dat de moeder van Balkenende dement wordt. Dan ziet hij eens hoe die vreselijke huizen zijn waar je de rest van je leven mag gaan zitten vegeteren, en dan doet hij er hopelijk iets aan. Schandalig is het.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Elke leeftijd kent zijn eigen geluk. Als je 18 bent, vind je het geweldig dat je je eigen plaats gaat innemen. Je hebt het gevoel dat de wereld van jou is en bent nergens bang voor. Jonge mensen zijn mooi, inspirerend, zo aandoenlijk. Als je ouder wordt, is het voordeel dat het leven wat gemakkelijker wordt. Je leert bijvoorbeeld dat alles voorbij gaat, dus ook het beroerde. Dat is troostrijk. Ik kan nu ook heel goed het absurdistische van de dingen zien. Mijn moeder raakte na haar infarct haar gebit kwijt en ze smeerde alles onder de poep. Daar schiet ik dan machteloos over in de lach: een soort zielsmassage waar­door je weer verder kunt.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Maarten en ik hebben vijftien jaar een relatie. Wij zijn aan elkaar verknocht, maar we wonen niet samen. We hebben het vertrouwen dat de band die wij hebben, er gewoon ís. Ik word nooit ’s ochtends wakker met het idee: “O help, denkt hij nog aan me? Geeft-ie nog om me?” Ik voel een enorme vrijheid in diepe verbondenheid. Dat paradoxale vind ik leuk. Volgens mij is loslaten de ultieme daad van liefde. Let the free winds of heaven blow between us, zegt een van mijn ­favoriete dichters.

Samenwonen zou voor ons niet werken. Latten is trouwens erg goed voor de seks, elke keer heb ik weer zin om er wat van te maken. Iedere vrijdag­middag zit ik met kloppend hart thuis: zo­ meteen is-ie er! Wie heeft dat nou na vijftien jaar? Ik vind het ook fijn dat hij niet alles van mij weet. En me niet op al mijn momenten ziet. Ik wil geen gezelschap als ik een kuthumeur heb. Daar verontreinig je de liefde alleen maar mee. Wij hebben ook nooit dat dagelijkse gekrakeel over niks. De meeste ruzies tussen stellen gaan over het dopje van de tandpasta en de was die niet is opgeruimd. Wij kijken naar het leuke, en het minder leuke slaan we gewoon over.

Maarten verrijkt mijn leven. Omdat hij zo origineel is. Als ik het echt niet meer weet, komt hij altijd met een oplossing die ik zelf nooit zou hebben bedacht. Wat ik van hem heb geleerd, is royaal zijn. Laat het maar rollen, onthaal mensen maar, dan komt het vanzelf bij je terug. Daar beleef ik zó veel plezier aan. De kinderen in mijn omgeving mogen op mijn kosten hun rijbewijs halen. Als ze 18 worden, mogen ze een avond mee naar het casino, en de winst mogen ze houden. Zou ik allemaal zelf nóóit hebben bedacht.

Ik hoop dat Maarten en ik samen oud worden. Maar ja, hij kan morgen dood neervallen. Of er komt wat anders tussen. You never know. In het leven moet je flexibel blijven. Het helpt om je ervan bewust te zijn dat je, wat er ook gebeurt, altijd moet proberen maar met de stroom mee te gaan. Schiet dus niet bij elke verandering in de stress. Het leven is nu eenmaal vrij onbeheersbaar, het is allemaal chaos en toeval. Als we ons vastklampen aan zekerheidjes, dan vergaat onze hele wereld wanneer die zekerheidjes wegvallen. Ga er dus maar van uit dat er niks te controleren valt, dan kan het alleen maar meevallen.’

Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor, Contact, € 17,90

Psychologie Magazine geeft 20 exemplaren weg. Interesse? Kijk op www.psychologiemagazine.nl.[/wpgpremiumcontent]