Wie ben je?

‘Ik ben een beetje het tegenovergestelde van “gezellig”. Gisteravond was ik bij Bart, mijn vriend. Hij wilde dat ik bleef slapen, maar ik had vandaag zo veel te doen dat ik naar mijn eigen huis ben gereden. Ik zit altijd met een strakke planning in mijn hoofd: twee uurtjes voor die, drie uurtjes voor dat. Dat moet wel, omdat ik iedere dag een paar uur wil vrijhouden voor het schrijven. Dat is míjn plek en die heb ik hard nodig.

Ik schrijf sinds mijn vijfentwintigste. In die periode kreeg ik het gevoel dat mijn leven aan het dichtslibben was: man, kind, werk, elk facet van mijn leven werd bepaald door anderen. Schrijven bood me de mogelijkheid om iets helemaal voor mezelf te hebben. Natuurlijk lag het me ook goed, anders had ik dat niet gekozen. Ik heb het altijd in me gehad. Papgemakkelijk vond ik het als kind, opstelletjes schrijven op school.

Ik hou van woorden. Wil me erin verliezen. Ik ben ook een veelvraat: schrijf boeken, essays, interviews. Ik ben denk ik gaan schrijven vanuit de frustratie dat je het niet kunt zeggen: het schrijven begint daar waar het spreken ophoudt. Dikwijls vind ik het moeilijk om in verbale communicatie uitgelegd te krijgen wat ik wil zeggen. Als er iets fout gaat in relaties, in vriendschap of op het werk, dan wordt gezegd dat je er met elkaar over moet praten. Mijn ervaring is juist dat dat meestal niet lukt. Ik vind het verbijsterend hoe zelfs de meest eenvoudige boodschap niet overkomt. Je zegt: “Dit is een glas,” en de boodschap wordt: “Dit is een kopje.” Dat komt volgens mij door de afweermechanismen van de andere partij. Mensen schieten snel in de verdediging. Je geeft kritiek en pats! je krijgt de bal keihard teruggekaatst. Waarom is het voor de ander nou zo lastig om te zeggen: “Sorry, misschien had ik het anders moeten doen, misschien was het beter geweest als ik…”?

Wat mij aan de menselijke natuur blijft verbijsteren, is het onvermogen tot echt contact, de grote onwil van mensen om maar te begínnen met luisteren. Je hebt van die mensen… vooral mannen van een jaar of zestig, daar kom je met een drilboor nog niet doorheen. Ik kan daar vrij gek van worden, heb soms last van serieuze depressiviteit doordat ik anderen niet kan bereiken. Toch heb ik gelukkig ook de gave de zon opnieuw te kunnen zien schijnen, passie en bevlogenheid te voelen. En, wat ik zo langzamerhand heb geleerd, is dat ik het niet persoonlijk hoef te nemen als ik op een muur stuit bij iemand. Te vaak heb ik gedacht dat het aan mij lag. Van huis uit ben ik altijd erg onzeker geweest. Stond er een negatieve recensie over een boek van mij in de krant, werd ik opnieuw dat onzekere meisje dat tegenover haar vader stond en goedkeuring wilde: “Kan ik nou schrijven of niet, ben ik nou een interessant persoon of niet?” Bij mijn vader stond het licht de ene dag op groen, dan op rood, en dan op oranje. Inmiddels weet ik: ik ben geen fantastisch mens, ik ben geen genie, ik zal waarschijnlijk nooit de Nobelprijs winnen, maar ik ben geen slecht mens.

Maar over dat communicatieprobleem: zelfs met schrijven los je dat niet helemaal op. Want ook al vind je op papier de formulering voor wat je denkt, dan nóg kun je verkeerd begrepen worden. Veel mensen zijn luie lezers. Neem bijvoorbeeld mijn nieuwe boek, De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze. Dat gaat over een schrijfster die erover twijfelt of ze nu wel of niet zal schrijven over wat er tussen die Victor en Clara is gebeurd. Maar de recensent van nota bene de nrc maakte er ijskoud van dat die schrijfster geen onderwerp kan vinden. Mensen wíllen dus iets lezen wat er niet staat. Dat vind ik vermoeiend en beangstigend. Maar gelukkig is het omgekeerde ook waar, hoor. Dat mijn boodschap-in-de-fles perfect overkomt bij een lezer. Sommige mensen dragen een boek van mij met zich mee als een bijbel, helemaal versleten van het vele gebruik. Dat ontroert me.’

Waar geloof je in?

‘Dat je niet te veel mag verwachten van mensen. Voor je welzijn en je geluk moet je niet te afhankelijk zijn van anderen. Mensen zullen altijd in gebreke blijven. Ze zijn maar mensen, ze kunnen het niet allemaal voor jou invullen. Toen ik jong was, dacht ik dat je als vrienden of partners over alles kunt praten en altijd voor elkaar klaarstaat. Dat ideaalbeeld wordt nog altijd voortdurend bestendigd en gevoed door de media. Maar ik vraag mij steeds meer af: wat betekent dat nou eigenlijk, vriendschap? In elke vriendschap ontdek je op een gegeven moment dat er een gebied is dat je niet hoeft te betreden omdat daar geen mogelijkheid is tot echt begrip of communicatie. Er zullen altijd deuren zijn die gesloten moeten blijven. Er zijn zó veel dingen die je elkaar niet kunt vertellen. Maar dat mag niet hardop worden gezegd, heb ik gemerkt. Mensen vinden dat schokkend.’

Wat was een keerpunt?

‘Ik noem hier niet de wiegendood van mijn twee zoontjes of het overlijden van mijn man Herman. Dat is misschien mijn optimisme: ik weiger die gebeurtenissen als een keerpunt te zien. Natuurlijk, ik denk veel aan die jongetjes en ook aan Herman, ik mis ze verschrikkelijk. Als Herman vandaag op de stoep staat, neem ik hem meteen terug, dat zou Bart maar moeten begrijpen. Het zou ingewikkeld worden, want ik zou ze allebei willen.

Verdriet, daar leef je iedere dag mee, maar ik heb het niet willen aanvaarden als een noodlot dat mij overkomt. Ik verzet me tegen die traditionele vrouwenrol: zo’n diepgebogen rouwende vrouw in het zwart, die is getroffen door een zwáár lot. Als vrouw hoor je ook te vinden dat de geboorte van je kind een keerpunt is, maar zo ervaar ik het niet; ik wens mijn leven niet te verbinden met mijn sekse.

Wat in mijn leven echt beslissend is geweest, is dat ik rond mijn twintigste een tijdje in Amsterdam studeerde en de Nederlandse volksaard leerde kennen. Dat was bevrijdend. Ik was in een Belgisch niksdorp opgevoed met het idee dat je de dingen ondergaat, passief bent in het leven. Nederlanders hebben het tegenovergestelde: ­ondernemingszin. Ze bedenken iets, en ze gaan het vervolgens meteen uitvoeren. “Gewoon even doen,” zeggen Nederlanders dan.

In België had ik mij lang een ter dood veroordeelde gevoeld die richting schavot ging. Dat schavot was: huwen, zwanger worden, in zo’n doorsneehuis wonen in zo’n doorsneewijk, en zorgen voor je gezin. De vrouwen in de buurt waar ik opgroeide, zagen er allemaal hetzelfde uit: permanent, blusher op hun wangen, lippenstift en parelsnoeren. Van die vrouwen die geen zin kunnen zeggen zonder dat daar de woorden “mijn man” in voorkomen. Jaren zat ik met de angst: mijn god, ik ga ook die kant op. In Nederland leerde ik dat ik me niet schuldig hoef te voelen over mezelf, dat ik gewoon mag doen wat ik het liefst wil doen.’

Wat zou je willen veranderen?

‘Ik trek mij te vaak dingen aan. Ik zou minder snel van slag willen zijn, kritiek niet meteen willen ervaren als een totale afwijzing. Erg hè, ik ben vijftig, maar kan zo, pats!, ineens terugvallen naar het kindstadium.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Ouder worden is alleen écht een probleem als je niet gezond meer bent of geen energie meer hebt. Wat ik soms wel jammer vind aan ouder worden – en dat is een eerlijk antwoord – is dat ik voor een stukje mijn aantrekkelijkheid kwijt ben. Dat begint al vroeg: na drie zwangerschappen kun je het vergeten om ooit nog een bikini te dragen. Je vlees verlept, en we kunnen wel doen alsof dat niks uitmaakt, maar het maakt wél uit. Mannen vinden een jonge vrouw gewoon het meest sexy. In onze westerse wereld bestaan negatieve beelden over oud worden, en ik wil echt mijn best gaan doen om me daar niet door te laten beïnvloeden. Bart is tien jaar jonger dan ik, en ik merk bij mezelf een grote onzekerheid ten opzichte van hem, ook al geeft hij daar geen aanleiding toe. Ik heb de laatste tijd van die ­actiepuntjes, dan spreek ik mezelf toe: “Kristien, je moet ophouden met van jezelf te denken dat je wel niet aantrekkelijk zult zijn.” Maar dat is best lastig hoor, om jezelf daarvan te overtuigen.

In onze maatschappij bestaat een duidelijk beeld over wat een aantrekkelijke vrouw is, en dat wordt ons continu ingepeperd. Ik denk dat veel vrouwen met kleine borsten zoals ik denken: “Om écht aantrekkelijk te zijn, moet je toch minstens een C-cup hebben, en bij voorkeur een D-cup.” Zelfs als je daar niet wakker van ligt, zegt een deel van jou dat het tóch beter zou zijn om die grote borsten te hebben. Het is moeilijk om dat ideaalbeeld helemaal te negeren. Ik zou zelf ook graag 1 meter 80 zijn met een slanke taille. Het lijkt me fantastisch om zo’n onweerstaanbare, sexy vrouw te zijn. Er zijn schoentjes en jurkjes en bloesjes die je alleen kunt dragen als je dat ideale lijf hebt. Sommige schoentjes voor vrouwen zijn zo rank, met een minuscuul lintje en flinterdunne hakjes. Maar aan de andere kant denk ik: als ik echt zo’n stoot was geweest, wat zou ik dan een verschrikkelijke dingen hebben aangericht. Ik probeer het dus maar los te laten.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dat er iets onverklaarbaars aan is. Je kunt onmogelijk rationeel uitleggen waarom je die ene persoon wilt, en niet die ander. Het heeft met geur te maken, met stem, met iets eenvoudigs als in iemands buurt willen zijn. Ik vind het nog steeds een mirakel dat je steeds seks wilt met die ene persoon, ook al is die seks in feite steeds hetzelfde. Bart en ik zijn nu zes jaar bij elkaar, en als ik hem na een week reizen terugzie, dan verlang ik er al naar: mmm, over een halfuurtje is het zover! Die lichamen willen elkaar dan opzoeken, worden telkens opnieuw naar elkaar toe gezogen.

Seks is voor mij een enorme bron van energie. Dat had je niet verwacht van een vijftigjarige, hè? Maar toch is het zo. Als je goed gevreeën hebt, is al het andere niet meer zo belangrijk. Dan ga je niet zitten zeuren: “Waarom heb je geen schone sokken aangetrokken?” Vaak zie je in relaties dat die dingen belangrijk worden omdat de seks slecht is. Naar mijn gevoel is het een vergissing om dan bij elkaar te blijven; het leidt alleen maar tot maagzweren, rugpijn en migraine. Je kunt beter uit elkaar gaan en elkaar de gelegenheid geven iemand anders te ontmoeten. Uiteindelijk houd je zo’n seksloze relatie namelijk niet vol. Ik zie mensen van mijn leeftijd die nu aan het scheiden zijn om die reden. Ze zien het als hun laatste kans om nog iets aan hun leven te veranderen. Maar na vijfentwintig jaar huwelijk uit elkaar gaan, dat is wel dramatisch.

Natuurlijk is seks niet het enige in de liefde. Voorafgaand aan de seks moet je ook wel kunnen praten met elkaar, elkaar kunnen bellen en dan iets vertellen, betrokken zijn bij elkaar. Liefde is een soort potgrond, een plek waar je tot rust komt en waar je energie vindt. Maar het is ook niet zaligmakend. Het is geen middel om je niet alleen te voelen, want dikwijls ben je toch wel alleen. Dat “helemaal en altijd en overal”, dat bestaat gewoonweg niet. Je kunt niet al je heil zoeken bij één persoon. Een relatie kan nooit al je noden en verlangens vervullen.’[/wpgpremiumcontent]