Een bezorgde moeder schrijft een brief naar de problemenrubriek van het Franse tijdschrift Psychologies. De onderwijzeres van haar vierjarige zoontje heeft haar bij zich geroepen, omdat het jochie een kerstman heeft getekend met een afgehakt hoofd. ‘Is dit werkelijk zo erg?’, vraagt zij in haar brief aan de psychologe.

Training

Denk je slank

  • Ontwikkel een sterke wilskracht
  • Ontdek eetgewoontes die bij je passen
  • Afvallen met blijvend resultaat
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

Tekeningen kunnen een uiting zijn van gedachten, gevoelens, fantasieën, interesses, zorgen en waarnemingen van kinderen. Je kunt eruit afleiden in welk ontwikkelingsstadium een kind zich bevindt. Maar wie veronderstelt dat tekeningen een directe afspiegeling zijn van de emotionele toestand van een kind, kijkt alleen naar het eindproduct en niet naar de achterliggende processen tijdens het tekenen zelf. De psychologe stelt de moeder dan ook gerust door op te merken dat het kind wel allerlei bedoelingen gehad kan hebben, die in de uiteindelijke tekening niet naar voren komen. Misschien heeft hij zijn ‘verstand verloren’, of misschien wist hij niet zo goed hoe het hoofd van de kerstman eruit ziet.

Hoe volwassenen soms misplaatst hun eigen kennis en ideeën projecteren op de tekeningen van kinderen, staat mooi beschreven in het boekje De Kleine Prins van Antoine de Saint -Exupéry. Het jongetje van zes leest in een boek hoe een

boa constrictor zijn prooi in zijn geheel inslikt. Hij tekent zijn eerste tekening:

Hij laat zijn tekening aan volwassenen zien en vraagt of ze er bang van worden. ‘Wie zou er nu bang zijn voor een hoed?’, antwoorden zij. De tekening stelt echter een boa constrictor voor, die bezig is een olifant te verteren. Omdat ‘grote mensen altijd bij alles uitleg moeten hebben’, past hij zijn tekening aan:

Vrede, gezondheid en een nintendo

In de zomer van 1999 vroeg het Humanistisch Verbond in een project over ideaalbeelden van kinderen en ouderen, aan kinderen van acht tot twaalf jaar, om een tekening te maken over het onderwerp: Wat is geluk? Dit leidde tot ongeveer tweeduizend inzendingen, waarvan wij er 87 bestudeerd hebben (49 meisjes en 38 jongens). Het Humanistisch Verbond stelde dezelfde vraag aan oudere mensen en maakte van alle inzendingen een zeshonderd meter lange geluksslinger die op de Dag van de Generaties in Park Sonsbeek te Arnhem werd opgehangen.

Zoals het voorbeeld uit De Kleine Prins laat zien, kunnen we uit de tekeningen alleen geen eenduidige conclusies trekken. We gingen dan ook voornamelijk uit van wat de kinderen bij hun tekening hadden geschreven. Wat kinderen schrijven en wat ze tekenen, komt vaak overeen. Maar niet in alle gevallen, want een concept als ‘gezondheid’ is moeilijk te tekenen.

Dick Metselaar, als medewerker betrokken bij het project: ‘We hebben de tekeningen niet wetenschappelijk bestudeerd, maar kregen wel enkele indrukken. Kinderen leggen het begrip geluk vaak uit aan de hand van gebeurtenissen in de directe levenssfeer, bijvoorbeeld ‘dat mijn broertje uit het ziekenhuis komt’, ‘dat ik niet meer gepest word’, ‘dat we niet verhuizen’. Verder ziet Metselaar een duidelijk verband met behoeftenbevrediging in materiële zin: ‘dat ik een nintendo krijg’, ‘dat ik miljonair word.’ Een derde categorie had een abstracter karakter: ‘Wij zijn al gelukkig in vergelijking met kinderen die het slecht hebben’, ‘dat er vrede is in Kosovo’, ‘dat we gezond zijn’. De algemene vraagstelling leidde mijns inziens niet tot heel genuanceerde en diepergravende antwoorden, maar aardig was het wel. Immers, zowel op school als later in het leven wordt je niet vaak de vraag gesteld nu eens goed onder woorden te brengen wat geluk voor jou betekent, wat het gelukkigste moment in je leven was.’

Een jackpot van 300.000.000.000

Bij het turven van de reacties van de kinderen, blijkt dat de categorie ‘geld’ in totaal het hoogste scoort. Veel kinderen (zestien procent) zien als hoogste vorm van geluk het winnen van een loterij, een ‘jackpot van 300.000.000.000’. Ook eilanden in de Stille Zuidzee, een villa met bedienden en een eigen helikopter scoren hoog.

Maar voordat iedereen zich zorgen gaat maken over een materialistische generatie in spe, moet gezegd worden dat ‘geen oorlog’ als goede tweede uit de bus komt. Veertien procent van de kinderen neemt dit op in de definitie van geluk. Zoals Erik van tien jaar schrijft: ‘Ik ben gelukkig omdat we niet in een arm land wonen. Joegoslavië, Bosnië, Macedonië, sommige landen van Afrika met de rebellen, daar ben je niet gelukkig.’ Een tienjarig meisje is gelukkig ‘als alle oorlogen in de landen stoppen en er in de plaats vrede komt’. De invloed van het Jeugdjournaal en groepsgesprekken in de klas, is hier duidelijk in te herkennen.

Dat geldt ook voor de categorie ‘gezondheid’, die door elf procent van de kinderen wordt genoemd. Soms noemt een kind dit uit eigen ervaring, ‘dat ik geen astma meer heb’, maar meestal wordt een goede gezondheid genoemd als algemene categorie. Dit doet vermoeden dat de televisie, ouders en leerkrachten hun stempel hebben gedrukt op de mening van de kinderen.

Jongens en meisjes

Meisjes tekenen meisjes, jongens tekenen jongens. Jongens tekenen helikopters, meisjes tekenen families. Ook in hun definities van geluk zijn er duidelijke verschillen. Vriendschap, of iets leuks doen met vriendinnen, wordt door bijna een kwart van de meisjes genoemd. Geen enkele jongen nam dit op in zijn definitie van geluk. Hetzelfde geldt voor familie. Slechts vijf procent van de jongens noemde zijn familie, terwijl achttien procent van de meisjes dit meldt. Alhoewel één meisje ook heel gelukkig zou zijn als ‘mijn broertje een tijdje weggaat’.

Ook in de categorie huisdieren hebben de meisjes verreweg de overhand. Slechts één jongetje noemde zijn huisdier, terwijl eenvijfde deel van de meisjes spreekt over ‘rat, mijn grootste schat’, en ‘mijn verzorgvarken Babe’. Daarbij noemt nog dertien procent van de meisjes een paard, terwijl deze categorie niet voorkomt bij de jongens. Dat jongens vaak voetbal noemen en dit bij meisjes niet voorkomt, is niet verwonderlijk.

Bij beide seksen scoorden ook hoog: vakantie: ‘Met familie in een tent. Boel op stelten zetten. Gaaf.’, het eigen huis, liefde, winnen in een sport, gelukssymbolen als het klavertje vier en een hoefijzer, de eigen verjaardag en ‘als geen dier meer bedreigd wordt’.

Spreekbuis van de ouders

Paulien Boogaard, projectleider van de geluksslinger, vindt het opvallend dat meisjes zulke brave dingen tekenden. Zij onderscheidt twee soorten braafheid: ‘sociale wenselijkheid’ en ‘meisjesdromen’. ‘Ik zag het ook bij mijn eigen nichtjes, die ik vroeg tekeningen te maken. Het is duidelijk volgens het rollenpatroon. Ze tekenden zichzelf als een prinses of hielden bijvoorbeeld een pleidooi voor de vrede. Hoewel het ook voorkomt dat ze heel braaf beginnen, maar, als ze meer tekeningen maken, later toch komen met dingen als de lotto winnen of heel veel patat eten.’

Die braafheid, of sociaal wenselijkheid, komt duidelijk naar voren. Zoals het meisje van elf dat zegt: ‘School is geluk voor later als je groot bent.’ Of een ander meisje: ‘Dat de mensen het milieu schoonhouden, dat er bij voetbal en Koninginnedag geen rellen komen.’ Je hoort de ouders spreken, zeker bij de elfjarige jongen die schrijft: ‘Ik ben gelukkig als de belastingdienst ophoudt en je rijk kan worden.’

Overigens was deze braafheid ook bij de inzendingen van ouderen terug te vinden, zo merkt Paulien Boogaard op: ‘Op oudere leeftijd zijn de mensen meer bescheiden geworden. Ze hebben het over vogeltjes en een glimlach. Ze vinden het geluk op kleinere schaal.’ Dick Metselaar is het opgevallen dat de categorie ‘materieel bezit’ bij ouderen niet meer genoemd wordt. ‘Hoog scoorde hier het geluk van het krijgen en opvoeden van kinderen. Verder noemden de ouderen vaak gezondheid en abstracte begrippen als vrede, goed kunnen samenleven, de zorg voor elkaar en de ontmoeting met ge emigreerde dierbaren.’

Kinderen en geluksonderzoeker zijn het eens

Kinderen zijn heel duidelijk in wat zij onder geluk verstaan en zij vinden dat het een schaars goed is. Zoals een jongetje schrijft: ‘Geluk is niet iets wat je op straat vindt.’ De definities van kinderen komen sterk overeen met wat geluksonderzoeker Ruut Veenhoven heeft gevonden in zijn onderzoeken naar geluk. Hoe welvarender een maatschappij, des te gelukkiger de bevolking. De kinderen die ‘geld’ bovenaan hun lijstje zetten, hebben dit goed begrepen. Overigens is er wel een grens aan de relatie tussen geld en geluk: binnen de rijke westerse samenlevingen is het verschil tussen rijke en arme mensen minder schrijnend dan in landen zoals Afrika.

Vrijheid en rechtszekerheid zijn belangrijke voorwaarden voor geluk, hetgeen kinderen ook goed doorhebben wanneer ze zeggen dat geluk betekent dat er geen oorlog is. De kinderen die hun familie en vrienden noemen, zien dat een rijk sociaal netwerk een belangrijke factor is. Tot slot spelen een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid een rol bij het geluksgevoel, en ook dit wordt door kinderen haarfijn opgepikt.

In Nederland zegt 75 procent van de mensen zich redelijk tot zeer gelukkig te voelen. En voor de overige 25 procent kunnen we misschien de gelukspolitie inschakelen, zoals een tienjarig jongetje die heeft getekend. De politie geeft mensen die een ander ongelukkig maken, een hoge boete: ‘Je maakt ongeluk. Je krijgt de ergste straf die er is.’n

Analyse en interpretatie van kindertekeningen

Het denken over de betekenis van kindertekeningen is van oudsher beïnvloed door de psychoanalytische theorie. In deze stroming worden kinder teke nin gen gezien als directe afspiegelingen van persoonlijkheidskenmerken. Een tekening van bijvoorbeeld een mens is dan veelzeggend, omdat men hieruit conclusies zou kunnen trekken over de zelfwaardering van de kleine tekenaar. Een groot getekend mens zou erop kunnen wijzen dat het kind zichzelf overschat, terwijl een klein figuurtje een uiting zou zijn van minderwaardigheidsgevoelens. Het weglaten van handen en armen zou wijzen op hulpeloosheid.

De Amerikaanse onderzoekers Glyn Thomas en Angèle Silk wijzen er echter op dat er vrijwel geen bewijs is voor dergelijke interpretaties. De meeste kinderen onder de vijf tekenen bijvoorbeeld geen armen of handen, maar het is onzinnig te veronderstellen dat alle vierjarigen lijden onder hun hulpeloosheid. Ook symbolische interpretaties – een huis is het symbool van de baar moeder, rook uit de schoorsteen duidt op angst en conflicten – houden geen stand. Maar ondanks het feit dat dergelijke ‘projectieve tekentests’ in onderzoek niet betrouwbaar zijn gebleken, worden ze in de praktijk nog wel gebruikt.

Een andere benadering beschouwt de kindertekening niet als een weerspiegeling van persoonlijkheidskenmerken, maar als indicatie van de emotionele toestand van het kind.

Bij het tekenen van een mens, heeft de psychologe Elizabeth Koppitz bepaalde elementen onderscheiden die kunnen wijzen op emotionele problemen. Dit zijn bijvoorbeeld een opvallende asymmetrie van de ledematen, het afbeelden van tanden, en tegen elkaar gedrukte benen. Koppitz waarschuwt echter dat dit soort elementen nooit op zichzelf moeten worden gebruikt als diagnosemiddel.

De derde traditie in het onderzoek naar kindertekeningen, houdt zich vooral bezig met de manier waarop ‘normale’ kinderen belangrijke zaken afbeelden. Ook deze benadering heeft zich gericht op de grootte van getekende mensen of objecten. Hierbij is de veronderstelling dat zaken die kinderen erg interesseren of die persoonlijk van belang zijn, groter worden getekend. Voor dit idee is wel enig bewijs gevonden. Zo tekenen kinderen de kerstman in de periode voor Kerstmis groter dan anders, en tekenen ze ouders groter dan andere mensen. Bedreigende figuren, zoals heksen of mensen waar het kind een hekel aan heeft, maken ze kleiner.

Stereotiepe rollenpatronen

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat jongens en meisjes verschillen in hun voorkeur voor de onderwerpen die ze graag tekenen. Kinderen tekenen het liefst hun eigen sekse.

Zo tekende een tienjarige jongen ’33 mensen’, waarop wel veel snorren, baarden en piratenooglapjes voorkwamen, maar geen enkele vrouw.

Bij de keuze van een onderwerp volgen veel kinderen het stereotiepe rollenpatroon, zo concludeerde de Amerikaanse onderzoekster Golomb. Jongens tekenen graag oorlogssituaties, geweld, machines en sport, terwijl meisjes zich buigen over tekeningen van families, landschappen, dieren (vooral paarden) en koninginnen. Meisjes tekenen meer details in gezichten, jongens tekenen vaker mensen die in beweging zijn.

Vanaf een jaar of tien gaan kinderen minder tekenen. Of dat komt doordat tekenen op die leeftijd geen bevredigende manier meer is om zichzelf uit te drukken en ze dat liever doen door te praten, blijft nog een punt van speculatie.

Psychologe Levick merkt op dat kindertekeningen ook sterk worden beïnvloed door de sociale omgeving. Zij geeft als voorbeeld dat kinderen in de jaren zestig, voor de alomvattende invloed van de televisie, op zevenjarige leeftijd altijd sekseneutrale figuren tekenden. Het viel haar op dat in de loop van de jaren zeventig, kinderen in hun tekeningen onderscheid begonnen te maken tussen mannen en vrouwen. Levick denkt dat dit een gevolg was van de nadruk die programmamakers van televisieuitzendingen legden op de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen.

Drs. H. Peverelli, psycholoog en redacteur van Psychologie Magazine

[kop pagina] Gezondheid[/wpgpremiumcontent]