Maar toen zij een paar weken later wederom publiekelijk een traantje liet, was er ontsteltenis. Eén vochtig moment mag kennelijk, maar twee niet. De krantenkoppen vroegen: ‘Alweer?’ Als we te vaak tranen zien, denken we dat we met een doetje te maken hebben of dat er mogelijk een loopje met ons genomen wordt. Kun je zo’n traan eigenlijk wel vertrouwen? De aanhangers van de mannelijke tegenkandidaat zeiden natuurlijk meteen dat hij ‘niet hoefde te janken’ om stemmen te winnen.

De traan is eigenlijk heel merkwaardig, want het is een van de weinige niet-verbale middelen die alleen mensen tot hun beschikking hebben. Dieren hebben natuurlijk traanklieren – ze moeten net als wij hun hoornvlies nat houden – maar behalve de bekende krokodillentranen, die niks met emoties te maken hebben, zijn er geen dieren die ‘nat’ huilen.

De enige keer dat ik iets gezien heb dat in de buurt kwam van tranen, was bij een vrouwelijke chimpansee die net haar kind had verloren. Na diens dood at ze wekenlang niet en zat in een hoek, af en toe krijsend, tot grote ontsteltenis van de rest der kolonie. Ze zat meestal in foetushouding en wreef af en toe met beide knokkels tegelijk in haar ogen op de manier waarop wij tranen drogen. Ze deed dit zo vaak dat we er een dierenarts bijhaalden, denkend dat ze een oogontsteking had, maar de dierenarts kon niks vinden.

Maar zelfs áls ze tranen had gehad, wat ik nooit heb kunnen vaststellen, zouden de haren op haar gezicht die meteen hebben opgenomen. Wij hebben geen vacht op het gezicht. Misschien kon het natte huilen zich juist daarom bij ons ontwikkelen, want om als signaal te dienen, moet de traan zichtbaar over de wang naar beneden kunnen glijden.

Over het algemeen zijn signalen die weerloosheid aangeven en bescherming uit­lokken, meer te zien bij vrouwelijke dan bij mannelijke apen. Het tonen van zwakte is veel te riskant wanneer je omringd bent door soortgenoten die daar misbruik van willen maken, en mannelijke primaten leven in zo’n wereld. Dus wanneer veldwerkers bavianen een verdoving in hun achterwerk schieten om hen te kunnen onderzoeken, doen ze dat bij mannelijke bavianen alleen als er geen enkele rivaal in de buurt is. Zodra een mannelijke aap neergaat, bestaat het risico dat andere mannen hem aanvallen. Onder vrouwelijke bavianen is dit geen probleem.

Dit geslachtsonderscheid in rivaliteit wordt niet altijd erkend, althans niet bij de mens. Er wordt gemakkelijk beweerd dat jongens moeten leren huilen, of dat we mannen moeten aansporen om eerder naar de dokter te gaan als ze zich slecht voelen. De misvatting is dat het hier om aangeleerde houdingen gaat. Gegeven onze evolutionaire achtergrond, is het echter heel logisch voor mannen om zich stoer te houden, althans in het bijzijn van andere mannen – en is het ook begrijpelijk waarom de traan zelden een mannelijk wapen is.[/wpgpremiumcontent]