Na afloop probeert de dochter het goed te maken, maar moeder draait zich eenvoudig om. Als de dochter met haar op goede voet wil blijven, zal ze zich anders moeten gaan gedragen.

Dieren die, net als wij, op aanhankelijkheid zijn gesteld, hebben een extra middel om straf uit te delen: het weigeren van goede relaties. Zo’n ‘affectieve straf’ werkt via de ontzegging van liefde of vriendschap. Dit heeft natuurlijk alleen effect als de ander liefde of vriendschap verwacht, maar dat is nu eenmaal het geval in nauwe relaties.

Het is een gebruikelijk onderdeel van de machtsspelletjes onder mannelijke chimpansees. Na een machtsovername bevindt de vroegere alfaman zich opeens op de tweede rang en wordt geacht dit elke dag te tonen door luid grommend door het stof te kruipen. In het begin vertikt hij dat, hetgeen tot gevolg heeft dat de leider afstandelijk en vijandig blijft. Pas als de verliezer de nieuwe baas met gepaste kruiperigheid behandelt, is er kans op verbetering in de relatie. Pas dan zie je de vroegere rivalen elkaar vlooien alsof ze altijd de beste vrienden zijn geweest.

Dit is natuurlijk pure afpersing. De nieuwe leider zegt in feite: ‘Als jij goede maatjes met me wilt zijn, moet je eerst maar eens een toontje lager zingen.’ Afpersing is een dagelijks verschijnsel in menselijke relaties, zoals tussen ouder en kind (‘vader is niet kwaad, maar verdrietig’) en huwelijkspartners, die daar ook nog eens seksuele pressiemiddelen aan toevoegen (‘je slaapt maar lekker op de bank’).

Een mooi voorbeeld betrof de papegaai van mijn schoonouders, die ze al vele jaren hebben. Elke dag wisselen ze volop lief­kozende woordjes met die vogel uit en fluiten ze samen leuke liedjes. Toen ze onlangs een maand op vakantie gingen, werd de papegaai bij vrienden afgeleverd. Na terugkeer kwam de vogel thuis weer op z’n oude plekkie te staan, maar toen gebeurde er iets merkwaardigs. Elke keer als ze iets tegen hem zeiden of hem een lekkernij aanboden, draaide hij hen bot de rug toe. Soms keek hij nog even over z’n schouder, maar hij wilde niks meer eten en niks meer zeggen (hoewel hij nooit vergat te eten als ze hem alleen lieten). Hij was niet van plan ook maar één deuntje te zingen of één vrolijke kreet te slaken.

Mijn schoonouders waren diep getroffen. Ze hadden ineens een ijskoude vogel in huis. Pas na twee maanden gaf de papegaai toe en werd hij weer de gezellige schreeuwlelijk van weleer – maar intussen had hij wel duidelijk gemaakt dat zo’n lange afwezigheid echt niet door de beugel kan.[/wpgpremiumcontent]