Wat een rust. Daar zit u dan, voor uw tentje in Frankrijk, omgeven door groen. Uw voeten in het water, de zon op uw gezicht, een glas wijn in de hand. Geen ander geluid dan fluitende vogels en zachtjes klotsend water. Dít is het leven waarvoor u gemaakt bent – u voelt het in elke cel van uw lichaam. Een leven zonder verplichtingen, zonder haast en files, zonder e-mail die u elk uur moet checken. Waar u de tijd neemt voor eten, slapen en voor elkaar. Waar u het leven weer in zijn volle sterkte voelt, met al uw zintuigen. Was elke dag maar zo ontspannen als op vakantie, denkt u met een zucht.

En waarom ook eigenlijk niet? Waarom wringen we ons elke dag met de rest van Nederland gehaast door de ochtendspits? Om na een dag vergaderen, typen, e-mailen en bellen in een ­ tl-verlichte ruimte, wéér die verkeersdrukte te moeten trotseren. Om vervolgens met de rest van Nederland in de rij te staan bij de supermarkt, in plastic verpakt voedsel te kopen, en al zappend voor de tv te proberen te ontspannen.

Waarom doen we onszelf dit aan?

Meer is niet beter

Volgens de Amerikaanse psycholoog Timothy Miller hebben wij mensen een innerlijke drang om telkens nét iets meer te willen. We denken altijd dat we bijna genoeg hebben: een klein beetje meer, van wat dan ook, en ons geluk is volmaakt. Economen zeggen bovendien dat we van nature verlangen naar stabiliteit en zekerheid, en dus zoveel mogelijk risico’s willen afdekken.

Deze innerlijke drijfveren hebben ons veel gebracht. We hebben nu een leven waarin we niet meer bang hoeven te zijn voor hongersnood, voor kou, voor ziektes. Dankzij de auto kunnen we een leuke baan aannemen in een andere stad. Via e-mail en telefoon kunnen we contact houden met mensen over de hele wereld. Dankzij steeds snellere computers hebben we van achter ons bureau een schat aan informatie tot onze beschikking. Eén druk op de knop en de televisie toont ons de wereld in onze huiskamer.

Maar hoe ver de techniek ons ook heeft gebracht, onze moderne manier van leven maakt ons niet altijd gelukkig. Soms, op momenten dat we overprikkeld, gestrest en opgefokt zijn, dringt de vraag zich op: in hoeverre past ons snelle moderne leven bij onze ‘natuur’?

Dat is een terechte vraag, blijkt uit allerlei onderzoeken. Hoe veel goede en plezierige dingen de stad ons bijvoorbeeld ook biedt, moderne omgevingen zoals steden en industrieterreinen maken ons minder blij dan natuurlandschappen. In een grote studie in verschillende continenten werd proefpersonen gevraagd 93 landschapskenmerken (beelden, geuren en geluiden) te waarderen. Wat bleek: in alle culturen hadden de proefpersonen dezelfde sterke voorkeur voor alles wat natuurlijk was. Kuddes wilde dieren werden aantrekkelijker gevonden dan kuddes vee, en stromend water in rivieren mooier dan stromend water in in fonteinen.

Maar niet alleen vinden we de natuur mooi, we worden er ook rustig en ontspannen van. In een experiment zagen proefpersonen eerst een schokkend filmpje, waardoor hun bloeddruk, hartslag en spierspanning toenamen. Vervolgens kregen ze een filmpje van tien minuten te zien met beelden van óf stedelijke, óf natuurlijke omgevingen. Bij mensen die naar natuurscènes hadden gekeken, daalde het stressniveau weer tot nul. Maar proefpersonen die naar stedelijke scènes hadden gekeken, voelden zich nog even opgefokt. Kijken naar een natuurlijk landschap kan stress dus al binnen tien minuten verminderen, wat in de stad niet lukt.

Waarom voelen we ons zo goed in de natuur? Volgens evolutionair psychologen zijn we ‘voorgeprogrammeerd’ om bepaalde landschappen prettig te vinden, zodat we automatisch die plekken opzoeken waarin we goed kunnen overleven. Want degenen onder onze voorouders die een voorkeur hadden voor de ‘juiste’ omgevingen, leefden langer en kregen meer nakomelingen.

En inderdaad, juist landschapskenmerken die de kans om te overleven verhogen, hebben een extra aantrekkingskracht op ons. Zo vonden veel studies dat mensen sterk positieve gevoelens hebben bij de aanwezigheid van water in een natuurlijke omgeving. Niet alleen de hoeveelheid water blijkt een rol te spelen, maar ook de helderheid en versheid ervan: van heldere bergmeren en stromend water, zoals watervallen, worden we gelukkiger dan van moerassige gebieden of water dat groen ziet van de algen. Niet voor niets zijn die omgevingen vaak populaire vakantiebestemmingen, waar we tot rust willen komen.

Geen uitzicht

Toch brengen de meeste mensen een groot ­gedeelte van hun leven door in steden en op industrieterreinen. En moderne omgevingen roepen deze positieve, rustige gevoelens niet op. Ze voorzien vaak niet in onze behoefte aan groen, ruimtelijkheid en rust. Sterker nog: ze kunnen ons gestrest maken.

Want de inrichting van onze huizen en kantoorgebouwen sluit niet altijd aan bij onze zintuigen, die erop gemaakt zijn om veranderingen waar te nemen. Airconditioning zorgt voor een constante temperatuur en luchtvochtigheid, zonder ook maar een zuchtje wind. En zonder prikkeling van onze tastzin kunnen we ons bijzonder vervelend gaan voelen, vaak zonder dat we doorhebben waarom. Daarnaast is er vaak te weinig daglicht, dat juist belangrijk is voor onze biologische klok.

Bovendien hebben we een aangeboren behoefte om uit te kunnen kijken over het landschap, zeggen omgevingspsychologen. We willen kunnen zien wat er buiten gebeurt, zodat we ‘vijanden’ en andere belangrijke zaken in de gaten kunnen houden. In restaurants zie je deze behoefte duidelijk terug: de tafeltjes in de hoek zijn steevast als eerste bezet, en pas als laatste die in het midden van het restaurant. Het liefst zitten we met de rug naar de muur, vanwaar we de omgeving kunnen overzien en niet van achteren verrast kunnen worden. Maar in kantoortuinen zijn veel mensen toch gedwongen om in het midden van de ruimte te zitten, zonder uitzicht. In de stad staan de gebouwen bovendien dicht op elkaar, zodat we niet in de verte kunnen kijken. Zo kunnen we ons daar chronisch onrustig voelen, zonder precies te weten waarom.

Alarmgeluiden

Een andere bijkomstigheid van ons moderne leven is lawaai. Voorbijrazend verkeer, grasmaaiers, dreunende audiosystemen en cappuccino­apparaten vullen onze dagen met harde en minder harde geluiden. Hoewel we daar tot op zekere hoogte aan kunnen wennen, worden we er onbewust toch door beïnvloed. Want voor ons brein is geluid vanouds een aanwijzing dat er gevaar dreigt – neem de schreeuw van een gevaarlijk dier, of het gekraak van een vallende boom. Omdat we in dreigende situaties elk moment moeten kunnen reageren, versnelt onze hartslag en gaat onze bloeddruk omhoog. Ook van het onschuldige geluid van een stofzuiger.

Als we regelmatig in de herrie zitten, kunnen we zelfs chronische stressklachten krijgen. Zo blijken mensen die in de buurt van een vliegveld wonen, vaker vernauwde bloedvaten en een hoge bloeddruk te hebben. Werknemers die dagelijks hun werk doen tussen bonkende heipalen en gillende zagen, hebben vaker een maagzweer en meer kans op een hartaanval. Ook zijn er aanwijzingen dat het immuunsysteem van mensen en dieren door herrie wordt beïnvloed, wat ons vatbaarder maakt voor infecties.

Ook minder hard geluid heeft invloed op ons stressniveau. Het aanhoudende gezoem van de snelweg blijkt bijvoorbeeld bij kinderen samen te gaan met hogere concentraties van het stress­hormoon cortisol, en een verhoogde hartslag en bloeddruk.

Meer apparaten, minder tijd

Maar, zou je zeggen, al die lawaai producerende apparaten besparen ons een hoop tijd, en dus ook een hoop stress. Zonder modern vervoer zouden we kilometers naar ons werk moeten lopen of fietsen; zonder huishoudelijke apparaten waren onze dagen gevuld met koken, wassen en schrobben. Toch blijkt dit niet zo te werken. Door de auto zijn niet onze reistijden kórter geworden, maar onze reisafstanden lánger. Met een auto hoeven we niet te verhuizen voor een baan in een uithoek van het land: we rijden er gewoon elke dag naartoe. Huishoudelijke apparaten hebben een soortgelijk effect: de tijd die we ermee besparen, gaat op aan de hogere eisen die we stellen. Door de komst van de wasmachine zijn we bijvoorbeeld niet minder uren gaan besteden aan de was. Tegelijkertijd hebben we namelijk meer kleren in de kast gekregen, die we bovendien veel vaker zijn gaan wassen.

Ook computers en moderne communicatiemiddelen besparen tijd, maar maken ons leven tegelijk een stuk voller. De informatiedruk op het werk is de afgelopen tien jaar enorm toe­genomen. De hele dag door schreeuwen e-mails, telefoontjes, faxen, printers, post, achtergrondgeluiden, agenda’s en collega’s om onze aandacht. Daardoor worden onze bezigheden voortdurend onderbroken. Terwijl we bijvoorbeeld de stapel post doornemen, komt er een e-mail binnen om een datum te prikken voor een afspraak. Als we vervolgens in onze agenda kijken, zien we dat de komende week helemaal vol is gepland, tenzij we een afspraak kunnen verzetten, waarvoor we een collega moeten bellen. Intussen worden we gestoord door een telefoontje of we een document kunnen faxen, en terwijl we dat document opzoeken, komt er een collega binnen met een vraag, waarna we ons moeten haasten naar een vergadering, waar we weer drie nieuwe punten voor onze actielijst krijgen – terwijl we die dag nog steeds niets zinnigs hebben gedaan.

Ons brein raakt overbelast door deze constante stroom van informatie en onderbrekingen van onze bezigheden. Dat komt door het zogenaamde ‘Zeigarnik-effect’: onderbroken taken onthouden we beter, met name als we er volledig in opgaan en als de onderbreking onverwacht is. Onafgemaakte taken blijven dus in ons hoofd zitten en energie vragen.

De Amerikaanse psychiater Edward Hallowell heeft onlangs een modern soort concentratiestoornis gesignaleerd, adt (Attention Deficit Trait) genaamd, een gevolg van de over­belasting van het brein door een teveel aan informatie. Symptomen zijn: een slechte concentratie, innerlijke onrust en ongeduld. Volgens Hallowell raakt ons brein in een constante staat van paniek als we elke dag proberen meer informatie te verwerken dan mogelijk is. Daardoor kunnen we ons steeds slechter concentreren, wat weer gevolgen heeft voor onze prestaties, waardoor we nog meer in paniek raken.

Stress in de trein

Wie dagelijks met het openbaar vervoer of met de auto naar het werk gaat, heeft het nog een stukje zwaarder. In onderzoek naar de oorzaak van hartaanvallen, bleek in de file staan het ­risico op een hartaanval aanzienlijk te verhogen.

In een ander onderzoek registreerden onderzoekers gedurende vijf jaar de hersenactiviteit, bloeddruk en hartslag van forensen die dagelijks met het openbaar vervoer op en neer pendelen naar hun werk. De gemeten waarden bleken schrikbarend hoog. Het stressniveau was zelfs vergelijkbaar met dat van luchtmachtpiloten tijdens vliegsimulaties. Vooral het gevoel van onmacht speelt een grote rol bij openbaarvervoerstress: tijdens vertraging of drukte zijn we hulpeloos aan de situatie overgeleverd, zonder er zelf iets aan te kunnen doen. Bovendien is bekend dat als we met veel mensen op een klein oppervlak zijn, we meer stressverschijnselen krijgen, zoals zweethanden en een verhoogde hartslag en bloeddruk. Drukke situaties, zoals in de file en op stations, maar ook in warenhuizen en uitgaansgelegenheden, maken ons dus opgefokt.

Neem vakantie!

Voor evolutionair psychologen is het niet verwonderlijk dat we soms moeite hebben met ons moderne leven. Volgens hen is de ‘architectuur’ van ons brein sinds het stenen tijdperk nauwelijks veranderd: 99 procent van onze geschiedenis zijn we jager-verzamelaars geweest, pas 1 procent van onze tijd op aarde zijn we ‘modern’. Te kort om onze hersenstructuren aan te passen, redeneren evolutionair psychologen. Ons brein is ontworpen voor een mens die buiten leeft, veel beweegt en in kleine gemeenschappen leeft. Geen wonder dus, dat we soms moeite hebben met urenlange computerarbeid, kantoortuinen en lange files. En logisch dat ons lichaam zich voorbereidt op gevaar als we harde geluiden horen, of ons in het drukke verkeer begeven. We interpreteren onze moderne wereld met het brein van een jager-verzamelaar, en dat maakt ons gestrest en opgefokt.

Als dat waar is, zouden we dan moeten leven zoals in de oertijd? Zijn we gelukkiger als we weer in kleine groepjes met pijl en boog door de savanne dwalen? Nee, dat nou ook weer niet, zeggen evolutionair psychologen. Dat leven was ook niet ideaal: er dreigde altijd gevaar van vijandige stammen, hongersnood, ongeneeslijke ziekten en wilde beesten. Maar we kunnen wel van onze oorsprong leren, en meer rekening houden met hoe we in elkaar zitten.

Bijvoorbeeld door aan te sluiten bij onze ‘oorspronkelijke’ manier van leven. Vaak doen we dit al vanzelf: veel populaire hobby’s hebben elementen in zich van jagen en verzamelen. Ook onze vakanties sluiten vaak goed aan bij onze oorspronkelijke manier van leven. Niet voor niets komen we op vakantie tot rust, en nemen we ons elk jaar weer voor om ons voortaan niet meer gek te laten maken door deadlines en verplichtingen. Op vakantie ontsnappen we uit de waan van werk, files, computers en televisie. Een omgeving met groen, water en uitzicht geeft ons een gelukkig gevoel. Onze zintuigen komen weer in balans: we voelen de wind langs ons lichaam, de warmte van de zon, het gras onder onze voeten. Tegelijkertijd komen onze overprikkelde zintuigen weer tot rust in een omgeving zonder knipperende beeldschermen en herrie. Was elke dag maar zo ontspannen als op vakantie, verzucht u, terwijl u voor uw tentje naar de sterren zit te kijken. En waarom ook niet? Door meer aan te sluiten bij onze natuurlijke behoeften, kunnen we beter overleven in ons moderne bestaan.[/wpgpremiumcontent]