Iets meer dan een eeuw geleden publiceerde Sigmund Freud zijn boek Die Traumdeutung. Onze nachtelijke visioenen zijn uitingen van onbewuste wensen, stelde Freud daarin. Die wensen waren volgens hem vooral seksueel of agressief van aard en vaak onaanvaardbaar voor het bewuste. Dat zou ook een van de redenen zijn waarom we dromen meestal zo snel vergeten. Het bizarre karakter van dromen verklaarde hij als een poging van de geest om pijnlijke of onaanvaardbare onbewuste verlangens toch uit te drukken, met gebruik van symboliek en censuur. Zo zou je in plaats van dromen over seks met je vader, kunnen dromen dat je met hem in een trein zit die een tunnel binnen rijdt. Een therapeut kon de verborgen betekenis van dromen aan het licht brengen, en dat zou patiënten volgens de Weense psychiater helpen van hun neuroses af te komen.

De droomtheorie van Freud raakte in diskrediet naarmate de neurobiologische wetenschap zich verder ontwikkelde. Het begon met de ontdekking van de rem-slaap in de jaren vijftig. De chemische stof acetylcholine, die geproduceerd wordt in de pons, een ‘geestloos’ deel van de hersenstam, bleek de droomcyclus te regelen. Zo om de negentig minuten bleken er vanuit die diep gelegen breindelen automatisch

Log in om verder te lezen.