Er is een huis waarin we mogen schuilen van onze geboorte tot onze laatste adem. Het zit ons als gegoten; het is warm in koude dagen, goed geventileerd, en het heeft een schat aan opslagruimte – zelden hoeft er iets weggegooid, of het nu gaat om dierbare herinneringen of om een wintervoorraadje voedsel voor magerder tijden. Het heeft vensters die vanzelf opengaan als er iets langskomt wat we dolgraag willen zien; een wonderbaarlijk mechaniek. In veel gevallen is het geschikt voor dubbele bewoning. En het is nog verplaatsbaar ook: je kunt het elk moment neerzetten waar je het liefst zou willen blijven.

Dat huis is ons lichaam. We krijgen het zomaar in de schoot geworpen bij onze geboorte, om voor te zorgen en ons door het leven te dragen. Het is in staat tot opmerkelijke dingen, zoals gezondheidspsycholoog Andrea Evers in dit nummer uitlegt: het kan zichzelf helpen genezen met hulp van gedachtenkracht – een inzicht waarvan de wetenschap nog maar net de consequenties begint te beseffen.
Het is een bron van veiligheid en plezier, maar evengoed van gêne en onvrede – zeker in een omgeving die het meer waardeert om zijn buitenkant dan om zijn andere prachtige eigenschappen.

Het is niet altijd een makkelijk toevluchtsoord. Er zijn dagen dat het piept en kraakt in zijn voegen. Lees alleen al het interview met wetenschapsjournalist Jon Palfreman – de man die zich jarenlang verdiepte in parkinson, vervolgens die ziekte zelf kreeg, en nu het einde van het gesprek niet haalt zonder zijn hand tussen zijn benen te klemmen om het schudden tegen te gaan. Of het ontroerende verhaal van journaliste Corien van Zweden, die voor de tweede keer borstkanker kreeg. Het betekende het verlies van haar onkwetsbaarheid, die onuitgesproken overtuiging dat het toch wel zo’n tachtig jaar duurt voordat de luiken definitief dichtgaan en de verwarming uitgaat. Het verlies van een borst. Het verlies van haar leven zoals het was. Hoe wordt een beschadigd lichaam weer een veilig huis?

Nee, het is niet perfect en niet onkwetsbaar. Maar het is het enige dat we krijgen. Dat willen we nog weleens vergeten – vooral als het druk is in ons hoofd en we geen tijd hebben om ermee over het strand te rennen, het goed te eten te geven of er urenlang mee te vrijen.
Goddank wordt het elk jaar zomer. En zoals de winterschilder de kozijnen onder handen neemt voordat de vorst invalt, zo zet de zon ons jaarlijks aan tot de grote onderhoudsbeurt van lijf en leden. Het gevoel van wind langs blote benen, het prikken van lentezon op bleke huid – plotseling voelen we weer wat dat is, wonen in ons eigen lijf.
Deze maand daarom extra veel lichaam in dit tijdschrift over de geest.