‘Fiets jij maar vast naar school’, zei ik tegen mijn vriendinnetje, ‘en zeg tegen de juf dat ik wat later kom.’ Ik probeerde op mijn fiets te stappen, maar op de een of andere manier lukte dat niet. Naast me stond mijn zusje me met open mond aan te kijken, en toen ik opnieuw viel, draaide ze zich om. ‘Ik ga papa halen’, riep ze. En weg was ze.

Nauwelijks tien minuten later vond mijn vader me in de berm. Daar lag ik met twee gebroken polsen. Bewusteloos. ‘Ik kom te laat op school’, fluisterde ik nog toen ik mijn ogen opendeed, maar mijn vader had me al opgetild en legde me voorzichtig op de achterbank van de auto. ‘Lig je zo goed’, vroeg hij bezorgd, terwijl hij een dekentje over me heen schoof.

Het is een van de pijnlijkste én prettigste ervaringen uit mijn kindertijd. Ik kan me niet herinneren ooit zoveel pijn én tegelijkertijd zoveel aandacht te hebben gehad. ‘Arm kind’, zuchtte mijn moeder. ‘Nu moet ik je voeren!’ ‘Wat zielig’, riepen mijn zusjes. ‘Ze kan niet eens alleen naar de wc!’ ‘Foto’s uit die tijd tonen een meisje met twee gipsen armen dat opgewekt in de camera kijkt. Anderen mochten me dan zielig vinden, ik vond mezelf een bevoorrecht kind. Ik was zo stom geweest om mijn polsen te breken, maar nu hoefde ik lekker niet naar school en mocht ik ’s avonds in bed lezen zo lang ik wilde.

Wie een tegenslag ervaart, kan de gebeurtenis zelf niet ongedaan maken of veranderen. Maar hij kan wel zijn houding ten opzichte van die tegenslag bepalen. De een reageert hulpeloos en blijft liggen, de ander weigert zich slachtoffer te voelen en krabbelt overeind. En de volgende weet zelfs een positieve draai te geven aan de vervelende gebeurtenis. Dat kan in het klein, bij een ongelukje waarbij je je polsen breekt, maar dat kan ook in het groot. ‘Iedereen kan beslissen wat er geestelijk of spiritueel van hem kan worden’, schrijft de Weense psychiater Viktor Frankl in De zin van het bestaan. Veerkracht is een keuze.