Hij houdt hele verhalen tegen niemand in het bijzonder en begint plotseling hard te lachen. Hij snuift, fluit, gromt, knipt met z’n vingers en slaat op de deur van zijn cel. Zijn schorre zangstem klinkt door de holle ruimte: ‘Angie, Angie, when will those clouds all disappear?’ Hij is vanochtend gevonden, balancerend op een viaduct boven een drukke weg. Hij had al zijn kleren uitgetrokken en was in het Noordhollandsch Kanaal gesprongen.

Nu zit hij in cel 3 van de Amsterdamse crisisdienst, officieel de afdeling spoedeisende psychiatrie. Zijn cel is kaal. Een matras, een grijze poef en een kartonnen po. Naast hem in cel 1, achter eenzelfde feloranje deur, zit een schizofrene dakloze. Een ‘zorgwekkende zorgmijder’, zoals ze dat hier noemen. Hij is op straat op mensen afgestormd met flessen in zijn hand en omstanders belden de politie.

De meeste mensen die hier belanden, zijn psychotisch. Of depressief. Veel mensen staan op het punt om zelfmoord te plegen. In een grote stad als Amsterdam raken meer mensen in crisis dan elders. Psycholoog Clemens Bernardt, hoofd van de afdeling: ‘Er gaat natuurlijk een enorme druk uit van zo’n stad. Als je al psychiatrisch patiënt bent, geeft de stad te veel invloeden, er zijn geen grenzen.’

Als de politie iemand aantreft die ernstig in de war is, wordt eerst de gemeentelijke gezondheidsdienst (gg&gd) erbij geroepen. Als de hulpverleners van de gg&gd beoordelen dat het een probleem is van openbare orde – burenruzie, verslaving – handelen zij het zelf af. Als het gaat om een psychiatrisch probleem, dan wordt de afdeling spoedeisende psychiatrie erbij geroepen. Sinds ongeveer een jaar zit spoedeisende psychiatrie in een glazen gebouw met vier eigen cellen, waar patiënten sneller kunnen worden geholpen en geobserveerd door psychiaters en verpleegkundigen. Als het kan, zitten ze daar niet langer dan zes uur; dan worden ze naar huis gestuurd of opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

De werkwijze is redelijk nieuw en moest een eind maken aan de problemen die al jaren speelden in de crisishulpverlening in de hoofdstad. Veel psychiatrische patiënten moesten noodgedwongen in politiecellen verblijven, totdat er opvang was geregeld. Psycholoog Clemens Bernardt, hoofd van de afdeling: ‘Er was nogal wat ruzie tussen de politie en de hulpverlening. Wij vonden dat de politie van alles op ons bordje schoof, zo van: “Deze man moet opgeborgen worden.— En zij waren ontevreden omdat wij niet zo snel een bed voor die mensen konden vinden.’

Patiënten kunnen nu ook sneller worden opgenomen door de bouw van een tijdelijke opnameafdeling, waar patiënten een paar dagen kunnen blijven tot er een opnameplek voor ze is gevonden. En het blijkt te werken. ‘In principe hoeft er nu geen patiënt meer in een politiecel te verblijven,’ zegt Bernardt.

Rubber handschoenen

Het is vanochtend nog relatief rustig. ‘De crisis begint na twee uur ’s middags,’ had Bernardt al gezegd. ‘Daarvoor ligt iedereen nog te slapen.’ In cel 3 heeft de man zijn kleren inmiddels weer uitgetrokken. Naakt ligt hij op zijn matras, minutieus de kale vloer bestuderend. Hij heeft het druk: hij wijst naar het plafond, naar denkbeeldige schimmen op de muur. ‘Roxanne, put on your red shoes,’ zingt hij vrijuit.

Jan Willem Peterse, een jonge psychiater met vrolijke blonde plukjes en suède gympen, gaat hem beoordelen. Hij wordt vergezeld door twee bewakers, met een vriendelijker woord ‘portier’ genoemd. ‘Ik houd hem straks in de hoek,’ waarschuwt de portier terwijl hij zijn rubber handschoenen alvast aantrekt. ‘Als hij naar je toekomt, is het afgelopen.’ Als patiënten erg agressief zijn en ze willen geen medicijnen slikken, komt zelfs de politie van het aangrenzende politiebureau assisteren, gewapend met helmen en schilden.

Maar de psychotische man blijkt ongevaarlijk. Hij heeft rode ogen, zijn rafelige haren hangen voor zijn gezicht. ‘Alaaaaf,’ begroet hij de psychiater olijk. Twee tellen later staan de tranen in zijn ogen. De psychiater vraagt vriendelijk wat er gebeurd is, wat de patiënt zelf vindt dat er nu moet gebeuren en of hij hem ‘wat medicijnen kan aanbieden’. Dat is helemaal niet nodig hoor, verzekert de patiënt hem: ‘Ik neem wel wat coke.’

Het wordt uiteindelijk een ibs, een gedwongen opname. ‘Hij doet enge dingen: springt in het water en wil er niet uitkomen,’ zegt psychiater Jan Willem Peterse. ‘We kunnen hem niet de straat op sturen.’

Gedwongen opgenomen

Wanneer mensen niet vrijwillig kunnen worden opgenomen en er bestaat gevaar voor hun eigen welzijn of dat van anderen, kan de rechter een ibs opleggen. Dit najaar behandelt de Tweede Kamer een voorstel om de bopz (de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen) te verruimen. De hulpverlening moet meer mogelijkheden krijgen om psychiatrische patiënten niet alleen gedwongen op te nemen, maar ook gedwongen te behandelen. ‘Op zich een goed idee,’ vindt psychiater Peterse, ‘maar het uitgangspunt is verkeerd. Ze hebben het alleen over de maatschappelijke overlast in de grote steden. Terwijl het moet gaan om het belang van de patiënt, en niet om de last die het de burger geeft.’

De dakloze schizofreen uit cel 1 draagt turquoise lange kousen en een bijpassend shirt. Hij houdt z’n armen strak over elkaar gevouwen en wipt zijn been in de lucht als hij de arts-assistent probeert uit te leggen wat er gebeurd is. ‘Ik liep met m’n flessen statiegeld bij mekaar. Ik ging toen naar een andere winkel, want hij had me eruit gestuurd, bij mekaar. Voor de rest word ik bekeken als een kakkerlak. Het is gewoon niet waar, het is allemaal pesterij gebleken. Ik word overal uitgestuurd, ik kan niet eens een huzarenslaatje kopen.’ Hij kijkt een beetje hulpeloos om zich heen. ‘En nu ben ik m’n flessen ook al kwijt.’ Hij spreekt snel en zorgelijk, de blik strak op de muur gericht. ‘Ik heb in m’n leven bij mekaar geen moment rust gehad. Misschien vijf minuutjes.’

Volgende week staat een rechtszitting gepland om hem een rechtelijke machtiging (rm) op te leggen, zodat hij voor langere tijd opgenomen kan worden. Dit gebeurt als er geen acuut gevaar is, maar iemand wel dreigt te verloederen. Maar omdat de dakloze op straat met flessen heeft staan zwaaien, kan er niet tot de rechtszitting gewacht worden. ‘U heeft mensen bedreigd,’ zegt de arts-assistent, ‘en we vinden u ook wel een beetje verward. Wat vindt u dat er nu gebeuren moet?’ In een vlaag van helderheid zegt de dakloze: ‘Ik weet het niet. Er zit altijd een element bij dat u beslist over iemand anders leven, bij mekaar.’

Door het lint

Zijn buurman, een Marokkaanse man uit cel 2, mag inmiddels naar huis. Hij had het huis van zijn ex-vriendin kort en klein geslagen. Na een relatie van zeven jaar zag hij haar afgelopen zaterdag lopen met een nieuwe man, en ging door het lint. Hij heeft het hele weekend op het politiebureau gezeten, want als er een strafbaar feit is gepleegd, gaat justitie voor. Maar nu mag hij gewoon de deur uit, want ‘als je een paar potjes uit het raam gooit, krijg je in Amsterdam echt geen ibs,’ glimlacht de verpleegkundige.

De ambulance is inmiddels gekomen om de dakloze schizofrene man naar de tijdelijke opvang te brengen. Hij heeft keurig op z’n poef zitten wachten tot hij werd opgehaald. Dat hij ibs krijgt, vindt hij ‘helemaal okidoki’. De dreadlocks van zijn baard steken in de lucht als hij op de brancard wordt ingeladen.

En wat nu? Beter wordt hij niet meer. De arts-assistent is redelijk optimistisch: ‘Hopelijk wil hij meewerken met de behandeling, en daarna misschien ooit naar een beschermde woonvorm voor chronisch schizofrenen.’ Krijgt hij misschien eindelijk eens rust.[/wpgpremiumcontent]