Mijn laatste vraag gaat over zijn dood.

We beginnen te lachen. Ik omdat ik besef dat ik misschien een heel weirde vraag heb bedacht om erachter te komen wat mijn geïnterviewde bereikt wil hebben aan het eind van z’n leven. Hij omdat die vraag out of the blue komt. ‘Leuk blad is dat, Psychologie! Leuk blad!’ We schateren het uit.

‘Begrijp me goed’, zeg ik, ‘ik hoop niet dat het al zover is.’ Hij: ‘Ik hoop het ook niet.’

Ik zeg: ‘Maar wat wil je dan bereikt hebben?’

Hij: ‘Ach man, schei toch uit met die onzin! Helemaal niks! Ik ben een predikant van de nihilistische gemeente, moet ik tevreden op mijn leven terugkijken en dan sterven? Nee, weet je wat ik hoop? Dat ik dan helemaal in mijn eentje ben, dat ik heel stilletjes ga, dat ik niemand lastigval, en that’s it. Geen beroemde laatste woorden, ik wil vooral met rust gelaten worden. Dus ik hoop dan mijn zoon al een week daarvoor met een ijzig gebaar van mij vervreemd te hebben, zodat hij het niet meer in zijn hoofd haalt om nog aan het sterfbed te komen. En al het overige, alle vrouwen, alle vriendinnen

van vroeger: weg! Vooral niet dat gekwetter aan mijn sterfbed.’

Nou vooruit, één dingetje dan, dat had hem nog wel leuk geleken: het Theo van Gogh Museum openen, pal tegenover het Vincent van Gogh Museum. ‘Daar kunnen ze niks tegen doen, want het gaat over mij. Maar ja, dan moet je weer een pand gaan huren, dat is me te veel gedoe.’

Weer lachen we.

Het was een gezellige ochtend bij Theo van Gogh, twee weken voor zijn dood. We deden het Psychologie Magazine persoonlijkheidsinterview, zoals dat heet. Hij vulde een psychologische test in en ik stelde hem vragen over hoe hij in elkaar zat. Ik wist dat hij vernietigend vijandig kon zijn met zijn beledigingen, maar degene naast wie ik die ochtend op de bank zat, was een lieve man. Een lieve man die heel hard lachte, en niet het minst om zichzelf.

Dit was geen normaal interview. Alles ging anders. Er is geen bekende Nederlander die ’s ochtends om acht uur wil worden geïnterviewd, maar Van Gogh kon op geen enkele andere tijd. Op de deurbel reageerde hij niet. Zijn voordeur was niet op slot, dus liepen de fotograaf en ik maar gewoon naar binnen. Van Gogh schonk geen koffie, zoals geïnterviewden altijd doen. Hij plofte meteen neer op de bank: ‘Oké, begin maar!’ Hij bood geen zitplaats aan en zijn bank lag bezaaid met spullen. Ik schoof maar een plastic tas met boeken van de bank en ging snel zitten, op een vlekkerig kussen dat half op de grond lag. De persoonlijkheidstest vulde hij in op een manier zoals ik het nog nooit iemand heb zien doen: alleen maar extreme antwoorden. Hij vond zichzelf uiterst onrustig, en uiterst vrolijk, en uiterst verlegen, en zei dat hij altijd zeer snel van slag raakt. ‘Gematigde scores mogen ook hoor,’ zei ik tegen hem. ‘Da’s niet leuk voor het spel,’ zei hij.

We schrijven 15 oktober 2004, 8.10 uur in de ochtend. Van Gogh komt uit de test als een extreem vriendelijk mens. We praten over zijn zoon, die zijn alles is en van wie in huis mooie grote foto’s hangen: de enige van wie hij onvoorwaardelijk houdt. Alle anderen moeten oppassen, zegt hij. ‘Ik ben de liefste jongen van de wereld en ik hou helemaal niet van ruzie, maar als je bij mij je woord breekt, of het hebt gewaagd om een vinger naar mij uit te steken, dan zal ik je achterna zitten totdat je spijt hebt van de dag dat je geboren bent. Dan komt mijn psychopathische kant naar boven. Je moet mij gewoon niks flikken. Op het schoolplein in Wassenaar, op mijn twaalfde, heb ik een diepgewortelde haat ontwikkeld ten opzichte van al die deftige mensen die maar denken dat ze overal mee wegkomen. Neem de filmdistributeur die mijn laatste film Cool! heeft vermoord door ’m in veel te weinig bioscopen uit te brengen, nou, hij gaat mij nog twee jaar achter zich aan krijgen. Week in, week uit zal ik het bloed onder zijn nagels vandaan treiteren in de columns op mijn website. Het is net alsof er dan een klein stemmetje in mijn achterhoofd zit. Ik voel een beetje zweet in mijn nek en ik zie mezelf de meest beledigende teksten opschrijven die hem het meest pijn zullen doen. Bam! Bam! Bam! De wereld aan het lachen maken met de hebbelijkheden van je tegenstander. Niet emotioneel worden, maar heel koel blijven.’

De steen des aanstoots zijn, dat is erg leuk, gaat hij verder. ‘Van de week ging ik naar het boksgala van sbs6, dan doe ik mijn zonnebril op, trek ik mijn Soprano-jas aan, en heb ik zo’n grote sigaar in mijn mond. Zodra ik in beeld kom, begint de heffe des volks – met wie ik me een voel – ontzettend te loeien en te tieren, geweldig! Maar bij nader inzien blijkt het dan toch niet zo geweldig te zijn. De Tokkies komen binnen, en dan weet je gewoon: het treurigste bezinksel uit de riolen heeft de macht overgenomen in Nederland, dankzij televisie en het afschaffen van het onderwijs. Al die skyboxen zitten vol met het ergste geteisem. En maar kreeft eten en champagne drinken. Na afloop moesten we nog een uurtje wachten voordat we weg konden, want er was een schietpartij. Kortom: Nederland is reddeloos verloren.’

Ik wil weten waar zijn drang naar negatieve aandacht vandaan komt. Hij knikt: ‘Ik heb een grote verbale agressie. Die heb ik overgehouden aan mijn vader en moeder: zij hadden vroeger een buitengewoon tumultueus huwelijk. Doordat ik mijn ouders zo op de toppen van emotie heb zien dansen, ben ik heel gedistantieerd geworden; ik laat mensen heel lastig in mijn echte innerlijk toe. Het is een vorm van zelfbescherming. Werd ik maar eens geráákt!

Er zijn momenten dat mijn emotionele intelligentie me heel eenzaam en koud maakt, omdat hij zo scherp is. Ik weet precies wanneer iets of iemand fake is. Ik voel mensen snel aan. Daarom ben ik ook een goeie interviewer, denk ik. Maar ik heb niet de pretentie dat ik mensen snap. Ik vind ze juist vaak zo irrationeel en onbegrijpelijk. Ze zijn gevaarlijk. Want onvoorspelbaar. Zet het niet als kop boven dit interview, maar in diepste wezen ben ik een terrorist en een psychopaat. Ik vertrouw de meeste mensen helemaal niet. Ik vertrouw mezelf niet eens, laat staan anderen.

Ik roep altijd van mezelf dat ik in de Tweede Wereldoorlog onmiddellijk bij de nsb was gegaan en met liefde had gewerkt voor de Gestapo. Om van iedere morele discussie af te zijn. Je wéét niet hoe je onder die omstandigheden zou reageren. Ik vind al die naoorlogse verzetshelden onbegrijpelijk. Melkert, Rosenmöller, De Graaf: ze moeten met pek en veren worden overladen om wat ze hebben gezegd tijdens de opkomst van Pim Fortuyn. Met hun grote gewetens haalden ze nazi-Duitsland en Anne Frank erbij. Moest je die krokodillentranen zien toen hij dood was! Die moord op Fortuyn is uitgelokt door een campagne waarin de Tweede Wereldoorlog voortdurend een rol speelde.’

Hij is ontzettend kwaad op de bestuurders die Fortuyn hadden moeten beschermen. ‘Ik steun altijd de oppositie, dat is je enige redding om nog een vrije samenleving te houden. Toen Fortuyn vermoord was, was ik klaar met Nederland. Ik heb hier nog een kind op te voeden, maar over vijf jaar ga ik in Amerika wonen. Ik schrijf nu dus alles op wat ik wil. Ik houd nergens meer rekening mee. Ik ben erg wraakzuchtig. Het maakt me niet uit als ze me extreem-rechts noemen; ik ben agressiever geworden in de zin dat ik ze zoveel mogelijk probeer op te naaien.’ Hij waarschuwt: de islamitische religieuze fascisten zijn onder ons, Nederland had ze er al lang uit moeten gooien. ‘Als dat soort lui het voor het zeggen krijgt, gaan mensen als ik het eerst tegen de muur.’

Dit interview gaat niet over de radicale islam, maar over zijn emoties. Hij scoort ‘instabiel’. Is-ie het helemaal mee eens. Volgt opnieuw een voordracht: ‘Mijn hele leven is één zoektocht geweest naar wat emoties nou eigenlijk zijn. Ik vertrouw ze nooit. Ze zijn zó vluchtig, en ze stellen ook zo verdomd weinig voor. Ik weet hoe gauw ik verliefd word, maar ook hoe makkelijk dat weer over kan zijn. Verliefdheid is een vlucht. Liefde is gewoon een ongelooflijk treurig chapiter. Vanaf het moment dat een vrouw mijn leven binnenkomt, doe ik mijn uiterste best om met haar naar bed te gaan, maar ik weet bij voorbaat al dat het vervolgens weer afgelopen zal zijn. Tegenwoordig zeg ik er zelfs gewoon bij dat ik niet voor bestendige relaties ben en alleen de nacht met ze wil doorbrengen. Moet je nagaan: met mijn dikke lijf en op mijn leeftijd.

De beste relaties zijn die op afstand. Bij de dames speel ik gevoeligheid. Meestal stinken ze erin. Ik doe dan heel emotioneel, dat werkt ook goed voor in bed natuurlijk. Maar er komt een volgende morgen hè, dan spring ik om zeven uur het bed uit, gauw onder de douche, want ik zie niks in samen wakker worden. Ook dat stinken van die lichamen en zo. Wuuuuh! Kauwgom klaarleggen om in je mond te doen. O, o, o! Als ik in iemands armen lig, zie ik mezelf vaak van bovenaf, met dat bespottelijke lichaam van me, en ik mag wel zeggen: dat wekt afstand op.

Maar mijn hele leven is natuurlijk ook één zoektocht geweest naar de ware liefde. Ik weet dat die nooit zal komen. Dus romantischer kan het niet. Ik denk dat je in je leven twee keer echt verliefd kunt worden. Mij is het twee keer overkomen, dus ik ben ervanaf. De rest is Spielerei.

Wat ik in een vrouw zoek? Nou, gewoon: moederlijkheid, geborgenheid, liefde, tederheid. Maar zo gauw het er is, is het alsof ik in een dwangbuis verkeer. Mijn keel wordt toegesnoerd. Ik denk dan: in godsnaam, wat doe ik hier? In het verleden heeft dat catastrofale toestanden opgeleverd. Zo’n vrouw gaf zich dan geheel in al haar liefde, en als een kleuter van vier kroop ik weg. Dat is nooit veranderd. Ik geloof ook niet dat mensen volwassen worden. Na je veertiende, vijftiende blijft je persoonlijkheid basically hetzelfde. Er komt wat verdriet overheen, maar ik denk niet dat het je rijpt of anders maakt.’

‘Ik heb het gevoel dat ik al lang geleden ben overleden, maar dat iemand is vergeten het me te zeggen. Ik voel namelijk helemaal niks. Het is denk ik jaren geleden gebeurd, toen mijn tweede liefde uitging. Ik was 26, zij was 42. Zij was getrouwd met de maffiabaas van Toronto. We neukten twee jaar lang, over de hele wereld. Praatten elkaar aan de telefoon klaar, over de oceanen. Helemaal te gek. Maar toen kwam ze bij me wonen. Kom ik op een nacht thuis, heeft ze de gordijnen in brand gestoken en een groot schilderij op de muur geschilderd: You Fat Lying Pig! Had ze gehoord dat ik vreemd was gegaan. Dit jaar was ik weer in Toronto, en plichtmatig zoek ik die vrouw dan op. Ik ben vaak dronken, en toch krijg ik hem dan nog wel omhoog, maar nu lukte het niet meer. Het probleem is: mensen worden ouder. Die vrouw is nu 63, het was een verschrikking! Waarmee ik maar wil zeggen: alle illusies, al dat mateloze verlangen, het vervliegt. De meeste mensen zullen dodelijk alleen sterven.

Ik woon nu al dertien jaar in mijn eentje. Wat ik doe als ik me alleen voel? ’s Nachts urenlang stoned naar het testbeeld kijken. Prachtig, al die lijntjes en grijstinten. Verder heb ik een gouden leven. Ik maak voortdurend films en lach me gek met vrienden.’

In de kroeg samen met Theodor Holman en Hans Teeuwen nadoen hoe vrouwen klaarkomen, dáár wordt hij gelukkig van. ‘Iets platters, seksistischers en mislukt macho-achtigers is er niet, maar het is zó leuk om te doen.’ Hij doet het ook om de verveling te verdrijven, zegt hij. ‘De herhaling van dingen! Mensen zeggen in interviews altijd dat ze huppelend en dansend naar hun vijfenzestigste willen, maar voor de meesten is het leven heel erg vervelend, saai en voorspelbaar. Ik hoor mezelf dingen zeggen die ik al duizend keer eerder heb gezegd. Dan kom ik een vrouw tegen en hóór ik mezelf weer slijmen. Dat soort bullshit probeer ik nu steeds meer achter me te laten.’

Het is negen uur. Time’s up. Theo van Gogh heeft zijn jas al aan. ‘Nou jongens, het was gezellig! Nu maar weer opgedonderd, een nieuwe dag wacht.’

De fotograaf en ik zijn nog bezig met het inpakken van lampen en statieven. Van Gogh loopt al naar buiten, wij blijven achter in zijn huis.

De voordeur laat hij half open.[/wpgpremiumcontent]