Voetbal is stammenstrijd, van oudsher het domein van de territoriale sekse. Er wordt massaal gezongen en met vlaggen gezwaaid. Bij verlies zijgt men ter aarde, het hoofd in de handen. Zowel bij oorlog als voetbal maken de oude knarren de dienst uit: jonge mannen leggen vaak het loodje ter meerdere eer en glorie van de grijsgekuifde generaals.

Jammer dat apen niet voetballen. Chimpanseemannen kennen dezelfde stammenstrijd, waarbij ze soms de tegenpartij met geweld in de pan hakken, maar de sportieve vertaling ervan valt buiten hun bereik. Daarvoor moet je je emoties enigszins beheersen, regels volgen, naar de scheidsrechter luisteren. Dit alles vereist zo’n zelfcontrole dat ik vrees dat chimpansees met een permanente rode kaart van het veld gestuurd zouden worden.

Wat mij vooral interesseert, is hoe groepsidentificatie tot stand komt. Wat bepaalt wie er bij ‘ons’ hoort en wie niet? In dit opzicht zijn voetbal en de samenleving niet helemaal vergelijkbaar. Het hebben van een gezamenlijke vijand schept zo’n onderlinge band, dat in veel landen het nationale elftal beter geïntegreerd is dan de samenleving. De Nederlandse samenleving, bijvoorbeeld, heeft haar (voor mij nog steeds verbijsterende) onderscheid tussen autochtoon en allochtoon. Men zegt wel dat het niet zo bedoeld is, maar de boodschap is wél dat niet iedereen er zomaar bijhoort – zelfs niet na drie generaties. Je mag dan perfect Nederlands spreken, zelfs in de Tweede Kamer hebben gezeten, maar je kunt er nóg elk moment uit vliegen.

De definitie van de in-groep is bij mensen vaak willekeurig, zoals onderzocht na de Tweede Wereldoorlog, toen een deel van de in-groep plotseling tot buiten-groep werd verklaard – met alle afschuwelijke gevolgen van dien. Proeven hebben aangetoond dat er maar heel weinig voor nodig is (soms alleen maar de kleur van de door onderzoekers uitgedeelde potloden) om mensen een groepsidentificatie aan te praten.

Van wilde chimpansees kennen we een dramatische herdefiniëring van de groep. Chimpanseemannen die elkaar elke dag hadden gesteund en gevlooid, voedsel hadden gedeeld en zich met elkaar hadden verzoend na ruzies, schrapten van de ene dag op de andere hun betrekkingen. Vervolgens heeft de grootste fractie systematisch de kleinste om zeep gebracht in een meedogenloze strijd die jaren duurde. Na de uitroeiing breidden de winnaars hun territorium uit. Naar analogie van de term ‘ontmenselijking’ schreven de veldwerkers deze broedermoord toe aan ‘ontchimpisatie’.

Het is vooral bij de stammenstrijd dat mannelijke emoties aan den dag treden. Niet in diepgravende gesprekken over relaties, maar in lotsverbondenheid en trouw aan de groep. Net als chimpanseemannen, kussen en omarmen mensenmannen elkaar als ze gewonnen hebben en zitten ze stil te huilen na verlies. Ze gedragen zich op een manier waarvoor ze zich dood zouden schamen als het niet om zoiets belangrijks zou gaan.[/wpgpremiumcontent]