‘Kra-kra-kra!’ Een paar grijze java-aapjes beginnen te roepen als we het terrein op lopen. Ze wonen in dit Rijswijkse onderzoekscentrum tussen honderden andere java- en resusmakaken. ‘Is dat een begroeting?’ vraag ik aan Liesbeth Sterck, hoofddocente gedragsbiologie aan de Universiteit Utrecht. Ze lacht: ‘Nee, een waarschuwing’ en wijst naar de man naast me, het hoofd van de apenkooien. Hij is degene die dieren uit hun verblijven haalt voor onderzoek of verzorging. Hoe goed er ook voor ze gezorgd wordt, apart genomen worden ervaren apen als stressvol. Het gerucht dat deze man in aantocht is, verspreidt zich dus snel onder de bewoners. ‘Je ziet dat moeders het ook zeggen tegen hun kinderen die nog nooit met mij te maken hebben gehad,’ zegt hij. ‘Kra-kra betekent zoiets als: daar heb je hem, pas op!’

Sinds begin 2009 doen Liesbeth Sterck en haar promovendi onderzoek naar het gedrag van een groep makaken die in Rijswijk woont. Een van de wetenschappers, Jorg Massen, hoopt over een half jaar te promoveren op zijn onderzoek naar vriendschap tussen apen. Ook apen maakt het namelijk iets uit met wie ze van doen hebben. Niet alleen hebben ze een voorkeur voor of afkeer van sommige verzorgers, in hun eigen groep gaan ze zelfs hechte vriendschappen aan, zo stelde Massen vast.

Vlooien is kletsen

‘Kijk, twee vrienden,’ zegt Massen. Op een plank hoog in een kooi hangen twee mannetjes ontspannen tegen elkaar aan. De een ligt bijna óp de ander en heeft een armpje om hem heen geslagen. Samen ­kijken ze wat verveeld naar het bezoek. Wat maakt iets nou een vriendschap? vraag ik Massen.

‘Ik heb gezocht naar twee dieren die geen familie van elkaar zijn, maar wel veel met elkaar optrekken, bij elkaar zitten en elkaar vlooien,’ zegt Massen. ‘Dat vlooien moet je zien als een soort kletsen.’ Om vast te stellen wie bevriend is met wie, moest hij ze eerst obser­veren. Onderzoek doen naar apengedrag klinkt romantisch, maar in de praktijk zat Massen dagenlang met een notitieblok in een hokje naast het buitenverblijf, ’s winters met een dekentje om. Om de minuut turfde hij wie bij wie zat en wie elkaar aan het vlooien waren. Uit ingewikkelde schema’s destilleerde hij uiteindelijk de 25 dikste vriendschappen.

Massen: ‘Het wordt aangenomen dat vrienden elkaar steunen bij conflicten in ruil voor vlooien. We vroegen ons af hoe strikt dat is. Als jij mij ’s ochtends vlooit, help ik jou dan meteen daarna bij een ruzie? Of zijn we naar onze maatjes toe toleranter en wegen we niet precies hoeveel je geeft en krijgt?’

Uit de observaties bleek dat ’s ochtends vlooien niet per definitie de kans vergroot dat je ’s middags steun krijgt bij een ruzie. Wederkerigheid is dus niet zo strikt tussen vrienden. Maar de aapjes die veel tijd samen doorbrengen en elkaar vaak vlooien, helpen elkaar over het geheel genomen wel het meest.

Massen: ‘Bij mensen werkt dat ook zo. Als ik in de kroeg sta met vrienden en ik heb een tijdje geen geld, vinden mijn vrienden het niet erg om voor me te betalen. Bij een vreemde zouden ze dat niet zo snel doen. Het gaat erom dat je socia­le relaties over langere tijd onderhoudt. Dan bouw je een band op en tolereer je het als iemand tijdelijk minder investeert. Je hebt meer voor elkaar over.’

Hoewel er vooral vriendschappen tussen gelijke seksen voorkomen, verandert dat in het paarseizoen, vertelt de onderzoeker terwijl we tussen de grote kooien lopen en nieuwsgierige aapjes ons aanstaren. ‘Dan ontstaan er meer man-vrouwvriendschappen. Er zit dus duidelijk een strategische component in vriendschap.’

Massen onderzocht wat mannetjes moeten doen om te kunnen paren. Door heel vriendelijk met een vrouwtje om te gaan, vergroot een mannetje zijn kansen bij haar. ‘Het gaat dus niet alleen om kracht,’ vult Liesbeth Sterck aan. ‘Een mannetje moet een balans tonen van kracht en so­ciale vaardigheden. Als hij die laatste niet heeft, dan willen vrouwen hem niet.’

Tussen mannetjes en vrouwtjes geldt al evenmin zo’n strikt wederkerigheidsprincipe, ontdekte Massen. ‘Hoewel men vaak denkt dat mannetjes seks krijgen in ruil voor vlooien, bleek dat verband niet zo direct te zijn. De vrouwtjes investeren evenveel. Mannetjes “betalen” in die zin niet voor seks. De goede onderlinge band die een stelletje opbouwt, is het belangrijkst.’

Een opvallende ontdekking was dat vrienden elkaar niet alleen meer steunen en vlooien, maar ook vaker ruzie hebben met elkaar. Massen: ‘Verrassend, maar ook wel weer logisch. Als je veel samen optrekt, heb je ook meer kans dat het af en toe botst. Was sich liebt, das neckt sich.’ Vrienden maken het ook sneller en vaker goed. Dan gaan ze in elkaars buurt zitten en tasten zo af: kunnen we weer rustig verder?

Een groepje resusapen verzamelt zich bij het hek waar we staan. Het alfavrouwtje Mona, dat het hoogst in rang is, haar dochter Lisa, dochter Verf en zoon Kwast. Kwast speelt gedachteloos met een stokje. Jonge mannetjes zoals hij zijn de beste proefpersonen voor de gedragsexperimenten. Ze zijn nieuwsgierig en gemotiveerd en daardoor relatief makkelijk te trainen om taakjes uit te voeren.

Niet eerlijk!

Maar alle makaken kunnen nieuwe dingen leren. Zo werd een groep dieren getraind om een dienblad naar zich toe te trekken, wat voor apen geen simpele vaardigheid is. Toen de dieren dit onder de knie hadden, konden de onderzoekers twee sociale gedragingen testen. Een ervan was de vraag hoe apen omgaan met oneerlijkheid, en of vriendschap daar een rol bij speelt. Hoogleraar psychologie en ­Psychologie Magazine-columnist Frans de Waal deed eerder soortgelijke experimenten, en daar kwam uit dat kapucijnapen een sterk rechtvaardigheidsgevoel hebben. Krijgt een ander steevast iets beters voor hetzelfde klusje, dan weigeren ze nog langer mee te werken.

Jorg Massen toont me videobeelden van zijn experiment. Hij laat eerst twee java-apen die in gescheiden kooien zitten een stukje appel zien. Dan laat hij een van beide het felbegeerde appelpartje naar zich toe trekken en de ander een – minder geliefd – stukje komkommer. ‘Best sneu eigenlijk,’ geeft hij toe. Ik zie hoe de ene aap zijn stukje komkommer keer op keer weigert te pakken als hij ziet dat zijn buurman een stukje appel krijgt. Ook de makaken in Rijswijk protesteren tegen ongelijke behandeling. Massen: ‘Soms gaan ze echt in een hoekje zitten mokken. We dachten dat ze hun vrienden misschien meer zouden gunnen dan vijanden, maar daar bleek geen verschil tussen te zijn. Hun frustratie richt zich ook niet op hun vriendje, maar op mij. Ik ben immers degene die hen ongelijk behandelt.’

In een tweede experiment werd getest of de java-apen pro-sociaal zijn: gunnen ze een ander iets zonder er iets voor terug te krijgen? Massen: ‘We gaven ze de keus: een dienblad naar je toe trekken waardoor niet alleen jij maar ook de buurman bij iets lekkers kan, of een dienblad pakken waarop alleen iets voor jezelf ligt. Vaak kiezen ze er dan uit zichzelf voor om ook de ander iets te gunnen.’

Op het computerscherm zie ik een aapje, Inlimbo geheten, steeds de keus maken tussen de twee dienbladen. Het dier gaat enthousiast aan de slag. ­Razendsnel steekt hij zijn armpje door de tralies en trekt aan een touwtje het dienblad dichterbij. ‘We verwachtten dat de lagergeplaatste apen socialer zouden zijn, omdat ze daarmee kunnen proberen hogerop te komen,’ zegt Massen. ‘Maar het was gek genoeg andersom! De laaggeplaatsten deden echt hun best om te zorgen dat de ander niets kreeg.’ We zien Inlimbo van de twintig keer maar één keer zijn buuraap iets lekkers gunnen. ‘Ja, dit is dus een vrij laaggeplaatst en egoïstisch dier,’ zegt de onderzoeker. ‘De dominante apen bleken vrijgeviger dan de ondergeschikte.’ Inderdaad zien we daarna alfavrouwtje Wodka bij elke kans die ze krijgt ook de aap in de aangrenzende kooi iets geven.

Hoe lager de rang, hoe minder vrijgevig. Maar zijn de apen zo laag in rang omdat ze asociaal zijn? Of zijn ze zo asociaal omdat ze laag in rang zijn? Massen: ‘Rang is bij deze soort al bepaald bij de geboorte, dus ik denk dat een lage rang ze asociaal maakt. De lager geplaatsten denken misschien zo een mogelijke concurrent te benadelen. In een experiment met mensen in de jaren tachtig bleken ook mensen met een hogere rang guller te zijn dan de ondergeschikten. Geven is niet alleen een vorm van sociaal zijn. Je zegt er ook mee: “Kijk mij eens: ik kán geven, ik kan het me permitteren.” Je onderstreept er je dominantie mee.’

Alleen eigenbelang?

In het binnenverblijf drukt een mannetje zich tegen de ruit. Jorg Massen tuit zijn lippen. ‘Lipsmakken noemen we dat,’ zegt onderzoeksleidster Liesbeth Sterck. ‘Een vriendelijk signaal, net als het optrekken van de wenkbrauwen. Ook wij doen dat als we iemand tegenkomen. Let er maar eens op.’ Massen: ‘Het zijn net mensen. Ze kennen alleen geen schaamte, maar dat vind ik juist wel mooi.’

Maakt al dat onderzoek naar de natuur van vriendschap niet somber over de oprechtheid van altruïstisch, sociaal en vriendschappelijk gedrag?, vraag ik de promovendus als we de apenkooien verlaten. ‘Toen ik een cursus Animal Economics deed aan de universiteit leerden we dat alles wat een ­organisme doet, hem iets moet opleveren,’ zegt Massen. ‘Ik ging eens kritisch naar mijn eigen vriendschappen kijken. Is vriendschap echt eco­nomie? Doet die ander nu iets voor mij omdat hij om me geeft, of is het alleen maar eigenbelang? Ik vond het opeens niet zo leuk meer, het leek zo berekenend.’

Maar zijn onderzoek heeft hem juist weer milder gestemd. Massen: ‘Vriendschap is een soort gedrag dat uiteraard is ontstaan in de evolutie omdat het een functie heeft. Het levert ons iets op. Maar de vriendschappelijke intenties van individuen zijn daarom niet per se verkeerd of calculerend. Ze zijn juist gebaseerd op een positief gevoel voor de ander. Het geven en nemen bij de makaken is minder direct dan we aanvankelijk dachten. Het is niet berekenend: geef jij mij dit, dan geef ik jou dat. Vriendschap is een relatie waar continu aan moet worden gewerkt. Je bouwt een positief gevoel op voor elkaar en op basis van dat gevoel help, geef of vergeef je de ander.’n

Aapjes kijken?

Zelf zien hoe apen samenwerken? Bekijk de filmpjes op psychologiemagazine.nl/extra[/wpgpremiumcontent]