Sociaal psycholoog Roy Baumeister grossiert in onderzoek naar allerlei interessante psychologische fenomenen: sociale afwijzing, onbeantwoorde liefde, saamhorigheid, seksualiteit, zelfbeheersing, zelfwaardering, zelfdestructief gedrag, agressie, motivatie… de lijst lijkt eindeloos.

In zijn nu al bijna veertig jaar durende carrière deed hij een aantal opmerkelijke ontdekkingen. Zoals het feit dat zelfbeheersing een van de meest energieverslindende taken is voor ons brein, en dat onze zelfbeheersing het grootst is als we uitgerust zijn. Ook kwam hij erachter dat we harder lachen om de flauwe grapjes van onze baas dan die van onze ondergeschikten, en dat schuldgevoel dient om onze sociale relaties te beschermen en te versterken.

Onze grootste angst is die voor sociale afwijzing, bewees Baumeister. Volgens hem hebben mensen een elementaire behoefte aan een langdurige relatie met anderen op wie ze kunnen rekenen en met wie ze geregeld leuke dingen kunnen doen. Het zijn vooral de sociale situaties waarin we verkeren en de relaties met de mensen om ons heen die onze psyche bepalen.

U hebt in uw carrière ontzettend veel onderwerpen bestudeerd. Kon u niet kiezen?

‘Haha, jawel hoor: ik heb de leukste onderwerpen uit de psychologie gekozen. Maar het is wel zo dat ik een beetje een vreemde eend in de bijt ben. De meesten van mijn collega’s houden het namelijk bij één onderwerp dat ze tot in de finesses uitbenen. Die druk is er ook in de wetenschappelijke wereld: dat je expert moet zijn op één terrein. Dat beperkt je enorm, vind ik. Ik zie veel collega’s van 40, 50 jaar die hun specialisatie volledig hebben uitgediept en dan vast komen te zitten. Zij hebben misschien wel meer dan ik een naam opgebouwd als expert, maar ik ben heel blij dat mijn werk diverser en daardoor spannender is.’

Maar wat is de rode draad in uw werk?

‘Eh… ik denk dat ik altijd op zoek blijf naar wat het betekent om mens te zijn. Die vraag kun je het beste beantwoorden door hem van allerlei kanten te bekijken.’

Waarom vindt u dat zo’n belangrijke vraag?

‘Het is waarschijnlijk een beetje een reactie op hoe mijn ouders waren. Als tiener zette ik vraagtekens bij de vastomlijnde ideeën die zij over het leven hadden. Het hoogste doel in hun leven was een mooi huis, een gezin en veiligheid. Ik wilde verder reiken, vragen stellen, en raakte geïnteresseerd in filosofie en religie. Dat bracht me naar de psychologie, omdat die een wetenschappelijke manier bood om de grote levensvragen te bestuderen: wat is goed en kwaad? Wat is bewustzijn? Wat is het Zelf? Wat doen we hier op aarde?’

Wat is het allerbelangrijkste dat u hebt ontdekt?

‘Dat ons Zelf een reservoir is met energie die op kan raken. Elke keer als we een automatische respons tegenhouden en er bewust voor kiezen om anders te reageren en onszelf dus te veranderen, sijpelt een beetje energie weg uit het Zelf. Met andere woorden: zelfbeheersing kost energie. Als je voor de etalage van de bakker staat waar je lievelingstaart in de aanbieding is, en je besluit de verleiding te weerstaan, neemt dat energie weg. Ik heb bijvoorbeeld experimenten gedaan met koekjes en chocolade, waarvan de proefpersonen niet mochten snoepen. Naderhand bleken ze lager te scoren op allerlei taken die moeite kostten: ze waren slechter in het oplossen van puzzels, konden hun hand minder lang in ijswater houden en reageerden minder alert bij concentratietaken.’

Wat kunnen we leren van uw ontdekking?

‘Dat je jezelf niet te vaak moet inhouden, want dan houd je te weinig zelfbeheersing over voor de momenten dat je het echt nodig hebt. Je kunt ook wel weer bijtanken, hoor, door te eten, rusten en slapen, maar je moet niet te veel op één dag verbruiken. Anderzijds moet je wel weer regelmátig zelfbeheersing uitoefenen; zelfbeheersing werkt namelijk als een spier: hoe vaker je haar gebruikt, hoe sterker ze wordt. Mensen die een aantal weken zelfbeheersingsoefeningen doen, gaan beter scoren op de taken die ik net noemde. Ik zou iedereen willen aanraden z’n zelfbeheersing te verbeteren; het is – naast intelligentie – een van de belangrijkste eigenschappen voor succes in het leven. Mensen die goed zijn in zelfbeheersing, zijn mentaal en fysiek gezonder, leven langer, halen hogere cijfers op school, zijn populairder en hebben betere relaties.’

En hoe vergroot een mens dan zijn zelfbeheersing?

‘Een oefening is bijvoorbeeld om vaker je niet-dominante hand te gebruiken. Als je rechtshandig bent, probeer dan een aantal dagen je linkerhand te gebruiken bij het tandenpoetsen, drinken of deur openen. Wat ook helpt, is twee weken lang zoveel mogelijk rechtop zitten en staan. Mensen die deze oefeningen doen, krijgen ook op andere gebieden in hun leven meer zelfbeheersing. In hun relatie bijvoorbeeld uiten ze hun boosheid minder snel, houden ze kritiek eerder voor zich, en proberen ze aardig tegen hun partner te zijn op momenten dat ze zich niet zo voelen. Ook doen mensen met meer zelf­beheersing vaker aan sport, eten ze gezonder, nemen ze minder drugs en alcohol en zijn ze beter in staat allerlei verleidingen te weerstaan.’

U hebt ook veel onderzoek gedaan naar sociale afwijzing. Waarom is dat zo’n belangrijk onderwerp voor u?

‘Omdat de behoefte erbij te horen een van de sterkste drijfveren van de mens is. In de psychologie is daar te weinig aandacht voor. Er wordt voornamelijk gefocust op het individu, te weinig op de invloed van anderen op dat individu. Als ik in de jaren tachtig op congressen kwam, was de teneur dat alle angst bij mensen zou zijn terug te voeren op angst voor de dood. Ik vond dat ongeloofwaardig. Toen ik het onderzocht, bleek dat mensen vooral bang zijn om afgewezen en alleen gelaten te worden. Daar denken ze meerdere keren per dag aan; aan doodgaan veel minder.’

Waarom doet het zo zeer als je wordt afgewezen?

‘Onze hele psyche is ontworpen om contact te maken en relaties te onderhouden met anderen. Wij mensen hebben een veel socialer brein dan andere dieren. Logisch: samenzijn met anderen hebben we van oudsher nodig voor onze overleving. Ik vind het altijd boeiend te zien hoe moeilijk mensen relaties kunnen loslaten. Zelfs als ze weten dat ze iemand die gaat emigreren nooit meer zullen zien, beloven ze nog dat ze gaan schrijven. De behoefte aan connectie zit echt heel diep.

Bijna alle nare emoties gaan dan ook over de beschadiging of het bedreigd zijn van een relatie met een ander. En bijna elke positieve emotie gaat over het versterken of vormen van die relaties. Het sterftecijfer bij mensen die helemaal alleen in het leven staan, ligt stukken hoger dan bij mensen die nauwe banden hebben met anderen. Het is niet voor niks dat eenlingen ook vaker psychische klachten hebben. Je kunt een fijn huis hebben, een hoog salaris, gezond zijn, maar je wordt écht niet gelukkig zolang je alleen op de wereld bent.’

Raadt u iedereen aan een partner te zoeken, of is het ook al voldoende als je een stel leuke vrienden hebt?

‘Het hebben van vier tot zes vrienden, en dan bedoel ik mensen om wie je geeft en die je geregeld ziet, is al heilzaam. Méér vrienden maakt niet gezonder of gelukkiger.’

En hoe zit het met afwijzing in de liefde? U hebt onderzoek gedaan naar onbeantwoorde liefde. Wat kunnen we daarvan leren?

‘Dat het niet zo dramatisch is als het in eerste instantie lijkt. Voor verliefden is het in het begin enorm traumatisch dat de ander geen sjoege geeft. Ze verliezen hun zelfvertrouwen en denken dat ze nooit een ander zullen vinden. Tijdens mijn onderzoek ver­telden mensen me daar zeer ontroerende verhalen over. Maar als je ze er een tijd later naar vraagt, blijkt het weer prima met hen te gaan. Ze zeggen: “Ik heb pijnlijke, maar ook mooie gevoelens gehad, en al met al is het best een aardig avontuur geweest.”

Het interessante is trouwens dat het voor de afwijzer andersom werkt: die vindt het aanvankelijk egostrelend dat iemand verliefd op hem of haar is, maar op lange termijn is het alleen maar vervelend. Het is naar om iemand te moeten afwijzen, en velen weten ook niet hoe ze daarmee moeten omgaan. Ze bewaren er na afloop vooral slechte herinneringen aan, en denken: was het maar nooit gebeurd.’

Psycholoog Martin Seligman, die veel onderzoek heeft gedaan naar geluk, zegt dat hij zelf gelukkiger is geworden dankzij zijn geluksonderzoek. Hebt u in uw leven ook baat gehad bij uw eigen werk?

‘Haha, ik ben nooit de psychologie ingegaan om te kijken hoe ik zelf gelukkiger kon worden. Het ging me er vooral om beter te begrijpen hoe de ander in elkaar zit, zoals mensen die ver van mijn eigen belevingswereld af staan: mensen met vreetbuien en zelfmoordenaars. Of neem moordenaars en dictators, dan denk ik: bestaan er werkelijk mensen die puur kwaadaardig zijn?’

En wat is daarop uw antwoord?

‘Dat mensen niet worden geboren als monsters. Het zijn altijd de omstandigheden die maken dat ze zo worden. Ik ben absoluut geen crimineel type, maar ook ik ben in staat tot de meest gruwelijke gewelddadigheden, als iemand bijvoorbeeld Athena, mijn dochter van 11, iets zou aandoen.

Laatst was ik in jullie martelmuseum in Amsterdam. Veel bezoekers staan daar vol afschuw te kijken, zo van: dat je dát iemand kunt aandoen. Maar ze vergeten dat die martelwerktuigen bedoeld waren om mensen te straffen die de afgrijselijkste dingen hadden gedaan. Toen ik daar rondliep, deed ik een experimentje. Ik stelde me voor dat iemand die mijn dochter iets verschrikkelijks had aangedaan, daar gevierendeeld zou worden. En weet je wat? Ik had er geen enkel probleem mee.

 

Roy Baumeister

Roy Baumeister (56) is professor psychologie aan Florida State University in Tallahassee. In 1974 studeerde hij summa cum laude af aan Princeton. Sindsdien werkte hij voor verschillende universiteiten in Amerika en Duitsland. Hij heeft ruim twintig boeken en bijna vierhonderd wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan en wordt veel geciteerd. Hij schreef het boek: Are we Free? Psychology and Free Will (New York, Oxford University Press). ‘De meeste mensen denken dat “vrije wil” betekent dat je alles kunt doen wat je wilt,’ aldus Baumeister. ‘Maar het is juist andersom: we gebruiken onze vrije wil om ons te kunnen inhouden en daardoor beschaafd met elkaar te kunnen omgaan.’