Ik doel op een klassiek proefje waarbij een onderzoeker zijn tong naar een baby uitsteekt, waarop de baby prompt zijn eigen tong uitsteekt. Dat is frappant. Hoe weet die baby nou dat de roze spiermassa die ineens tussen de lippen van de onderzoeker verschijnt vergelijkbaar is met zijn eigen tong? De baby heeft zijn eigen tong toch nooit gezien?

Dit staat bekend als het correspondentieprobleem: hoe trekken we de juiste vergelijking tussen het eigen en andermans lichaam? De kennis hiervoor lijkt aangeboren.

Dezelfde proefjes zijn onlangs op apen toegepast, met hetzelfde resultaat. Een heel jong resusaapje staart intensief naar het gezicht van de onderzoeker, die nadrukkelijk een paar keer zijn mond opent en sluit. Al gauw gaat ook het babyaapje zijn mond openen en sluiten.

Misschien vindt u dit al opmerkelijk, maar het kan nog sterker. De bioloog Louis Herman heeft dolfijnen geleerd acties van mensen te imiteren als zij de opdracht krijgen: doe dit na. Een mens kan huppelend langs de kant van het dolfijnenbad lopen en de dolfijn doet de huppelbeweging perfect na in het water. Als de man met zijn arm zwaait, zwaait de dolfijn terug met een vin. Als de man een been optilt, tilt de dolfijn een staart uit het water. Het correspondentieprobleem kan dus heel origineel worden opgelost.

En dan is er het voorbeeld van Okíchoro, een grijze roodstaartpapegaai die niet alleen de menselijke stem na-aapt, maar ook lichaamsbewegingen. Nadat de onderzoeker vele malen de kamer heeft verlaten terwijl hij ‘ciao’ zegt en zwaait, zegt Okíchoro nu ook ‘ciao’ en wappert met haar vleugel. De onderzoeker heeft ook vaak zijn tong naar Okíchoro uitgestoken, die dat nu eveneens doet – althans, ze beweegt haar tong heen en weer met open snavel – terwijl ze krijst: ‘Kijk naar m’n tong!’

Dat dolfijnen en vogels het menselijk lichaam als voorbeeld van het eigen lichaam kunnen nemen toont hoe dit soort imitatie de soortgrenzen overschrijdt. Misschien werkt het zelfs met voorwerpen, want er is een oude beschrijving van een wilde spreeuw die naast een kerk nestelde en klokgelui nabootste. Op zich is dat niet zo opmerkelijk – tegenwoordig doen spreeuwen mobiele telefoontjes na – maar terwijl de spreeuw klonk als een klok deinde hij altijd met zijn hele lichaam mee alsof hij vond dat de klokbeweging erbij hoorde.

Het lichaam doet dit soort dingen automatisch en onbewust. Het ‘weet’ kennelijk heel wat meer dan we denken, want hoe de hersenen van mens of dier het correspondentieprobleem oplossen, is nog steeds onbekend.[/wpgpremiumcontent]