‘Dit is kalfje Willy. Vrijdag wordt hij geslacht, en daarom hebben we hem een onvergételijke dag bezorgd,’ zeggen de presentatoren van het Vlaamse tv-programma Basta opgewekt, terwijl een bruin kalfje met grote, zachte ogen nieuwsgierig de camera in kijkt. Een week later is er een barbecue voor alle trouwe kijkers van het programma, waarbij Willy op het menu zal staan. Maar nu rennen de Basta-mannen uitgelaten met Willy door de wei, voetballen met hem, knuffelen hem, laten hem vereeuwigen door een schilder, en vergeten ondertussen niet om uitgebreid in te zoomen op zijn grote, onschuldige ogen met lange wimpers, zijn zachte roze neusje en zijn grappige bokkensprongen.

De beelden missen hun effect niet. Al meteen na de uitzending komen de protesten tegen de slacht op gang. Er worden ‘Free Willy’-Facebookgroepen opgericht, kranten schrijven erover. Na een paar dagen zwichten de programmamakers. Ze maken bekend dat het publiek mag stemmen of het kalfje mag blijven leven.

Voor de genodigden van de barbecue een week later wordt het een verwarrende avond. Ook al weten ze best dat er dieren worden doodgemaakt voor vlees, toch gaat er een golf van opluchting door de zaal wanneer bekend wordt dat kalfje Willy nog springlevend is. Ha gelukkig, er ligt vlees van de slager op de barbecue! De worsten en hamburgers vinden gretig aftrek. Totdat er weer een filmpje wordt vertoond. ‘Het vlees voor de barbecue moet toch ergens vandaan komen. Dit is kalfje Barabas. Wij gaan straks kalfje Barabas slachten. Maar eerst hebben we hem een onvergételijke dag bezorgd.’ Na afloop van de beelden – hoogtepunten: schattig zwart-wit kalfje wordt teder gelikt door zijn moeder en stribbelt tegen als hij naar het slachthuis wordt geleid – druppen bij sommige kijkers de tranen op hun bord, waar het vlees ligt koud te worden.

Kat op het menu

Onze relatie met dieren is complex en zit vol tegenstrijdigheden, beaamt psycholoog Hal Herzog. Hij doet onderzoek naar de band tussen mens en dier en publiceerde onlangs het boek We aaien ze, we haten ze, we eten ze. ‘Op de vraag: hou je van dieren, antwoorden de meeste mensen “ja”,’ vertelt hij tijdens een bezoek aan Nederland. ‘Als je vraagt: denk je dat dieren rechten zouden moeten hebben, zeggen ze “ja”. Als je vraagt: zou een dier het recht moeten hebben om te leven, zeggen ze “ja”. En als je vraagt: hebben wij mensen het recht om dieren op te eten, zeggen ze ook “ja”. Terwijl die twee laatste lijnrecht tegenover elkaar staan.’

Waarom is het zo moeilijk om helder en logisch te denken als het om dieren gaat? Waarom vertroetelen we het ene dier alsof het familie is, en doden we het andere dier voor een gezellige barbecue of gewoon omdat het irritant zoemt of in de weg loopt? Waarom kunnen we ons niet voorstellen dat we ooit een kat zouden opeten, terwijl we dat wel doen met een varkentje?

Aaibaarheidsfactor

Ons denken over dieren is een ingewikkeld samenspel van instinct, ervaring, cultuur, intuïtie en rationaliteit, zegt Herzog. Zo hebben we een aangeboren verliefdheid voor alles wat babyachtig is: een groot hoofd met een hoog voorhoofd, grote ogen, bolle wangen, zachte lichaamscontouren. Hoewel deze schattigheidsreflex is bedoeld om ons aan te zetten om onze eigen baby’s te koesteren, maakt hij ons ook extra gevoelig voor andere wezens met dergelijke kenmerken. Er is zelfs een direct verband tussen de grootte van de ogen van een dier en de hoeveelheid geld die we bereid zijn te doneren aan de redding ervan. Dat kwam goed uit voor de reuzenpanda, die het heeft geschopt tot logo van het Wereld Natuur Fonds. En ook Willy en Barabas – die overigens allebei nog leven – raakten de kijkers recht in het hart met hun grote onschuldige kalfjesogen.

Maar we hebben nog een andere, minder diervriendelijke neiging: we vinden beesten lekker smaken. Herzog: ‘Ik denk dat onze liefde voor vlees aangeboren is. Veel antropologen denken dat de uitbreiding van ons menu met vlees ertoe heeft geleid dat we zo’n groot brein konden ontwikkelen, en dat we de grote hoeveelheden eiwitten en vetten konden krijgen die nodig zijn voor zo’n energievretend orgaan. Vlees eten is dus waarschijnlijk belangrijk geweest voor onze evolutie.’

Dan is er ook nog onze cultuur, die bepaalt welke dieren we kunnen eten, welke afstotelijk zijn en welke juist bewonderenswaardig zijn of aaibaar. Voor een hond is het bijvoorbeeld een wereld van verschil waar hij geboren wordt. Bij ons is hij onze beste vriend. In Arabische culturen wordt hij veracht en geschopt. In Aziatische landen is hij het slechtste af: daar eindigt hij als lekker hapje op een bord, of als een bontje aan een jas.

Een extra complicerende factor is dat we de neiging hebben om ons te verplaatsen in een ander. Dat beperkt zich niet tot mensen, ook aan dieren schrijven we gevoelens en gedachten toe. We zien schuldgevoel in onze hond als hij op het kleed heeft gepoept, nieuwsgierigheid in de kat en blijdschap in een koe die na een lange winter weer in de wei mag. Dat we ons kunnen verplaatsen in een dier maakt ons betere jagers. Maar het maakt ook dat we ons schuldig voelen en ons het lijden van het dier aantrekken.

Argumenten zoeken

Logisch nadenken is dus moeilijk als je door zoveel verschillende krachten wordt gestuurd. Terwijl wij mensen er nu juist zo erg naar verlangen om consistent, consequent en logisch te zijn in ons gedrag en onze gedachtes. Dat maakt de wereld lekker overzichtelijk, voorspelbaar en behapbaar.

Wanneer we toch tegenstrijdigheden in ons denken aantreffen – en dat zijn er veel als het om dieren gaat – dan geeft dat een ongemakkelijk gevoel. We gebruiken verschillende strategieën om daarmee om te gaan.

Eén manier is om er simpelweg niet over na te denken. Herzog: ‘We denken er bijvoorbeeld liever niet over na dat ons vlees van dieren komt. Dat is ook steeds gemakkelijker geworden. We hoeven niet meer zelf een dier te doden, maar kopen vlees in mooie gekoelde pakketjes. Het lijkt zo min mogelijk meer op een dier, meestal zit er geen bot meer aan. Een stukje kip in een bakje zou net zo goed een stukje brood kunnen zijn.’

Een andere oplossing is om onze denkbeelden aan te passen, als die niet kloppen met ons gedrag of met onze emoties. Zo breien we de verwarring in ons hoofd weer een beetje recht. Als er een kraag van echt bont blijkt te zitten aan de jas waar we zojuist verliefd op zijn geworden, dan zijn we geneigd om argumenten te zoeken om hem toch te kunnen kopen. Het dier is al dood, dus ik kan er toch niets meer aan doen, bijvoorbeeld. Voor dit dier kun je inderdaad niets meer doen, maar je stimuleert de bontindustrie wel met je aankoop. Een ander argument is: we eten toch ook vlees? Ja, maar het een praat het ander niet goed.

Waar ligt de grens?

Het andere uiterste is om uit alle macht te proberen om wél consistent te zijn, en de verantwoordelijkheid helemaal bij jezelf te leggen. ‘Heel serieuze dierenactivisten doen dat bijvoorbeeld,’ zegt Herzog. ‘Aan de ene kant zijn hun levens bewonderenswaardig, omdat ze echt proberen om hun waarden na te leven. Maar aan de andere kant maakt het ze vaak ongelukkig. Ik heb veel mensen gezien die dat is gebeurd. Ze raken geobsedeerd, gefrustreerd, of depressief over al het onrecht in de wereld waar ze niets aan kunnen doen.’

Het is bovendien lastig om niet toch érgens een grens te leggen. Moet je dan ook proberen om geen insecten te vertrappen, en elk spartelend vliegje uit het zwembad redden? Want waarom wel walvissen redden, maar geen oog hebben voor kleinere dieren in nood? En kun je als dierenliefhebber wel een kat hebben, die honderden kilo’s vlees naar binnen werkt in zijn leven, en vogeltjes en knaagdiertjes doodmartelt? Nee, zelfs bij de grootste activisten en veganisten zijn er toch grenzen aan hun dierenliefde.

‘Veertig procent van de dierenactivisten in de vs eet vlees,’ zegt Herzog. ‘Zeventig procent van de vegetariërs gaat weer vlees eten – meestal uit gezondheidsoverwegingen. Toen ik begon met dit soort dingen te bestuderen, vond ik dat wel een beetje hypocriet. Maar nu vind ik dat niet meer. Ik zie dat mensen hun best doen. Ik denk dat we allemaal op een bepaalde manier hypocriet zijn, het is bijna onmogelijk om het niet te zijn.’

Dan maar inconsequent

Tja. Tenzij we een veganistische dierenactivist zijn die geen muggen doodslaat, zijn we dus veroordeeld tot het grijze gebied, het ‘gekwelde midden’, waarin je bij elke kwestie moet bedenken wat je ervan vindt, en waarom. Wat vinden we van echt bont? De bio-industrie? Oogschaduw die op dieren is getest? En als we ergens tegen zijn, mogen we dan toch een keer zondigen?

Dat we nu eenmaal niet consistent zijn in ons gedrag tegenover dieren kunnen we maar beter accepteren, zegt Herzog. Dan hoeven we ons niet meer in bochten te wringen om te bedenken waarom iets wel of niet mag. Ondertussen kunnen we dan, op onze eigen inconsequente manier, proberen om iets goeds voor de dieren te doen. Veel mensen denken er bijvoorbeeld over vegetariër te worden, maar worden tegengehouden door het idee dat ze het vast niet zullen volhouden. Dus eten ze vlees. Maar in een niet-consistente wereld kun je ook deeltijdvegetariër zijn, en bijvoorbeeld één keer in de week vlees eten. En ook zonder meteen dierenactivist te worden kun je veel doen tegen dierenleed. Wandelen met asielhonden, kiloknallers boycotten, dierproefvrije cosmetica kopen. In zo’n wereld kun je misschien zelfs een stukje vlees eten van de barbecue, terwijl je een traantje laat om een kalfje dat je hart heeft gestolen.

Meer lezen over onze ambivalente relatie met dieren: Hal Herzog, We aaien ze, we haten ze, we eten ze, Ten Have, € 24,90