Niemand komt zomaar de Bijlmerbajes binnen. Ook niet de psychologen van de Forensische Observatie en Begeleidingsafdeling, een van de onderdelen van wat officieel de Penitentiaire Inrichtingen Amsterdam heet. En dus leggen Tessa Colthoff, Wendy Weijts en Manuel Geurkink elke ochtend hun tas in de röntgenscanner terwijl ze zelf door een detectiepoortje stappen. Regelmatig slaat dat poortje alarm, maar meestal weten ze dan zelf al: o ja, die riemgesp, de hakken van mijn laarzen.

Nee, oorzaak is nooit de omvangrijke sleutelbos waarmee ze binnen de hele dag rondlopen. Die krijgen ze namelijk pas uitgereikt als ze verder­op bij de meldkamer hun pasje hebben getoond. Het uitreiken van deze metaalbundel wordt nauwgezet geregistreerd, net als de terug­gave na afloop van de werkdag.

Oké, we zijn pieploos de poort door. De mobieltjes zijn in de kluis gestopt – geen denken aan dat hier een gsm’etje mee naar binnen gaat –, de piepers zijn uit de oplaadwand gehaald en het bezoek heeft zich al twee keer moeten identificeren. Op naar de lifthal.

Daar blijkt meteen waarvoor de sleutelbos het meest wordt gebruikt. De personeelslift zit namelijk op slot. Als hij na indruk van de aanvraagknop arriveert, kun je er alleen in als je een sleutel hebt. Kijk, wijst Weijts in de lift: ‘Daar zit ook een camera.’ Ze wuift er even naar. ‘Je wordt hier de hele dag in de gaten gehouden. Voor onze veiligheid, maar de meldkamer maakt er ook een spel van mensen te volgen. Dan krijg je bij het uitchecken te horen dat je écht te veel koffie drinkt.’ Ze lacht. ‘De sfeer hier is goed. Daar werken we ook bewust aan. Want je moet het hier in onveilige situaties wel van je collega’s hebben.’

Geen gevangene, maar patiënt

De Forensische Observatie en Begeleidings­afdeling, kortweg foba, is een psychiatrisch ziekenhuis binnen een huis van bewaring. Haar medische staf bestaat uit artsen, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers, psychiaters en psychologen. Colthoff, Weijts en Geurkink zijn drie van de zes klinisch psychologen die de afdeling telt. Hun taak bestaat onder andere uit het voeren van individuele gesprekken met gedetineerden en het coördineren van de behandeling, maar vooral ook uit het coachen van de ‘werkvloer’ – de begeleiders die op de zeven paviljoens van de foba de dagelijkse patiëntenzorg bieden.

Patiëntenzorg, inderdaad. Gedetineerden worden hier consequent als patiënt aangeduid, en ze verblijven niet in een cel maar in een kamer. ‘We proberen hier een ander klimaat neer te zetten dan je elders in de gevangeniswereld vaak ziet,’ vertelt Colthoff; ‘wij werken vanuit een psychiatriementaliteit.’ Niemand op de foba draagt dan ook een uniform.

Maar eenmaal op Weijts’ werkkamer laten de tralies voor haar raam er geen misverstand over bestaan: we zijn in een gevangenis en de 66 psychiatrische patiënten die in de foba-toren verblijven, zijn gedetineerden. Niet allemaal hebben ze iets verschrikkelijks op hun kerfstok, sommigen zitten bij wijze van spreken voor het stelen van een pakje shag. Maar er zijn hier ook patiënten die zeer gewelddadige delicten hebben gepleegd.

Wat alle bewoners gemeen hebben, is dat ze in een psychiatrische crisis zijn geraakt en daardoor elders niet meer te handhaven waren. En dat ‘elders’ slaat op alle penitentiaire inrichtingen in ons land. De foba is namelijk enig in haar soort in Nederland. Elders heb je nog wel Foren­sische Schakel Units en Individuele Begeleidings Afdelingen, maar wat ze daar boven het hoofd groeit, wordt naar de Bijlmer doorgeschoven. ‘Het afvalputje van Nederland,’ noemt Weijts de afdeling dan ook: ‘Mensen die hier belanden, zijn te ziek voor justitie en te crimineel voor de gezondheidszorg. Ze zijn bijna allemaal in probleemgezinnen opgegroeid, hebben een uiterst triest leven achter zich en hebben vaak een heel ingewikkelde psychiatrische problematiek.’

Geurkink verwoordt het later die dag iets anders. ‘De top van de justitiële crisisinterventie in Nederland,’ noemt hij de foba trots. ‘Elders kunnen mensen nog geweigerd worden omdat men niet de mogelijkheid heeft ze te behandelen, maar wij nemen áltijd op. En lastige patiënten doorschuiven is er hier niet meer bij. Wij werken dus als het ware met de rug tegen de muur. Maar dat maakt ons inventief, het lukt ons bijna altijd. De meeste mensen zitten hier gemiddeld maar twee maanden. Maar tegen de tijd dat ze teruggaan naar de “gewone” gevangenis of door­gaan naar een tbs-instelling of een psychiatrisch ziekenhuis, zijn ze weer aardig gestabiliseerd.’

Nooit platspuiten

In twee maanden kun je natuurlijk niet heel veel doen. Niet naar de mogelijke oorzaken van een stoornis in de jeugd graven, geen langdurig behandeltraject afleggen. Daar is de foba dan ook niet voor. ‘De crisis aftoppen’, dat is wat ze hier doen; weer enige rust in het leven van de gedetineerden krijgen door ze medicatie, psychische ondersteuning en verzorging te geven.

En dat is hard nodig, want een gevangene die naar de foba wordt overgebracht, is flink in de war. Meestal was hij (91 procent van de patiënten is man) dat al voor hij het vergrijp beging dat hem in handen van justitie bracht, maar sommige mensen draaien pas in gevangenschap door.

Hoe dan ook, de crisis waar foba-patiënten in belandden, was zo heftig dat ze meestal in de isoleercel zijn beland in de gevangenis waar ze vandaan komen. Als het tegenzit en ze niet direct bij de foba terechtkonden – er is een wachtlijst – hebben ze daar al een tijdje gezeten voor ze hier arriveren. Niet echt bevorderlijk voor hun toestand.

‘Wij proberen dan de ingang te vinden door hun gezonde deel aan te spreken,’ vertelt Colthoff. ‘“Goh, waardoor is het misgegaan,” ­vragen we dan. “Hoe sta jij erin? Wat zijn je plannen?” Mensen beginnen hier als het ware opnieuw. Dat is vaak een enorme opluchting voor ze.’

Wat de patiënten ook goed doet, vervolgt Colthoff, is dat hun belevingen hier serieus worden genomen. ‘In de gevangenis krijg je kort­weg het stempel “gek” als je beweert dat de ­bewaking je iedere nacht verkracht. Hier gaan we op zo’n verhaal in: “Dat moet heel beangstigend zijn. Wat doen we eraan?” We ontkennen het dus niet, maar zoeken naar oplossingen.’

Overigens laat lang niet iedere patiënt zich zo makkelijk voor de foba-aanpak winnen. Regelmatig gebeurt het dat nieuwkomers weigeren over hun medische achtergrond te vertellen, en ook geen toestemming geven om informatie over eerdere behandelingen op te vragen. ‘Dan besluiten de artsen naar eigen inzicht welke medi­cijnen we toedienen,’ vertelt Colthoff. ‘Als die aanslaan, veranderen de meeste patiënten gelukkig van inzicht en geven ze alsnog toestemming om eerdere behandelaars of ouders te bellen.’

En dan zijn er nog de mensen die iedere medi­catie weigeren. In die gevallen kan de foba dwangmedicatie toedienen, als enige gevangenisinstelling in Nederland, omdat er 24 uur per dag medische zorg aanwezig is. Gemiddeld twee keer per week oordeelt een van de psychiaters dat dwangmedicatie noodzakelijk is. Omdat iemand vreselijk agressief wordt, bijvoorbeeld. ‘Mensen in een psychose kunnen supersterk zijn,’ vertelt Weijts. ‘Dan heb je soms wel acht mensen nodig om ze in bedwang te houden.’ Andere keren gaat het om mensen die ervan overtuigd zijn dat ze vergiftigd worden en daarom weigeren te eten. Een antipsychoticum moet ze dan uit die levensbedreigende waan halen. ‘Maar het gaat nooit om platspuiten,’ bezweert Weijts. ‘We proberen een zodanige dosis toe te dienen dat ze rustiger worden. Meestal stemmen ze daarna uit zichzelf toe in verdere medicatie.’

Stalen toiletpotten

Zo’n actie vindt meestal plaats op de isoleer­afdeling van de foba. Vandaag zit er één patiënt, een vrouw. Ze is suïcidaal. Op dezelfde etage houdt een begeleidster haar via een monitor in de gaten.

De overige vijf cellen zijn leeg: geen patiënt, en op een matras en een schuimrubberen zitelement na ook geen meubilair. Uit een van de ruimtes walmt ons een doordringende geur tegemoet. ‘Hier zat een jongen die ernstig regressief was,’ licht Weijts toe. ‘Dan gaan mensen wel eens met uitwerpselen smeren.’ De muren moeten nog worden schoongemaakt.

Alle isoleercellen hebben een stalen toilet, zodat geen patiënt zich met de scherven van een porseleinen pot de polsen kan doorsnijden. Maar één cel heeft sinds kort een zogeheten Frans toilet, een in de bodem verzonken metalen plaat met afvoergat: aangebracht nadat een patiënt zichzelf toch nog levensgevaarlijk had weten te verwonden aan de rand van de metalen wc. De man had in psychotische toestand een gruwelijk delict begaan en kon daar niet mee omgaan, weet ­Weijts. Later op de dag laat ze doorschemeren dat zijn verhaal haar behoorlijk heeft geraakt.

Niet dat zij of haar collega’s de indruk wekken dat ze zich afsluiten voor het leed van de patiënten omdat die soms zulke vreselijke dingen hebben gedaan. Weijts vertelt dat ze maar één keer echt moeite heeft gehad om met een patiënte om te gaan, en dat kwam vooral doordat ze zelf zo onverstandig was geweest het dossier van die patiënte helemaal te lezen. De vrouw had namelijk tijdens een psychose een kind vermoord. ‘Dat heeft mijn contact met haar erg belemmerd,’ besluit Weijts droog.

En oké, tijdens de patiëntenbespreking op de long stay-afdeling glipt er af en toe een flauwe opmerking doorheen. Bijvoorbeeld als ter sprake komt dat een van de patiënten elke dag twee slaappillen krijgt. ‘Eén voor hemzelf, één voor zijn stemmen,’ grapt de arts. Maar dat doet Geurkink later af als ‘politie­humor’: een manier om de spanning af te rea­geren die de medewerkers hier onvermijdelijk opbouwen. ‘Verder wordt hier erg respectvol gewerkt met soms heel gevaarlijke en zieke mensen.’

Hoe hij zelf met die spanning kan leven? Ach, je went eraan, antwoordt hij nonchalant. ‘Natuurlijk vervormt dit werk je. Ook buiten de foba scan ik mijn omgeving wel eens op vreemde figuren. In een café zal ik nooit met mijn gezicht van de deur af gaan zitten.’ Maar het positieve overheerst: de uitdaging van het kortebaanwerk, het feit dat ze in korte tijd veel resultaat kunnen behalen.

Een voorbeeld? ‘Er zat hier een man die zichzelf letterlijk opat. Hij knaagde zelfs de botten van zijn vingers stuk. Toen hij hier binnenkwam, was hij een hoopje ellende – hij had weken niet geslapen en nauwelijks gegeten. Kort na zijn komst ging ik een paar dagen met vakantie en toen ik terugkwam, werd ik heel vriendelijk begroet door een nieuwe, verzorgd ogende patiënt. Pas toen ik merkte dat hij twee vingers miste, herkende ik hem. Dáár doe je het voor.’[/wpgpremiumcontent]