In de gesprekskamer schuift hij steevast zijn stoel een meter van de tafel af. Handen diep weggestoken in zijn zakken. Bedachtzame spraak.

Inge Schilperoord: ‘Ben ik wel zo anders dan de mensen die ik behandel in de gevangenis?’

Waarom gaat de een het foute pad op en de ander niet? Deze vraag fascineert forensisch psycholoog In...

Lees verder

De dertigjarige fabrieksarbeider die langzaam met een plastic staafje in zijn bekertje koffie roert, is gearresteerd voor een uit de hand gelopen bargevecht en daaropvolgend een aanval op een politieagent. Het is de zoveelste keer dat hij vastzit.

We spreken veel over zijn agressie. Hij praat erover als iets dat buiten hem staat en tegelijk in hem woekert. Wanhopig: ‘Het verpest mijn leven, maar wat kan ik doen? Het is groter dan ik zelf ben.’

Hij koppelt de woede aan alle ‘vernederingen’ die hij van jongs af aan meemaakte. Met een strakgetrokken gezicht somt hij ze op. De ‘lekkende flats’ waar hij met zijn moeder woonde. Steeds weer plotselinge uithuiszettingen. Haar vriendjes met losse handjes. En zijn stiefopa hield ook onder de dekens zijn handen niet thuis.

We nemen altijd maar aan dat iedereen baas is over zijn eigen lijf. Maar ik vraag me steeds vaker af of dat wel zo is. Vooral sinds ik een aantal indringende boeken las over dit thema.

Auteurs als de Franse Édouard Louis stellen dat veel kwetsbaren in onze samenleving de beleving hebben dat hun lichaam niet van hen is. Het lijdt onder de gevolgen van maatschappelijke misstanden. In Ze hebben mijn vader vermoord beschrijft Louis zijn vaders ziekte en dood door armoede en belabberde werkomstandigheden.

De beleving dat je eigen lichaam van jongs af aan niet veilig is, zie ik vaak terug in de voorgeschiedenis van de mensen die ik als forensisch psycholoog onderzoek. Ze beschrijven het beangstigende gevoel dat ermee wordt gesold en zij er machteloos bij staan.

Een voor de hand liggend wapen tegen de onmacht is agressie. Maar soms wordt die zo oncontroleerbaar dat het hun eigen vijand wordt.

Zo ook bij de dertigjarige fabrieksarbeider. Nu hij volwassen is ‘gaat het goed, zolang ze niet aan me komen’. Dan stijgt zijn woede ‘in een seconde van nul naar honderd’.

Een dronkaard die in een café, al dan niet per ongeluk, tegen hem aanviel sloeg hij total loss. De agent die hem daarna ‘te hardhandig’ arresteerde kon dat ternauwernood navertellen.

In het PBC is hij de rust zelve. Gemotiveerd. Voorzichtig positief denken we aan therapiemogelijkheden. Tijdens zijn straf, en erna. Maar dan wordt er een nieuwe jongen opgenomen. Die daagt hem uit.

Om een uitbarsting te voorkomen schrijven we samen een plan. ‘Als ik kwaad word, loop ik weg. Even praten met de groepsleiding, roken, me opdrukken op cel. Gaat lukken.’

Wekenlang lukt het inderdaad. Hij is trots. Tot de jongen hem duwt. Onmiddellijk neemt zijn lichaam het over. De woede waarmee hij uithaalt komt duidelijk van ver.

‘Raak me niet aan!’ schreeuwt hij tegen de beveiligers die hem overmeesteren. Maar pas in een houdgreep komt zijn lijf tot rust. Wordt langzaam weer van hem. Bij vertrek uit het PBC heeft hij weer een aangifte op zak.