Inge Schilperoord: ‘Ik werk nu twintig jaar in de forensische psychologie. En soms denk ik aan al die mensen die ik in die tijd heb zien passeren, al die verdachten die ik sprak. In gedachten zie ik hun gezichten aan me voorbijtrekken, sommige nog scherp. Ik hoor ze praten en zie ze tegenover me zitten in hun cel of in een spreekkamer.

TEST
Doe de test »

Hoeveel kennis heb je van de psychologie?

Twee stoelen, een tafel, een alarmknop. Ik zie hun ogen, hun gebaren, hoe ze rookten, naar mij keken, loerden, lachten, van mij wegkeken, in zichzelf keken. Hun handen op tafel, afgekloven nagels, lange nagels, mooie schone handen, werkershanden, zegelringen, wondjes, shagjes.

Waarom deden zij wat ze deden?

Hun uitleggende gebaren, hun stemmen soms zo hard, hun machteloosheid, verdriet, tatoeages, kaalgeschoren koppen, rastaharen, gouden tanden, geen tanden, jonge ongeschonden gezichten of een huid vol vervaagde littekens. Versuft van de pillen of soms alert als een gekooid dier. En dan denk ik: waarom deden zij wat ze deden? Waarom overtraden zij de wet? En: waarom deden zij dat wel en ik niet?

Ben ik zo heel anders dan de mensen achter die tralies, in die betonnen kooien? Dat vraag ik mezelf de laatste tijd vaak af als ik mijn werkplek verlaat en langs de gevangenis richting de uitgangspoort rijd. Als ik de schimmen achter de getraliede ramen zie bewegen.

Het antwoord is nee. Tenminste: ja, ik ben heel anders dan sommigen van hen. Dan degenen die er plezier aan beleven om anderen te pijnigen: de psychopaten, de sadisten. Maar dat is gelukkig een minderheid. Maar ben ik zo anders dan de meesten van hen? Nee, dat denk ik niet.

Want veruit de meesten handelen vanuit dezelfde motieven als ik. Ze zoeken naar veiligheid en bescherming, naar comfort, maar ook naar opwinding. Ze willen ergens bij horen, iemand zijn, wat voorstellen. En als ze ergens denken liefde en een thuis te hebben gevonden, doen ze er alles aan dat niet te verliezen. Net als ik.

Maar ook zij moeten roeien met de riemen die ze hebben en die van hen zijn vaak beschadigd. Versplinterd aan de handvatten, vermolmd, verbogen. Bij sommigen werden de riemen in de loop van hun leven gewoonweg uit de handen geslagen. Door het lot of door henzelf. Doordat ze een verkeerde afslag namen waarna de weg terug steeds moeilijker werd.’

Stappen in de trechter

Inge Schilperoord: ‘De laatste tijd heb ik me verschillende keren overgegeven aan een verbeeldingsoefening. In mijn hoofd spoel ik de band van mijn eigen leven terug en denk aan de ‘afslagen’ die ik zelf heb genomen – bewust of onbewust. Gedreven door ingeslepen patronen, (sub)culturele verwachtingen of ingrepen van buitenaf; van ouders en leerkrachten. Ik zie het als een trechter. Met elke stap op het ‘juiste’ pad is de volgende meer vanzelfsprekend, makkelijker. Maar op het ‘foute’ pad werkt die trechter net zo.

Ik moet hierbij denken aan een jongen die ik laatst psychologisch onderzocht. Voor het gemak noem ik hem Rico. Rico is 20 en een schichtig, wantrouwend mens. Dat is niet zo raar als je bedenkt dat hij is opgegroeid met een moeder met een verstandelijke beperking die rookte, dronk en snoof tijdens haar zwangerschap. Ze werkte bij de plantsoenendienst, maar kluste ’s avonds bij als prostituee.

Rico’s vader was een klant die met de noorderzon verdween zodra zij zwanger bleek te zijn. In haar eentje kreeg Rico’s moeder de opvoeding niet voor elkaar. Ze sloeg hem als hij hard huilde, want ze verdroeg het gekrijs niet. Maar hulpverleners in huis moest ze ook niet, want die waren niet te vertrouwen.

5 dingen waaraan je de huis-tuin-en-keuken-psychopaat herkent

In Hollywood zijn psychopaten bijna altijd koelbloedige seriemoordenaars. Die zijn natuurlijk extree...

Lees verder

Op zijn 9de wordt Rico uit huis geplaatst. Hij weet van niks, maar tijdens de schoolpauze staat daar opeens een busje van Jeugdzorg. Hij moet mee. ‘Ik wilde niet,’ vertelt hij en nog steeds slaat zijn stem ervan over. ‘Ik wilde thuisblijven.’

In dezelfde voetsporen

En dus loopt hij steeds weer weg, waarbij hij eindeloze afstanden aflegt langs het spoor of dwars door de stad, terug naar mama. Mama die hem in haar armen sluit, maar ook een tik verkoopt als hij druk is en die vergeet hem eten te geven wanneer ze stoned is. Steeds weer komt het busje voorrijden. De hulpverlening zit met de handen in het haar en Rico verslijt 42 behandelinstellingen. Na zijn 18de worden dat gevangenissen.

Inmiddels staan er heel wat diagnoses achter zijn naam: chronische post-traumatische stressstoornis, hechtingsstoornis, borderline. En gaandeweg neemt hij steeds meer afslagen die volgende stappen afsnijden. Hij wordt verliefd op een prostituee, verwekt een kind bij haar. Maar hij is niet zoals zijn vader, hij blijft.

Alleen verdraagt hij al die mannen niet en is vreselijk jaloers. Hij slaat en stalkt haar, waardoor hij wordt opgepakt. Wanneer hij daarna op straat belandt, is daar de heroïne. Goed tegen de angst en de kou, maar ook vreselijk verslavend. Inmiddels heeft hij zo vaak rillend van de cold turkey in een kale politiecel gezeten, dat hij in paniek raakt van kleine ruimtes. In de gevangenis snijdt hij zichzelf.

Ik stuit in zijn dossier op een psychologisch onderzoek uit de tijd dat Rico 8 jaar oud was en het busje van Jeugdzorg nog niet was geweest. Die nacht kan ik niet goed slapen. Er is in die periode een psychologisch onderzoek aangevraagd om te kijken of Rico autisme had. Hij kon zo moeilijk doen op school en keek de leraren niet aan.’

Gestalte van inkt 8

‘De kinderpsycholoog nam echt de tijd voor Rico, won zijn vertrouwen door spelletjes met hem te doen en met hem te kletsen. Na een paar weken zag hij een heel ander kind. ‘Rico heeft een schild om zich opgetrokken, hij vertrouwt volwassenen niet,’ schrijft de psycholoog.

‘Maar wanneer hij zich eenmaal veilig voelt, ontmoet ik een nieuwsgierige, levendige jongen die op een leuke manier contact maakt. Hij kijkt me aan, is gezellig, praat honderduit en wil zelfs niet meer weg. Hij is ook leergierig en slim. Rico heeft een IQ van 115, met een beetje goede wil genoeg voor de universiteit. Hij is vooral sterk in taal en ruimtelijk inzicht en wil later piloot worden.’

Dan denk ik weer aan mijn eigen afslagen. Hoe anders het ook voor mij had kunnen gaan, voor iemand met mijn temperament. Als puber was ik een vreemde eend in ons gezin. Mijn ouders wisten niet wat ze met me aan moesten. Ik was eindeloos nieuwsgierig, een thrillseeker. Een voor mij onbegrijpelijke drift dreef me steeds naar buiten, het huis van mijn lieve brave ouders uit en de straat op. Doodsbang was ik, maar hongerig naar indrukken en contact. Ik wilde weten, voelen hoe het leven echt was. Wie de anderen waren en wie ik was.

Ik kwam op plekken terecht waarvan ik nu denk: die andere afslag had ik zo makkelijk kunnen nemen. Zoals in de coffeeshop waar ik altijd rondhing. Ik denk aan een van die avonden daar, net 14 was ik. Een ouder meisje in spijkerjack staat voor de spiegel op het toilet. Ze draait zich om en biedt me cocaïne aan op een spiegeltje. Mijn hart bonkt heftig in mijn keel. Ik schud van nee. Ze dringt aan: ‘Echt niet? Wil je echt niet? Weet je het zeker? Het is echt onwijs lekker, hoor.’ Ze lacht en is zo wild en vrij.

Eigenlijk wil ik wel, graag zelfs. Ik wil het allemaal meemaken. Alles. Maar ik ben ook bang. Het is tentamenweek en ik wil niks verpesten, want ik doe het goed op school. En bovenal heb ik daar iets ontdekt wat me muren heeft gegeven tegen de tocht en een dak boven mijn hoofd: de taal. Als een bezetene ben ik aan het schrijven geslagen.

Ik maak verhalen en gedichten – verhuisdozen met dagboeken, schriften en losse papieren vol. Alle mensen die ik in de coffeeshop ontmoet, krijgen een gestalte van inkt. En als ik heel soms iets durf te laten lezen aan vrienden of mijn leraren word ik geprezen. Om hoe ik dit gekke instrument, die verhalenmaakmachine, beheers.’

Zo naïef

Soms denk ik aan een jongen die ik ontmoette in diezelfde coffeeshop. Een jongen met heldere ogen en lang haar. We raakten bevriend, of dat dacht ik. Urenlang zat ik met hem op een houten bankje aan een tafel. Hij leerde mij backgammon spelen. Ik was 16, hij begin 20.

Een keer vertelde ik hem over een ruzie met mijn ouders, vol vuur en afkeer, zoals pubers kunnen zijn. Ik wilde nóóit meer terug naar huis, nu had ik het écht gehad, écht. Ze begrepen me gewoon niet. Hij luisterde en keek me zo begripvol aan, glimlachte, haalde wat te drinken. Daarna: zijn hand in mijn nek, eerst zacht, fijn en geruststellend, maar toen verplaatste hij de hand naar mijn been. Dat wilde ik niet en ik schoof wat van hem weg.

‘Ga gewoon met mij mee naar Thailand,’ zei hij. Hij zou drie weken gaan, iets met zijn werk. Wat tof, schoot door me heen. Ik herinner me de opwinding van dat vooruitzicht. Drie weken geen school, weg uit onze suffe wijk en ik hoefde niks te betalen. Ik was zo naïef. Het is dat die hand me afschrikte. Dat er op de achtergrond mijn ouders, school en de taal waren. Het gevoel dat ik iets wilde met die taal, daar iets mee kon. Nu denk ik: er was een wazige, maar toch al bestaande toekomst die aan me trok. Wie weet wat ik anders had gedaan.

Later bleek dat deze jongen coke smokkelde en een meisje nodig had om zijn reis minder verdacht te doen lijken. Hij werd gepakt en ondertussen studeerde ik psychologie en criminologie en vond nieuwe vrienden. Mijn temperament leefde ik uit in mijn werk in de gevangenis en in het uitgaansleven. Hij belandde achter de tralies, ik ervoor.

 

Inge Schilperoord werkt als forensisch psycholoog bij onder andere het Pieter Baan Centrum en is schrijver van het boek Muidhond, dat op de shortlist van alle literaire prijzen stond. Vanaf volgende maand schrijft ze in elk nummer een column over de overeenkomsten tussen de mens vóór en áchter de tralies.