De Friese tandartsassistente Sietske H. beging in de periode 2003-2010 een serie gruweldaden: ze vermoordde haar vier pasgeboren baby’s. Vlak na hun geboorte stopte ze een stukje stof in de mondjes van de baby’s, waarna ze stikten. Vervolgens wikkelde ze de lijkjes in een handdoek en stopte ze weg in een koffer op zolder.

Het grote breinboek

Bestel nu het grote breinboek in onze webshop!

Zware misdaden, maar Sietske H. kreeg een relatief lage celstraf van drie jaar. Uit hersenonderzoek was gebleken dat ze ‘polymicrogyrie’ heeft: aangeboren misvormingen in de hersenschors, met als gevolg dat ze geen zelfreflectie heeft, impulsief is en een gebrekkig normbesef bezit. Het gerechtshof verklaarde haar verminderd toerekeningsvatbaar en ­besloot dat ze na haar celstraf behandeling in een tbs-kliniek moet ondergaan: ze wordt gezien als half misdadiger en half psychiatrisch patiënt.

Sietske H. is slechts één voorbeeld van hoe de groeiende wetenschappelijke kennis over de werking van de hersenen steeds meer de rechtszaal binnendringt. Uit een nog te publiceren inventarisatie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie blijkt dat in Nederland tussen 2000 en 2012 in 230 strafzaken is gerefereerd aan neuro­wetenschappelijke kennis.

‘In een aantal van die zaken leidde neurobiologisch onderzoek duidelijk tot mildere straffen,’ zegt wodc-onderzoekster Katy de

Kogel. ‘In andere zaken was de rol daarvan niet groot; vaak vormen neurobiologische gegevens maar een van de onderdelen van het onderzoek van een verdachte door gedragsdeskundigen. Wel is mijn indruk dat diagnoses uit hersenonderzoek de laatste jaren een belangrijkere rol zijn gaan spelen bij rechtszaken.’

Is er dan nu zoveel meer bekend over het ‘criminele brein’?

Ja, sinds midden jaren negentig groeit het aantal neurowetenschappers dat ­onderzoek doet naar de biologische ­basis van criminaliteit – mede dankzij de steeds verfijndere scantechnieken waarmee nu hersenonderzoek kan ­worden gedaan.

In de jaren zeventig en tachtig was het aandragen van biologische verklaringen voor criminaliteit nog taboe. Toen was de algemeen geaccepteerde mening dat criminelen niet zo worden geboren maar gemaakt: armoede, werkloosheid en wonen in een slechte buurt werden als grote oorzaak van criminaliteit aangewezen. De Leidse hoogleraar Wouter Buikhuisen werd in de jaren tachtig nog verguisd omdat hij had gesuggereerd dat ook biologische aanleg tot misdaad kan leiden.

Kun je met de huidige technieken afzien aan iemands hersenscan of hij crimineel is?

Op die vraag is niet zomaar antwoord te geven. De neurowetenschap staat pas aan het begin van het uiteen­rafelen van het brein, laat staan het ‘criminele’ brein – en dan gaat het nog niet eens over de onmogelijke vraag wat dan de definitie is van ‘crimineel gedrag’; het ligt er maar aan waar je de grens trekt.

Wat de neurowetenschap tot nu toe heeft ontdekt, is dat de hersenen van seriemoordenaars, psychopaten en andere gewelddadige criminelen vaker bepaalde afwijkingen laten zien. Daar is wel een kanttekening bij nodig: er zijn nog altijd genoeg misdadigers die deze brein­afwijkingen niet hebben, net zo goed als dat er mensen zijn mét die nooit een misdaad begaan.

Om welke breinafwijkingen gaat het precies?

Een minder goed functionerende prefrontale cortex en/of amygdala zijn sterke voorspellers voor gewelddadig crimineel gedrag, stelt Adrian Raine, vooraanstaand hoogleraar neurocriminologie aan de universiteit van Pennsylvania, in zijn onlangs verschenen boek Het gewelddadige brein (Balans,€ 24,90).

Raine onderscheidt twee typen misdadigers: impulsieve en planmatige. ‘Bij de eerste groep is vaker een verminderde werking van de prefrontale cortex te zien en een te hoge activiteit in de amygdala,’ legt hij desgevraagd uit. ‘De prefrontale cortex is het gebied dat normaal gesproken de rem zet op de emoties die uit de amygdala komen, opdat we niet alles meteen doen wat we denken. Maar bij dit type criminelen ontbreekt die rem en is de reactie uit de amygdala heftiger. Daardoor gaan ze eerder over tot ontoelaatbaar gedrag, zoals stelen en moorden.’

Bij de tweede groep, de psychopaten, draait het vooral om een verminderde werking van de amygdala. Raine: ‘Daardoor kennen ze weinig stress en kunnen ze geen angst en empathie voelen. Dat maakt dat psychopaten geen gevoel hebben voor wat goed en slecht is en ze zo koelbloedig en berekenend te werk kunnen gaan.’

De aanleg voor criminaliteit wordt overigens ook beïnvloed door de werking van het cardiovasculaire systeem en autonome zenuwstelsel, benadrukt Raine. ‘Die staan bij mensen met een antisociale persoonlijkheid vaker lager afgesteld, waardoor ze een lagere hartslag hebben en minder snel zenuwachtig worden. Dat maakt de weg vrij voor het zich ­ontwikkelen tot een onbevreesde, gewetenloze persoon die graag risico’s neemt – wat kan uitmonden in crimineel, gewelddadig gedrag. Kijk naar de Unabomber, de seriemoordenaar die in de vs in de jaren zeventig, tachtig en negentig een reeks bommen liet afgaan: hij blijkt een extreem lage hartslag te hebben.’

Hoe ontstaan de hersenafwijkingen waarover het hier gaat?

De oorzaak ligt in een samenspel van genetische aanleg, opvoeding en andere omgevingsfactoren. Grofweg wordt 60 procent van onze persoonlijkheid gestuurd door onze genen en 40 procent door onze omgeving. Een kind kan dus de genetische aanleg hebben voor de genoemde ‘criminele’ hersenafwijkingen, maar als het liefdevol wordt opgevoed, duidelijke grenzen krijgt en geen foute vriendjes heeft, kan het alsnog prima ­terechtkomen; de afwijkingen ontwikkelen zich dan minder snel, of andere hersengebieden worden er sterker door zodat die de afwijkingen kunnen onderdrukken.

Feit blijft wel dat biologische oorzaken zoals hersenafwijkingen en een relatief lage hartslag de kans vergroten dat iemand beroepscrimineel wordt. Uit een Duits onderzoek bleek bijvoorbeeld dat kinderen met een ontwikkelingsstoornis in de prefrontale cortex 66 procent meer kans lopen om op latere leeftijd criminele daden te plegen.

Kunnen hersenafwijkingen bij criminelen ook puur door omgevingsinvloeden ontstaan?

Ja, uit een van Raine’s onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat baby’s die tijdens een bevalling met complicaties, zoals ­stuitgeboorte of zwangerschapsver­giftiging, ter wereld zijn gekomen en vervolgens door hun moeder zijn verwaarloosd, als 18-jarige vaker gewelddadig crimineel gedrag vertonen. Volgens Raine komt dat doordat vroege negatieve ervaringen – waaronder ook slechte voeding – de zich nog volop ontwikkelende hersenen aantasten.

Dat is bij kleine kinderen soms al te zien op hun breinscan en eveneens aan hun gedrag: ze herkennen emoties van anderen slecht, kennen te weinig angst, hebben een kort lontje en vertonen vaak geen spijt. ‘Negatieve omgevingsinvloeden kunnen trouwens al in de baarmoeder plaatsvinden,’ zegt Raine. ‘Kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap hebben gerookt of gedronken, ontwikkelen vaker hersenafwijkingen die de kans vergroten dat ze later crimineel worden.’

Wat moeten we doen met kinderen die aanleg tot crimineel gedrag hebben?

Hier lopen de meningen van deskundigen uiteen. Neurocriminoloog Adrian Raine is er in principe voorstander van ze te behandelen, en zo te voorkomen dat ze het slechte pad op gaan. ‘Hoewel eerst meer onderzoek nodig is,’ voegt hij er meteen aan toe. Zijn toekomstbeeld is dat onder kinderen risicogroepen worden opgespoord met behulp van neurobiologische tests; de ouders van die kinderen krijgen dan speciale opvoedingstechnieken bijgebracht om de gevolgen van de ‘criminele’ afwijkingen in de kinderhersenen te verminderen of tegen te gaan.

Rechtspsycholoog Harald Merckelbach van de universiteit van Maastricht kijkt er anders tegenaan. ‘Die “criminele aanleg” waarover neurocriminologen het hebben, is lang niet voldoende om misdaad mee te verklaren,’ zegt hij. ‘Veel mensen raken namelijk in het strafrecht verzeild zonder dat ze een criminele aanleg hebben, en omgekeerd zijn er ook genoeg mensen mét zo’n aanleg die nooit met het strafrecht in aanraking komen. Aan opvoedingsprogramma’s hebben we dus niets.’

Is het mogelijk volwassen criminelen te behandelen voor hun hersenafwijkingen?

Ja, althans, de impulsieve criminelen kunnen aanleren hun reacties uit te stellen, bijvoorbeeld met meditatieachtige technieken; uit onderzoek blijkt dat dat goed helpt. De kouwe kikkers op hun beurt zouden angstiger en stressgevoeliger moeten worden, maar dat is veel lastiger voor elkaar te krijgen. Wel zijn al eerste experimenten gedaan met psychopaten die via neurofeedback hun angstcircuit actiever leerden maken.

Andere mogelijkheden waar onderzoek naar wordt gedaan, zijn magnetische stimulatie van de hersenen en het toedienen van het ‘knuffelhormoon’ oxytocine, om daarmee sociaal gedrag en empathie te stimuleren. Daarnaast wordt onderzocht hoe met medicijnen de stressgevoeligheid van misdadigers valt op te krikken.

Maar is dit soort therapieën wel ethisch verantwoord?

Dat is inderdaad maar de vraag. Crimineel gedrag staat namelijk nooit op zichzelf. Afwijkingen in de hersenen hoeven er niet per se de grootste oorzaak van te zijn; misschien is het in veel gevallen juist veel beter andere oorzaken aan te pakken. Een ander probleem is dat niet alle mensen met deze afwijkingen crimineel worden. Wanneer ze allemaal zouden worden behandeld, zou een grote groep mensen ten onrechte therapie opgelegd krijgen.

‘Opvoedingsprogramma’s zijn nog ver weg,’ zegt Adrian Raine, ‘maar ik denk wel dat in de nabije toekomst neuro­wetenschappelijke kennis zal worden gebruikt om te beslissen welke gevangenen kunnen worden vrijgelaten en welke nog langer moeten vastzitten omdat ze een gevaar voor de samenleving blijven.’

En dan de hamvraag: zijn misdadigers met hersenafwijkingen niet verantwoordelijk voor hun daden?

Dit raakt aan een filosofische kwestie: waar begint en eindigt onze vrije wil? Volgens neurocriminoloog Adrian Raine hebben misdadigers met hersenafwijkingen ‘een beperkte vrije wil’ en werkt het behandelen van die afwijkingen ­beter dan straffen, ‘hoewel nog ­onvoldoende is onderzocht welke behan­de­lingsmethoden het effectiefst zijn.’

Rechtspsycholoog Harald Merckelbach gelooft wél in vrije wil. ‘In onze maatschappij hebben we met elkaar ­afgesproken dat we volwassenen beschouwen als autonome wezens die binnen de grenzen van de wet hun eigen lot mogen bepalen,’ zegt hij. ‘Dat is de spelregel, en een hersenafwijking doet daar in beginsel niets aan af. Trouwens, waar zou dan de grens moeten liggen tussen hersenafwijkingen die strafrechtelijk relevant zijn en hersenafwijkingen die dat niet zijn? Geen neurowetenschapper die er ooit een verstandig ding over zei.’

Maar stel nu eens dat we erin slagen vast te stellen wat echt afwijkend is en wat matig afwijkend is? Merckelbach: ‘Dan nog is er het probleem waarom iemand met zo’n “echte” breinafwijking plotseling niet meer strafrechtelijk zou mogen worden aangesproken op zijn misdaden. We ontnemen mensen met een breinafwijking toch ook niet hun burgerrechten? We gaan er toch vanuit dat volwassen mensen – ook al zijn ze ziek – in staat zijn hun eigen beslissingen te nemen? Tenzij vaststaat dat iemand zo ziek is dat hij de wereld om hem heen niet meer kan begrijpen, of dat hij niet meer in staat is de regie te voeren over zijn eigen gedrag. Maar om dat vast te stellen is helemaal geen neurowetenschapper nodig, dat kun je ook zo wel aan het gedrag van mensen zien.’[/wpgpremiumcontent]