Maarten is moe. Al maanden eigenlijk, en het gaat maar niet over. Ongelooflijk, als je bedenkt dat Maarten 35 jaar is, succesvol carrière heeft gemaakt en een sociaal netwerk heeft om u tegen te zeggen. Als Maarten ’s ochtends wakker wordt om naar zijn werk te gaan, heeft hij het gevoel dat hij al een zware werkdag achter de rug heeft.

TEST
Doe de test »

Hoe ga je om met slaapproblemen?

Hij heeft vaak spierpijn, kan zich moeilijk concentreren en doet ’s avonds steeds minder. Zijn vorige baan, een veeleisende functie als manager bij een elektronicaconcern, heeft hij verruild voor een minder hectische baan bij een uitgever. Daardoor lukt het hem om overeind te blijven, maar daar is dan ook alles mee gezegd.

Maarten lijdt aan een van de grote ziektes van de moderne tijd. Volgens een enquête onder negenduizend mensen, die werd uitgevoerd door de Universiteit Utrecht en het nivel, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, hebben drie miljoen Nederlanders last van langdurige vermoeidheid. Maar wat houdt dat ‘aldoor moe zijn’ precies in? En, belangrijker, hoe kom je ervan af?

Het zijn deze twee vragen die de Belgische psychiater Boudewijn van Houdenhove al jaren bezighouden. Hij heeft honderden patiënten met medisch onverklaarde vermoeidheid behandeld en daarnaast wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Van Houdenhove: ‘Het moeilijke van vermoeidheid is dat het geen nauw omschreven toestand is. Het is veel eerder een subjectief ervaren gevoel, dat per persoon kan verschillen.

Om er als wetenschapper vat op te krijgen, kun je het het beste beschouwen als een aandoening met verschillende gradaties. Enerzijds heb je de lichte vorm van overspannenheid en helemaal aan de andere kant van het spectrum heb je het invaliderende chronische vermoeidheidssyndroom me. Daartussenin zit de grote middengroep van mensen die weliswaar functioneren, maar continu een zeurend gevoel van moeheid met zich meezeulen.’

Geef herstelprocessen de ruimte

Van Houdenhove omschrijft het verschijnsel chronische vermoeidheid in zijn nieuwe boek Moe in tijden van stress als een aandoening die meestal wordt veroorzaakt door het verkeerd omgaan met stress. ‘In principe is het heel goed dat we moe worden’, stelt hij. ‘Op het moment dat onze energie bijna op is, krijgen we de boodschap dat we het rustiger aan moeten doen.

Als het ons voor de ogen begint te schemeren, is de belasting te groot voor onze draagkracht. Om te kunnen herstellen, zullen we die belasting moeten verlichten. In die zin functioneert moeheid net als pijn, want daarmee duidt het lichaam immers ook aan dat we moeten ophouden met een bepaalde activiteit, omdat anders verdere beschadiging optreedt.’

Van Houdenhove is ervan overtuigd dat er massa’s mensen zijn die zich niet fit voelen en toch niet luisteren naar de eerste waarschuwingssignalen van hun lichaam. Als je moe bent, gebruik je een nacht slapen om de herstelprocessen hun werk te laten doen en sta je de volgende dag weer met een fit gevoel op.

Maar als je de eerste signalen van vermoeidheid negeert en de belasting verzwaart of laat aanhouden, geeft je de herstelprocessen te weinig ruimte. Het waarschuwingssignaal dat vermoeidheid in principe is, verandert zo op den duur in een op zichzelf staande ziekte. Van Houdenhove: ‘Diverse hormonen en het immuunsysteem raken dan ontregeld (zie kader). Ook ontstaat een verhoogde pijngevoeligheid en kunnen concentratiestoornissen optreden.’

Verhoogde kwetsbaarheid

Chronische vermoeidheid kan het best worden verklaard met behulp van een biopsychosociaal model, meent Van Houdenhove. Kort samengevat houdt dit in dat zowel biologische, psychologische als sociale factoren onderling op elkaar inwerken bij het ontstaan en voortduren van vermoeidheid.

‘Hoge werkdruk, perfectionisme, een overmatige behoefte aan controle, en ook bepaalde opvattingen die iemand heeft over zichzelf en de wereld, kunnen een te zware belasting vormen. Ik zie wel patiënten die vertellen dat ze van huis uit hebben meegekregen dat ze ‘maar moeten kruipen’ als ze niet meer kunnen lopen. Die mensen durven gewoonweg niet toe te geven aan de signalen van hun lichaam.’

De biologische kant van chronische vermoeidheid heeft te maken met de neurologische kwetsbaarheid van het stress-systeem, die per persoon kan verschillen. Van Houdenhove: ‘Een grotere kwetsbaarheid kan ontstaan door verstoringen van neurotransmitters in ons brein of door afwijkingen in andere hersenmechanismen. Een minder gunstige opvoeding en waarschijnlijk infectieziekten kunnen ons zenuwstelsel ook gevoeliger maken voor stress.’

Van Houdenhove ziet in zijn spreekkamer veel mensen die klagen over slepende moeheid, maar hij is in de regel niet de eerste hulpverlener bij wie deze patiënten aankloppen. Dat is meestal de huisarts.

Huisarts André Haverkort uit Beuningen, tevens woordvoerder van het Nederlands Huisartsen Genootschap, zegt dat ongeveer twintig à dertig procent van de mensen die bij hem op consult komen, klaagt over vermoeidheid. Eenderde van deze mensen is chronisch moe.

Slaap je slecht? 7 tips om beter te slapen

Moeite met in slaap komen – het overkomt iedereen weleens. Nou is één nacht liggen woelen en dra...

Lees verder

Het blijkt voor huisartsen soms lastig te zijn om de oorzaak van vermoeidheidsverschijnselen te achterhalen. Haverkort: ‘Het is zaak eerst te controleren op lichamelijke aandoeningen: een slecht functionerende schildklier, kanker, maag- en hartziekten en reuma maken immers ook zeer moe.

Ook kan de vermoeidheid een uiting zijn van een psychische stoornis, zoals een depressie.’ Nadat dergelijke oorzaken zijn uitgesloten, blijkt vaak dat patiënten spontaan beginnen te vertellen over bijvoorbeeld hun beroerde werksituatie. Haverkort: ‘Ik hoor dan dat ze in hun baan al maanden op hun tenen moeten lopen. Knap vermoeiend natuurlijk. De diagnose ‘chronisch vermoeid’ is vervolgens snel gemaakt.’

Minder hoge doelen stellen

Onvrede over de werksituatie is oorzaak nummer één bij het ontstaan van langdurige vermoeidheid, zegt arbeids- en organisatiepsycholoog Wilmar Schaufeli, verbonden aan de Universiteit Utrecht. ‘Mensen die aldoor moe zijn, kúnnen niet meer, omdat hun energiereserves op zijn. Maar bovendien wíllen ze niet meer, omdat hun werk veel weerstand oproept. Er is sprake van een verstoorde balans tussen investeringen en opbrengsten.’

Het moeilijkste voor veel werknemers is het erkennen dat de vermoeidheid geen tijdelijke fase is. Schaufeli: ‘Dat besef tast vaak het gevoel van eigenwaarde aan. Het is in onze maatschappij immers taboe om te zeggen dat het werk je boven het hoofd groeit. Je telt pas echt mee als je het altijd maar druk hebt.’

Als je eenmaal zover bent dat je naar de huisarts durft te stappen, kun je in veel gevallen goed worden geholpen. André Haverkort behandelt de meeste chronisch vermoeiden zelf. Soms laat hij de patiënten een dagboek bijhouden, waarin ze van uur tot uur registreren wat ze gedaan hebben en hoe moe ze zich daarbij voelden.

Haverkort: ‘Vaak zie je dat er fluctuaties zitten in de vermoeidheid. Ik heb bijvoorbeeld patiënten die zich in het weekend een stuk fitter voelen dan door de week. In die gevallen is vrij eenvoudig aan te tonen dat er een verband is tussen de vermoeidheid en het werk dat ze doen.’

De oplossing is dan om iets te veranderen aan je gedrag, waardoor het werk minder zwaar wordt. Het werk en je collega’s kun je immers meestal niet in je eentje veranderen. Haverkort: ‘Soms is het nodig om een langdurig sluimerend, energievretend conflict uit te vechten.

Soms ook zit er niets anders op dan ander werk te zoeken dat minder belastend is.’ Wilmar Schaufeli weet nog meer beproefde remedies: ‘Steun zoeken bij anderen, ontspanningsoefeningen doen, minder hoge doelen stellen, een cursus probleemoplossingsvaardigheden volgen, stoppen met koffiedrinken, en vooral: niet te veel werk meenemen naar huis.’

Van nietsdoen word je ook moe

Behalve problemen op het werk, kunnen ook een gebrek aan sociale contacten en een slechte liefdesrelatie oorzaken zijn van zeurende vermoeidheid. Haverkort: ‘Het kost heel veel energie om zonder steun van anderen door het leven te moeten gaan. Maar ook mensen met een partner en veel vrienden en kennissen kunnen doodmoe worden als ze zich steeds moeten aanpassen aan andermans wensen.’

Lang niet alle chronisch vermoeiden zijn zich ervan bewust dat ze hun behoefte aan keuzevrijheid verwaarlozen. Haverkort: ‘Voor die mensen is het aantrekkelijker om te vluchten in moeheid. Als ik ze confronteer met het feit dat ze bepaalde problemen in hun leven nu eens echt moeten gaan oplossen, krijgen ze het Spaans benauwd. De consequentie van meer vrijheid is natuurlijk ook dat je daar moeite voor moet doen, dat je conflicten moet uitvechten.

Het aangaan van dat gevecht vinden sommige patiënten te eng en dan kiezen ze liever voor de moeheid en het schrale bestaan van slachtoffer. Volgens mij gaan hierdoor veel liefdesrelaties naar de knoppen: mensen durven de confrontatie met elkaar niet aan te gaan. Ik denk dat ik slechts een klein deel van de chronisch vermoeiden in mijn spreekkamer krijg. De mensen die ik zie, willen er nog iets aan doen, maar de anderen laten het erbij zitten en gaan ervan uit dat het gewoon bij het leven hoort.’

Het is van belang dat chronisch vermoeide mensen meer informatie krijgen over hun aandoening, vindt Boudewijn van Houdenhove. ‘Er is een gebrek aan kennis. Velen willen hun vermoeidheid bestrijden door lange tijd te gaan rusten. Helemaal verkeerd! Van te veel doen word je moe, maar ook van te weinig doen. Mensen die langer dan een week rusten, raken fysiek ontregeld: hun spierconditie gaat achteruit en hun gewrichten verstijven. Chronisch vermoeiden moeten juist aan hun conditie werken, maar dan wel stapje voor stapje.’

Let op de goede momenten

Sommige mensen praten zichzelf moe, weet Van Houdenhove: ‘Je wordt vermoeider als je steeds denkt “Ik ben zo moe.” Dit soort funeste gedachten vormen het aangrijpingspunt van cognitief gedragstherapeuten, die chronische vermoeidheid behandelen met een kortdurende, gerichte therapie.’

In zijn boek Ik ben zo moe beschrijft cognitief gedragstherapeut Henk Hermans uit Middelburg hoe hij chronisch vermoeiden weer op de been helpt: hij leert ze hun denkgewoonten te veranderen en hun emoties te reguleren.

Een andere behandelmogelijkheid is de constructionele gedragstherapie. Hierbij wordt niet zozeer ingegaan op cognities, maar meer op gedrag. Het doel is om goedlopende momenten te versterken en uit te breiden, met als gevolg dat de vermoeidheidsklachten verminderen of zelfs geheel verdwijnen.

De Utrechtse therapeut Elbert van der Meijde werkt met deze methode. ‘Als het lukt om de patiënt goed te laten kijken naar wat hij de afgelopen dagen heeft meegemaakt, blijkt vrijwel altijd dat hij toch momenten had, hoe kort ook, waarop hij even niet moe was. Die ogenblikken hebben vaak te maken met bezigheden die een gevoel van voldoening geven.’

De therapeut helpt de patiënt zich de goedlopende momenten herhaaldelijk voor de geest te halen. Van der Meijde: ‘Door deze aanpak raken patiënten vanzelf steeds meer gespitst op de goede momenten in het leven. Ze gaan weer letten op de mogelijkheden die het leven biedt en als je die ziet, ga je ze ook benutten.

Het is net als met de aanschaf van een nieuwe auto: als je er een proefrit in hebt gemaakt, zie je ineens overal auto’s van dat type op de weg. Simpelweg omdat je meer oog krijgt voor iets waar je voorheen geen aandacht aan besteedde.’

‘Ik probeer mijn energie beter te verdelen’

Janine uit Maastricht kon vroeger de hele wereld aan. Ze had plezier in haar baan als verkoopster, en in haar vrije tijd was ze druk met uitgaan, inrichten en klussen. Janine: ‘Maar twee jaar geleden, nadat ik zwanger was geraakt van mijn tweede kind, werd ik opeens overal hondsmoe van, en dat gevoel ging niet meer over. Als ik de vaatwasmachine had ingeruimd, kon ik verder de hele dag niks meer. Zo kende ik mezelf absoluut niet.’

Na de bevalling ging Janine weer werken, maar ze bleef moe. Lichamelijk onderzoek leverde niets op. Janine ging in de ziektewet. Zij, haar baby en haar twee jaar oude peuter werden een tijd lang door haar moeder verzorgd. Janines kringetje werd steeds kleiner, waardoor ze in een depressie raakte en nog vermoeider werd.

Haar huisarts gaf haar antidepressiva en verwees haar naar een psycholoog. ‘Die denkt dat ik zo moe ben omdat ik veel minder voor mezelf doe sinds ik kinderen heb. Ik mis de leuke dingen, en daardoor laad ik te weinig op. Ook schijn ik mezelf te zwaar te belasten, omdat ik alles in mijn leven perfect wil hebben.’

Sinds ze een halfjaar geleden begon met de antidepressiva, heeft Janine weer wat meer zin gekregen om dingen te ondernemen. Maar moe blijft ze. Janine: ‘Soms heb ik van die dagen dat ik me prima voel. Zelfs de stofzuiger pakken vind ik dan een feest. Maar het gevaar bestaat dat ik dan te veel doe, met als gevolg dat ik twee dagen later weer voor pampus lig.

Ik houd me maar vast aan mijn huisarts en psycholoog. Die hebben gezegd dat ik er wel weer bovenop kom, al zal dat beetje bij beetje gaan. Ik probeer nu mijn energie beter te verdelen. Dus: vandaag alleen ramen zemen, morgen alleen stofzuigen en overmorgen alleen kleren wassen. Het is niet veel, maar ik ben er blij mee, want een halfjaar geleden kon ik helemáál niks.’

De namen Maarten en Janine zijn om privacyredenen gefingeerd.

• Moe in tijden van stress. Luisteren naar het chronische vermoeidheidssyndroom, Boudewijn van Houdenhove, Warnsveld: Lannoo, isbn 90 209 4323 5
• Ik ben zo moe. Aanpakken van vermoeidheidsklachten, Henk Hermans, Amsterdam: Boom, isbn 90 5352 5

De fysiologie van chronische vermoeidheid

‘Bij mensen die chronisch moe zijn, kan het hormonale systeem uitgeput zijn door langdurige overbelasting’, zegt Judith Sluiter van het Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid in Amsterdam. Sluiter promoveerde op een onderzoek naar de relatie tussen hormonen en werkbelasting. ‘Vooral de stresshormonen cortisol, adrenaline en noradrenaline spelen hierbij een belangrijke rol. Deze hormonen zorgen ervoor dat er snel extra energie kan worden vrijgemaakt.

Wanneer je je inspant om een prestatie te leveren en het idee hebt dat je daar weinig controle over hebt, of wanneer je aan een taak werkt die een uiterste mentale of fysieke inspanning vergt, dan zenden de hypothalamus en de hypofyse de boodschap naar de bijnierschors om meer cortisol vrij te maken. Tegelijkertijd worden vanuit het bijniermerg ook de adrenaline- en noradrenalinespiegels in het bloed verhoogd. Op die manier kunnen we activiteiten die anders te zwaar zouden zijn, blijven uitvoeren.’

Uiteraard eist het draaien op topcapaciteit zijn tol, en moeten we ons ontspannen om de automatische herstelmechanismen de gelegenheid te geven hun werk te doen. ‘Bij adrenaline bijvoorbeeld, moet je daar na een hele werkdag zo’n twee à drie uur voor rekenen’, zegt Sluiter. ‘Zo lang kan het namelijk duren voordat de hormoonspiegels weer terug zijn op hun oude basisniveau.

Daarom kun je ook moeilijk slapen als je de hele avond hebt doorgewerkt. Op dat moment circuleren in je bloed nog te veel hormonen die je scherp houden. Het is dus heel belangrijk dat je rust neemt nadat je een inspanning hebt geleverd. Doe je dat niet, dan slaap je minder snel in, en als je de volgende dag weer vroeg opstaat, heeft je lichaam te weinig tijd gehad om zich te herstellen. Dit geeft op den duur dat algehele gevoel van vermoeidheid dat niet meer over lijkt te gaan.

Als dit je leefpatroon wordt, raken uiteindelijk hart en vaten verzwakt, en duurt het steeds langer voordat je stresshormoonspiegels in ruststand verkeren. Je komt dan in een vicieuze cirkel terecht: je krijgt steeds minder rust en spant je steeds meer in. Het idee heerst dat dit kan uitmonden in ziektes als burn-out en ME.’