Verhalen vertellen: op papier gaat het me goed af, maar live vind ik het een stuk lastiger. Geen tijd om alles nog eventjes te overdenken. Of om iets nog nét wat scherper of grappiger te formuleren. Het komt dan ook geregeld voor dat ik begin aan een sappige anekdote maar halverwege de draad kwijtraak of de clou te snel vertel, waardoor ik veel eerder ben uitgepraat dan ik eigenlijk van plan was.

Hoe krijg ik voor elkaar dat mensen voortaan aan mijn lippen hangen? Dat ga ik leren tijdens de tweedaagse cursus Boeiend vertellen, die wordt gegeven door communicatietrainer Leontine Hoogeweegen.

Tijdens deze dagen komt een breed scala aan oefeningen aan bod. Zo leren we hoe je je publiek bij je verhaal betrekt – ‘Werp een denkbeeldig net over ze heen’ – tot hoe je je stem goed gebruikt: ‘Zorg ervoor dat je stem niet zachter wordt of omhoog gaat. Richt je stem tussen iemands ogen, alsof je daar een bal gooit.’

Maar wat me de eerste dag het meest bijblijft, is dat een goed verhaal een probleem of conflict bevat. Huh? Heb je dat altijd nodig? Hoogeweegen: ‘Ja, eigenlijk wel. Stel: je hebt een heerlijke vakantie gehad, en alles was helemaal geweldig. Dan ben je al snel uitverteld. Wordt je man daarentegen verliefd op de eerste de beste Duitse toeriste die aan het zwembad ligt, dan is dat heel vervelend. Maar je hebt wel een goed verhaal.’ Maar wat als je zo’n probleem – gelukkig – niet kunt vinden? Volgens Hoogeweegen hoeft het conflict niet groot te zijn: ‘Bijvoorbeeld: je had een extra lange surfplank nodig maar kon die aanvankelijk nergens vinden. Of je vertelt wat jou het meeste heeft geraakt of is opgevallen.’

Een andere openbaring: de meeste mensen dénken dat ze beeldend vertellen, maar doen dat niet. Zo vertellen ze in conclusies. Hoogeweegen: ‘Als iemand bijvoorbeeld vraagt: hoe was het in de kroeg? Zeg dan niet dat het heel gezellig was en het eten erg lekker. Vertel in beelden: wat at je precies en hoe smaakte het? Met wie was je daar? Ga in gedachten terug naar dat moment en beschrijf wat je ruikt, hoort en voelt.’

Inderdaad, als ik een verhaal schrijf, let ik erop dat ik dat doe. Maar als ik iets vertel, ben ik al snel geneigd een verhaal af te raffelen en de pointe te vertellen. Omdat ik dan bang ben dat mijn gehoor het anders slaapverwekkend vindt. Maar juist door uitgebreid in beelden te vertellen, neem je anderen meer mee in je verhaal en wordt het minder saai. We oefenen dat door om beurten te vertellen over een zintuiglijke ervaring: iets wat je graag eet of doet.

Er volgen verhalen over spareribs eten in de kroeg, met vlees zo mals dat je het van het bot kunt zuigen. En over dikke pannenkoeken met stroop op een luie zondagochtend. Het water loopt me in de mond bij al die verhalen. Bovendien verbaast het me dat je over zo’n kleine gebeurtenis al zo veel kunt vertellen.

Een vertelling wordt ook spannender als je er contrast in brengt. Dat oefenen we in duo’s door elkaar een verhaal te vertellen en dat op een door Hoogeweegen te bepalen moment donkerder of lichter te maken. Ik begin tegen mijn partner over een zonnig strand. ‘Lichter,’ roept Hoogeweegen. Ik maak het beeld nog vrolijker doordat ik relaxed onder een palmboom lig. ‘Donkerder,’ roept Hoogeweegen plotseling. En voor ik het weet zit ik ingegraven in het zand en dreigt er een kokosnoot op mijn hoofd te vallen.

Vol inspiratie vertrek ik aan het einde van de dag. Boeiende verhalen zijn overal. En straks vertel ik thuis over deze cursus: inclusief over het uitzicht over de omringende weilanden, de kippen die buiten rondscharrelden en de kan geurende versgezette koffie met zelfgebakken cake die in de hoek stond.

 [/wpgpremiumcontent]