Heb je je artikel al af?,’ vraagt mijn hoofdredacteur. ‘Jaaaa,’ aarzel ik, ‘bijna.’ Waarmee ik mijn eerste leugen van die dag er alweer op heb zitten. Het leek zo makkelijk: een dag niet liegen, en daar een verhaal over schrijven. Ik ben namelijk van nature niet zo’n lieger. Ik zeg niet diplomatiek dat je haar leuk zit als het piekerig en uitgegroeid is. En ik bel mijn collega’s eerlijk op als thuis blijkt dat ik per ongeluk het geld van onze lunchpot heb meegenomen. Ik ben juist het tegenovergestelde van een lieger: meer het type van de olifant in de porseleinkast. Zo iemand die tegen een buurvrouw zegt hoe asociaal mensen zijn die hun kinderen niet laten inenten. En dan even vergeet dat haar kinderen ook niet zijn ingeënt.

Een dagje niet liegen is voor mij dus niet zo moeilijk. Dacht ik. De Nederlands/Britse liegdeskundige Aldert Vrij denkt daar anders over. Op mijn vraag wat hij denkt dat er zo’n dag gaat gebeuren, antwoordt hij: ‘Ik wens u sterkte… Dit kan heel goed volledig mislopen, en ik denk eerlijk gezegd niet dat u zich aan uw afspraak zult houden. Het lijkt me dat u sommige

dingen zult gaan verzwijgen.’ In de nrc lees ik over een andere liegexpert, de Amerikaanse Bella DePaulo, die vertelt over een student die bij wijze van experiment een paar weken lang geen leugens vertelde. ‘Het werd een ramp,’ zegt ze. Het experiment werd voortijdig afgebroken en de student moest heel veel mensen zijn excuses maken.

Toch een beetje zenuwachtig geworden, ga ik ter gedegen voorbereiding maar eens turven. Uit onderzoek van bovengenoemde Bella DePaulo blijkt namelijk dat we per dag gemiddeld zo’n twee keer liegen. De Amerikaanse psycholoog Jeff Hancock komt in recent onderzoek op een gemiddelde van 1,6 leugens per dag.

En laat ik daar nou ruimschoots boven komen! (En als u nu denkt dat dat bij u anders zou zijn, nodig ik u uit om net als DePaulo’s proefpersonen ook eens een dagje een blocnote mee te nemen en uw leugens te turven. Ook de kleine leugentjes niet vergeten, zoals het antwoord ‘goed’ op de vraag hoe het gaat.)

Maar uit datzelfde onderzoek van DePaulo blijkt ook dat mensen in één op de vier ‘sociale interacties’ liegen. Blijkbaar hebben die proefpersonen van haar maar acht gesprekken per dag. Ik daarentegen, met mijn drukbezette sociale leven, lieg me een slag in de rondte. Nou ook weer niet zoveel als de proefpersonen van de Amerikaanse psycholoog Roberd Feldman, die dagelijkse conversaties liet opnemen en gemiddeld drie leugens per tien minuten optekende. En dat waren alleen nog maar de expliciete, verbale leugens.

Maar toch. Ik juich: ‘Natuurlijk, leuk!’ als een klein buurmeisje vraagt of ze erbij mag komen zitten. Ik veins interesse in een probleem van een vriendin, terwijl ik onderwijl met een schuin oog op de klok kijk. Ik zeg ‘leuk stuk!’ tegen een freelancer die daarna nog twee dagen werk heeft aan mijn verbeteringen. Ik lieg zelfs tegen mijn zes maanden oude baby, als ik weet dat ze alleen maar op schoot wil zitten, maar toch overdreven enthousiast uitroep: ‘Ooooh, wat ga je lekker in je wippertje liggen!’

Niet om mezelf nu vrij te pleiten, maar mijn redenen zijn over het algemeen wel vriendelijker dan die van DePaulo’s proefpersonen. Zij liegen twee keer zoveel om zichzelf te bevoordelen als om de ander een plezier te doen. Mijn eigen leugens vallen daarentegen bijna allemaal in haar categorie ‘other-oriented lies’: leugens om de ander niet te kwetsen. Vrouwen bedienen zich vaker van dit type leugens, en ze worden op hun beurt ook vaker op deze manier belogen dan mannen. De meest voorkomende leugens in deze categorie: zeggen het ergens mee eens te zijn terwijl dat niet zo is, en veinzen zich positiever te voelen dan men zich voelt.

Vooral van dit laatste heb ik veel last. Je hebt namelijk van die mensen die keihard lachen om het minste of geringste, kent u dat? Uit beleefdheid lach en knik ik dan vaak mee, terwijl ik het eigenlijk niet speciaal grappig vind. Maar, zo lees ik bij DePaulo, dit soort liegen heeft een functie. Het meelachen laat zien dat je samen een ‘symbolische verbintenis’ vormt. Ik herinner me een vroegere vriendin die als je vroeg: ‘Heb jij wel eens dat…’, steevast antwoordde: ‘Nou nee.’ Dat voelde altijd als een lichte afwijzing. Eerlijk, dat wel. Maar ze is nu geen vriendin meer, dat dan weer niet.

De grote dag van de waarheid begint makkelijk. Thuis is het niet moeilijk om de waarheid te zeggen, geheel in lijn met onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat we tegen onze partner het minst liegen (behalve in het beginstadium van een relatie; dan liegen we in bijna de helft van de gesprekken).

Op mijn werk blijk ik echter in een groot liegbeest te veranderen. Vooral bij freelancers die de eerste versie van hun artikel inleveren. De hele dag moet ik de neiging onderdrukken om niet, zoals gebruikelijk, te zeggen: ‘Leuk artikel, maar…’ De waarheid (‘dit verhaal valt me tegen, hier moet je nog veel aan doen’) krijg ik niet over mijn lippen, en ik zeg in plaats daarvan valselijk door de telefoon: ‘Bedankt dat je het zo snel hebt geleverd!’

Helaas, volgens liegexpert Paul Ekman is dit ook liegen. Hij noemt het de ‘verkeerde conclusie-truc’. Stel, je bent op de kunstexpositie van een vriend, en je vindt zijn tentoongestelde werk vreselijk. Voordat je stiekem kunt wegsluipen, stormt je vriend op je af en vraagt naar je mening. Ekman schrijft: ‘“Jerry,— zeg je dan, terwijl je hem diep in de ogen kijkt alsof je overmand bent door emotie, “Jerry, Jerry, Jerry.— Blijf zijn hand vasthouden, blijf hem in zijn ogen kijken.’

Deze truc pas ik vaak toe vandaag, maar daar trapt niet iedereen in. ‘Bedankt voor je stuk,’ juich ik een freelancer toe wier stuk nog veel redactie behoeft. ‘Ja?’ vraagt ze aarzelend. ‘Ja,’ herhaal ik iets te hard, ‘echt bedankt!’ Ze prikt er feilloos doorheen: ‘Maar…?’ Zo’n dag niet liegen vereist opperste concentratie. Als je even niet oplet, verval je toch weer in je vertrouwde leugentjes: nee hoor, je stoort niet. Ja hoor, ik begrijp het.

Die middag vervolg ik mijn niet-lieg-dag vol goede moed. Lekker fietsen met de baby. Het is bloedheet buiten, en continu bezorgd ben ik druk in de weer met parasolletje, zonnehoedje, luifeltje, zonnebrandcrème en windvlaagjes. Een mij onbekende mevrouw rijdt mij voorbij: ‘Heeft-ie het niet te warm?’ Mijn eerste reactie is om vriendelijk te glimlachen en haar verder te negeren, maar plots herinner ik me mijn missie. Ik fiets haar achterop en zeg hard: ‘Denkt u dat ik daar zelf niet aan heb gedacht?’ Ze verweert zich door te zeggen dat haar eigen kind in een grijs verleden eens een zonnesteek heeft opgelopen. Maar ik ben nu helemaal in vorm en herhaal standvastig wat ik eerder zei. Ze is totaal beledigd. ‘Verstand heeft hij die oplet,’ zegt ze vinnig en fietst weg, mij beduusd achterlatend.

De hele verdere weg ben ik bezig met bedenken of ze het nou goed bedoelde, of ik haar in dat geval niet te hard heb aangepakt, of… enzovoorts, enzovoorts. Wat een gedoe, dat niet liegen. Tijdrovend en stressvol.

Dan krijg ik een sms’je van een vriend. ‘Hallo! Hoe gaat het? Ik heb een beetje last van een zomer/hooikoorts/stomwerkdepressie. Gaan we snel wat afspreken? Niet om daarover te zeuren hoor! Liefs, Jeroen’

Help. Ik heb even niet zo’n zin om af te spreken. Jeroen is een schat, maar wel intensief en ik heb even wat anders aan m’n hoofd. Maar is dit wel het moment om eerlijk te zijn? Ik kan natuurlijk terug sms’en dat ik nu net even heel drukke weken heb, maar dat we daarna zeker weer gaan bellen.

Ik krijg er de zenuwen van. De rest van de middag en avond ben ik ermee bezig. Wat moet ik schrijven? Waarom heb ik precies geen zin? Moet ik hem wel opofferen aan mijn eerlijkheidsdagje? Hoe moet ik het formuleren? Uiteindelijk schrijf ik hem: ‘Ik heb nu even geen ruimte in mijn hoofd voor intensieve mensen zoals jij.’ Omdat ik het wel erg bot vind staan, voeg ik er nog aan toe: ‘Zeg maar.’

De dagen daarop hoor ik niets meer. O jee, zou ik hem erg gekwetst hebben? Ik gooi er nog een laf sms’je tegenaan: ‘Vond je het lullig? Ik schrijf een artikel waarvoor ik niet mag liegen.’ Ik krijg een sms terug, dat hij het wel lullig vond maar dat het misschien wel klopt, en veel succes met het niet liegen. Even daarna nog een sms: of ik op mijn beurt zijn berichtje niet lullig vond? Ik hem bellen, op zijn antwoordapparaat inspreken dat ik niet beledigd ben. Hij mij weer bellen, op mijn antwoordapparaat dat hij ook niet beledigd is. DePaulo beschrijft dat proefpersonen de meeste stress krijgen van liegen tegen intimi. Maar probeer maar eens om de waarheid te zeggen tegen intimi!

Uiteindelijk ben ik twee etmalen bezig met iets dat in één zinnetje afgedaan had kunnen worden. Opeens begint het me te dagen: dit bedoelen ze natuurlijk met de uitdrukking ‘eerlijk duurt het langst’!

Het duurt mij inderdaad allemaal veel te lang en het kost me te veel, en ik heb helemaal geen zin meer om nog meer vrienden op hun tenen te trappen. Ik herinner me onderzoek onder middelbare scholieren, waaruit blijkt dat populaire types beter liegen dan hun minder geliefde klasgenoten. Ik wil populair zijn en aardig gevonden worden, en lief zijn tegen de mensen om me heen.

En heel toevallig ligt er een persbericht op m’n bureau, dat meldt dat de meest leugenachtige apen ook de grootste hersenen hebben. Apen die de kunst meester zijn om bijvoorbeeld desinteresse te veinzen in een lekker kostje, zodat mede-apen het niet komen stelen, hebben een grotere hersenschors. Liegen is een verfijnde, hoger ontwikkelde sociale vaardigheid, is de conclusie.

Liegen is dus slimmer, sneller en populairder. Waarom zou ik nog langer de waarheid spreken? In onze maatschappij hechten we zogenaamd zoveel waarde aan eerlijkheid, authenticiteit en ‘jezelf zijn’, maar dat blijkt op zichzelf al een grote leugen. Niemand zit erop te wachten dat je eerlijk bent. Dat bleek ook wel toen ik aankondigde dat ik een dag niet zou liegen. Steevast was de reactie: ‘Als je maar niet bij mij begint!’ Ik hou er dan ook acuut mee op. ‘Heb je even tijd?’, vraagt een collega. Ik laat alles uit mijn handen vallen en draai mijn stoel naar haar om. ‘Ja hoor,’ roep ik opgewekt, ‘natuurlijk!’

De valse glimlach

De meest gebruikte leugen is de nepglimlach. We glimlachen uit beleefdheid om andermans grapjes, om onze teleurstelling te verbergen, we veinzen dat we het leuk vinden iemand te zien. En we zijn er heel goed in. De Amerikaanse liegexpert Paul Ekman concludeerde dat we de gezichtsspieren die nodig zijn om verdriet of angst te simuleren, niet met opzet kunnen bewegen, maar een nepglimlach produceren is heel makkelijk. Zelfs baby’s kunnen al vóór hun eerste levensjaar opzettelijk glimlachen om de ander te behagen. Volgens Ekman maken we alleen wel eens fouten in de timing, als we de glimlach te kort of te lang aanhouden. Of te vroeg beginnen, als de zin die hij moet begeleiden nog niet is afgelopen. Toch wordt een nepglimlach zelden ontmaskerd, zegt Ekman, ‘omdat het mensen in beleefdheidsgesprekken zelden kan schelen hoe de ander zich werkelijk voelt.’

Kijk zelf hoe goed u bent in het onderscheiden van de nepglimlach, op www.psychologiemagazine.nl

[/wpgpremiumcontent]