Zijn vakgebied kwam de afgelopen tijd flink in de verdrukking. En dat liet de Nijmeegse hoogleraar Ap Dijksterhuis niet onberoerd. Maar inmiddels geniet hij weer van de sociale psychologie. ‘Vroeger wilde ik meer inzicht in de dingen die me fascineren. Nu wil ik mensen helpen met de kennis die ik vergaar.’

Ap Dijksterhuis is een van de prominente sociaal psychologen van ons land. In 2007 schreef hij Het slimme onbewuste, over de rol van het onbewuste bij het nemen van beslissingen. Het werd een bestseller. De sociale psychologie was ‘hot’ in die jaren, iedereen vond de ­onderzoeksonderwerpen interessant en smeuïg. De veelal grappige, tegen­intuïtieve bevindingen die dit vakgebied voortbracht, haalden steevast de media: bijvoorbeeld dat we slimmer worden als we aan professoren denken dan wanneer we aan voetbalhooligans denken, dat een warm bad minder eenzaam maakt, dat denken aan oude ­mensen maakt dat we langzamer gaan lopen, dat aan vlees denken asociaal maakt.

En toen raakte de hele sociale psychologie aan het wankelen. Deze maand precies twee jaar geleden werd Dijksterhuis’ collega-sociaal-psycholoog Diederik Stapel ontmaskerd als een van de grootste wetenschapsfraudeurs ter ­wereld. Hij had het onderzoek over de ‘vleeshufters’ volledig uit zijn duim gezogen. En al snel bleek dat dat maar een van de vele onderzoeken was waarbij Stapel de gegevens had verzonnen.

In de nasleep van de Stapel-affaire kreeg de sociale psychologie een flinke veeg uit de pan: men zou volgens de ­onderzoekscommissie ‘slodderwetenschap’ hebben bedreven. Hoe staat het nu, twee jaar na de ontmaskering van Stapel, met de sociale psychologie?

Merkt u dat het vakgebied onder druk is ­komen te staan?

‘Absoluut. Het publieke imago is ­negatief en de druk is groot. Die imagoschade maak je niet zomaar goed. Terwijl het onzin is dat alleen de sociale psychologie de klappen moest incasseren. Dat sommige wetenschapspraktijken flink verbeterd kunnen worden is waar, maar dat geldt voor de hele psychologie, en ik vrees ook nog wel daarbuiten.’

Sociaal psychologen werden beschuldigd van het bedrijven van slodderwetenschap.

‘Zo erg was het nou ook weer niet. Bovendien waren we al bezig de boel te verbeteren. Een aantal maanden voordat Diederik Stapel ontmaskerd werd, verscheen er een artikel in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift Psychological Science. Psycholoog Uri Simonsohn en zijn collega’s wezen de hele psychologie – niet alleen de sociale – erop dat we te opportunistisch omgaan met onze onderzoeksgegevens en ze vaak mooier voorstellen dan het is. Dat was een goed punt, dat overigens ook voor veel onderzoek van buiten de psychologie gold. Er ontstond een productieve discussie over hoe we onze ­methodologie kunnen verbeteren. Alleen kwam toen het gedoe met Stapel en werd de discussie veel defensiever. Als er dan iets niet deugde in de onderzoeks­methode, werd je meteen in de fraudehoek gezet. Inmiddels is de storm weer wat geluwd.’

De onderwerpen die u onderzoekt zijn – net als die van Diederik Stapel – mediageniek. Bent u nu extra verdacht?

‘Nee hoor, mijn werk is echt anders. Hij had van die leuke kleine, grappige onderzoekjes en publiceerde veel meer dan ik. Hij was echt iemand van de kwantiteit – nu weten we hoe hij dat voor elkaar kreeg, natuurlijk. Ik werk vaak acht jaar aan hetzelfde onderwerp, bouw voort op stevig verankerde theorieën en heb ook nog niet de helft gepubliceerd van wat hij publiceerde. Het is wel zo dat je iets sneller onder verdenking valt wanneer je prominent bent in je vak.’

Onlangs werd u op de website van het ge­renommeerde Nature nog in één adem genoemd met Stapel. Een Britse onderzoeker kon een van uw onderzoeksresultaten ook na herhaalde experimenten niet bevestigen.

‘Dat was heel vervelend en pijnlijk, want zeer tendentieus. Ze noemden het “een klap voor de Nederlandse psychologie” en dat is echt sensatiezoekerij. ­Inmiddels heeft de hoofdredacteur van Nature een brief gestuurd met excuses voor de fouten die in het stuk stonden.

Het effect waar het om gaat – dat je meer Triviantvragen goed beantwoordt nadat je aan professoren hebt gedacht dan wanneer je aan voetbalhooligans hebt gedacht – is al 27 keer in twaalf verschillende labs vastgesteld. De onderzoeksmethode van de Britse onderzoeker die geen effect kon vinden, deugt op veel punten niet. Zo denk ik dat zijn kennisvragen te moeilijk zijn, en dan gaat het zelfvertrouwen van proef­personen een rol spelen.’

Maar toch, je kunt dus niet zomaar zeggen dat je van denken aan professoren slimmer wordt.

‘Klopt, maar dat was onder sociaal psychologen al lang bekend. Als je niet aan professoren in het algemeen denkt, maar aan een specifiek persoon – zoals Einstein – krijg je zelfs een contrast­effect: je wordt dommer! Dit komt waarschijnlijk doordat je jezelf onbewust gaat vergelijken met een concreet persoon als Einstein. Je moet het effect van priming – de subtiele en onbewuste beïnvloeding door omgevingsfactoren op het gedrag en de gedachten van mensen – niet onderschatten. Er wordt voort­durend nieuw priming-onderzoek ­gepresenteerd in wetenschappelijke tijdschriften en sommige dingen kunnen ­direct worden toegepast. Uit Canadees onderzoek weten we bijvoorbeeld dat foto’s van mensen die een prestatie hebben geleverd, zoals olympische sporters, de prestaties van mensen in callcenters kunnen verbeteren.’

Wat wordt er gedaan om wanpraktijken in de toekomst te voorkomen?

‘Heel veel. Sommige mensen zeggen dat we doorslaan. De meeste vakgroepen hebben een professioneel data-opslagsysteem. Als je nu experimenten doet, worden de gegevens daarvan tot in lengte van dagen opgeslagen. En er zijn allerlei regels opgesteld, zoals dat elke promovendus twee begeleiders krijgt, nooit één. Sociaal psychologen van de Radboud Universiteit en Universiteit Tilburg hebben pas geleden een symposium georganiseerd dat helemaal draaide om de verbetering van ons vak. We hebben groeipijnen, maar we komen er uiteindelijk beter uit. Eens in de twintig, dertig jaar schud je eens met z’n allen flink de kussens op, en dat is goed. ­Ironisch gezien heeft Stapel daar wel bij geholpen. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat je fraude nooit helemaal kunt tegenhouden als iemand het echt wil, denk ik niet dat het ooit nog iemand in de psychologie zal lukken het zo lang vol te houden als Diederik Stapel. We hebben overigens inmiddels echt wel genoeg van deze affaire. We willen vooruit.’

Wat doet u nu voor onderzoek?

‘Ik ben zelf begonnen met nieuw onderzoek naar geluk. We hebben ontdekt dat mensen een vrij gebrekkig inzicht hebben in wat hen gelukkig maakt. En dat is leuk!’

Waarom?

‘Dan kun je mensen iets leren. We hebben een onderzoek gedaan waarin we mensen een aantal keer per dag een sms sturen. Dan stellen we een aantal vragen: wat bent u aan het doen, waar denkt u aan, en hoe gelukkig bent u? Over het algemeen blijkt dat dingen waarbij je je mentaal of fysiek inspant gelukkiger maken dan wanneer je je niet inspant. Terwijl “lekker niets doen” en ontspannen televisiekijken dingen zijn waarvan mensen dénken dat ze het fijn vinden. Maar dat is helemaal niet zo fijn. Mensen zijn gelukkiger terwijl ze de dagelijkse boodschappen doen dan wanneer ze voor de tv zitten. Dat is toch gek? Dat wist ik ook niet. En dat vind ik dus leuk.’

Als je niet actief bezig bent, heb je tijd om na te denken over wat er allemaal niet deugt in je leven?

‘Daar lijkt het wel op, ja. Als je afdwaalt in gedachten lijk je minder gelukkig te zijn. Je zit je zorgen te maken, na te denken over de dingen die je nog moet doen of die gebeurd zijn. Eigenlijk stamt dit al uit oude boeddhistische ­teksten: hoe meer je met jezelf en je ego bezig bent, hoe minder gelukkig je bent. We doen eigenlijk onderzoek naar iets wat 2500 jaar geleden al bedacht is. Ik wil dit geluksonderzoek ook doen met mensen die veel mediteren, want als ­meditatie je ego langzaam terugdringt, zouden zij minder aan zichzelf denken. En ik vraag me af of ze daardoor ook gelukkiger zijn.’

Mediteert u zelf ook?

‘Toen ik onderzoek deed naar meditatie en toegang tot het onbewuste, ben ik een beginnerscursus gaan doen om beter te begrijpen wat ik onderzocht. Toen ben ik enthousiast geraakt. Ik mediteer nu bijna dagelijks. Het helpt me ontspannen, maakt me onverstoorbaarder. Vroeger kon ik driftig worden van volstrekt onbenullige dingen, in het verkeer of thuis, als ik iets van de trap liet vallen. Nu ga ik daar lachend mee om. Ik rookte al heel lang anderhalf pakje per dag en heb vaak geprobeerd te stoppen. Sinds ik ben begonnen met mediteren heb ik geen sigaret meer aangeraakt.’

Wat drijft u het meest in de wetenschap: persoonlijke interesse of de wereld verbeteren?

‘Vroeger dat eerste en nu dat laatste. Ik wilde altijd meer inzicht in de dingen die me fascineren. Nu wil ik mensen helpen met de kennis die ik vergaar. Ik zou jongeren bijvoorbeeld willen leren hoe ze grote beslissingen moeten nemen.’

Is dat nodig?

‘Eigenlijk is het heel raar dat middelbare scholieren op hun zestiende al moeten kiezen waar ze naartoe willen. Dat is een gigantische beslissing en veel jongeren kiezen verkeerd. Heel veel eerstejaarsstudenten vallen uit. Dat kost de samenleving belachelijk veel geld, en de kinderen heel veel tijd, geld en frustratie.

Ik zou graag een concrete strategie bedenken om ze op die leeftijd te helpen een zo goed mogelijke beslissing te nemen. We gaan daarom onderzoeken of uitvallers andere beslisprocessen hebben gebruikt dan de mensen die blijkbaar de goede keus hebben gemaakt en nog studeren. Mijn zoon is nu 12, ik hoop binnen vier jaar een goed beslis-instrument voor studiekeuze te hebben ontwikkeld.’[/wpgpremiumcontent]