Het is onmogelijk een ­echte tijger een script te laten volgen, om maar te zwijgen van alle problemen die ontstaan als je een acteur en een tijger ­samen op een boot zet. Maar niet alleen voor de filmheld verdient animatie de voorkeur, ook voor de dieren zelf is het goed nieuws.

Het gebruik van exotische dieren in de filmindustrie is een regelrechte ramp. Terwijl het publiek zich doodlacht om de rare fratsen van Hollywood-apen ­zitten kenners, zoals ik, met gekromde tenen toe te kijken, wetend hoezeer hun training op straf berust. Bij elke scène staat een trainer met een stroomstootwapen gereed om de aap zo nodig een lesje te leren.

De grote oplossing is digitale animatie. Die begon pas ergens op te lijken met Jurassic Park, begin jaren negentig, maar wat apen betreft is het beste voorbeeld Rise of the planet of the apes uit 2011. De techniek is nu zover voortgeschreden dat we de echte dieren niet meer nodig hebben, behalve dan als voorbeeld voor de mensen die hen naspelen.

Maar digitale techniek heeft ook nadelen.

De animaties worden gebaseerd op acteurs die rondspringen en -rennen alsof ze apen zijn, hetgeen betekent dat alles via twee interpretatieschijven loopt: de acteur en de computerprogrammeur. In beide gevallen gaat het erom hoe de mens de aap ziet. We moeten dus niet verbaasd zijn als hoofdfiguur ­Caesar in Rise of the planet of the apes een volstrekt onbestaande soort is. Zowel in zijn bewegingen als zijn gezichtsuitdrukkingen zweeft deze figuur ergens tussen mens en aap.

Interpretatieschijven kennen we ook in de wetenschap. Het is niet zo’n probleem wanneer we gegevens verzamelen, want apengedrag kan heel precies worden gedefinieerd. Maar het plaatje verandert zodra we ons overgeven aan menselijke beoordeling. Neem de ontdekking onlangs dat apen, net als ­mensen, een soort midlifecrisis ervaren. Onderzoekers constateerden dat apen het gelukkigst zijn op zowel jonge als oude leeftijd, maar het moeilijk hebben in de jaren daartussenin. Zo’n U-vormige welzijnscurve is ook vastgesteld bij onze eigen soort; het dieptepunt, halverwege ons leven, wordt meestal uitgelegd als een gevolg van onze op werk en geld ­gerichte maatschappij.

Maar hoe weten we of iemand gelukkig is? Dat is al moeilijk genoeg vast te stellen bij onze eigen soort, en als het om apen gaat berust de conclusie puur op menselijke inschatting, want we kunnen het hun niet vragen. De onderzoekers peilden de mening van dierverzorgers door hun te vragen hoe ze zich zouden voelen als ze in de ‘schoenen’ van een bepaalde aap stonden. We weten nu wel hoe mensen zich dan zouden voelen, maar nog steeds niet wat de apen zelf voelen. Ook hier zitten we met het probleem van hoe de mens naar apen kijkt.

De animatiemakers voor Het leven van Pi hebben nadrukkelijk met echte tijgers willen werken, niet met acteurs die een tijger nadeden, juist omdat ze het ‘dier’ zo dierlijk mogelijk wilden laten. Als dit de nieuwe werkwijze van de film­industrie wordt, is dat een grote vooruitgang.

Bron: A. Weiss e.a., Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being, pnas, 2012[/wpgpremiumcontent]