Mijn buurvrouw van 81 uit het plattelandsdorp waar ik ben opgegroeid, is een hartelijk mens. Zodra ik binnenkom, omvatten haar gerimpelde handen mijn wangen. Daarop volgt de begroeting, waarbij ze haar vochtige mond op de mijne plant. De zoen blijft daarna nog enkele minuten wat nattig op mijn lippen nagloeien.

Met mijn vriendinnen uit de grote stad gaat het anders. Met hen is het een wederkerig, volautomatisch proces: ze komen binnen, steken hun wang een tikje schuin naar voren, en ik laat mijn wang daar zachtjes op neerkomen. Tegelijkertijd maken we een geluid dat op een zoen moet lijken: ‘Mwuahhhh’. We doen dat drie keer, ‘hallo’ en ‘leuk je te zien’ roepend.

Zoveel mensen, zoveel zoenen. Ook kloppen we elkaar op allerlei manieren op de schouder en op de rug, schudden we klamme, slappe en fijnknijpende handen en omhelzen we elkaar innig of juist halfslachtig. We beschikken kortom over een breed scala van aanrakingen bij het begroeten. Maar er zijn nog veel meer aanrakingen die worden gebruikt om de band tussen twee mensen uit te drukken. De zoöloog Desmond Morris heeft eens uitgerekend dat de mens maar liefst 457 soorten lichaamscontact kent. De meeste daarvan komen echter sporadisch voor of

alleen in de slaapkamer. Uiteindelijk blijven er veertien vormen van aanraking over die veelvuldig in het dagelijkse sociale verkeer worden gebruikt (zie kader hiernaast). Daarbij geldt als vuistregel: hoe beter de band, des te meer we elkaar aanraken.

Elkaar aanraken is een gecompliceerde aangelegenheid. Volgens Morris komen we bij aanrakingen namelijk in een basaal conflict terecht: we willen elkaar aanraken en tegelijkertijd ook weer niet. We hebben immers behoefte om ons aan elkaar te binden, maar we hebben óók een aangeboren neiging om afstand te houden ter bescherming van onze autonomie. Het is precies die tweestrijd die ervoor zorgt dat er binnen de veertien vormen van aanraking ontelbaar veel nuanceverschillen bestaan, zegt Morris. Met elk nuanceverschil dragen wij een andere boodschap over.

De etiquette van het zoenen

Afgezien van agressieve vormen van aanraking, zoals slaan, trappen, duwen en trekken, is de boodschap van een aanraking meestal positief en drukt zij vriendschap, nabijheid, intimiteit of troost uit. Meestal gaat een aanraking spontaan en valt zij in goede aarde bij de ontvanger. Maar wie kent het niet, zo’n situatie dat je iemand wilt begroeten en dat het door je hoofd gaat: ‘Nee, geen zoen, niet met deze persoon.’ Of: ‘Niet hier, niet nu.’ Om vervolgens weer te gaan twijfelen: ‘Toch maar wel?’ De beslissing moet in een fractie van een seconde worden genomen en kan uitdraaien op onhandig gehannes.

Wie raken we aan en wie niet? Hoe zoenen we wie? Etiquettologen uit binnen- en buitenland hebben hun hoofd gebroken over deze vragen. Over één ding zijn ze het in ieder geval eens: handen schudden bij een begroeting kan altijd, mits de héle hand wordt uitgestoken en niet alleen een paar vingers, en het geen overdreven stoere of een te klamme, slappe hand is, want dan worden we onsympathiek gevonden.

Over zoenen bestaat heel wat minder consensus. ‘De waarde van de kus als gevoelsuiting, is in onze dagen van vrij verkeer tussen de seksen aanzienlijk gedaald,’ schreef Amy Groskamp-ten Have in 1939 al in haar boek Hoe hoort het eigenlijk?, in de vorige eeuw hét standaardwerk over etiquette in Nederland. Haar advies luidde: geef alleen familieleden en zeer goede vrienden op elke wang één ‘gezelschapskus’. Verder diende men zich van het zoenen te onthouden, vond de grand old lady van de etiquette.

‘Tegenwoordig kust iederéén elkaar’, zegt Inez van Eijk met een licht afgrijzen in haar stem. Van Eijk heeft de afgelopen jaren meerdere boeken gepubliceerd over beleefdheidsregels en omgangsvormen en geeft in haar boek Etiquette hedendaagse kus- en aanrakingsadviezen. ‘Ik vind al dat gezoen heel overdreven’, zegt ze. ‘Het is er in geslopen sinds de opkomst van de televisie. Daar worden voortdurend zoenen uitgedeeld, alsof het niets is. Iemand hoeft in een quiz maar een vogelkooi te winnen of hij wordt al gezoend.’

Trendwatcher Jan Kuitenbrouwer is het met Inez van Eijk eens: ‘Heel vaak is dat zoenen niet meer dan schijnheilig, gelikt sociaal gedoe: mensen die elkaar amper kennen, zoenen alsof ze al jaren bevriend zijn. De laatste tijd worden mensen wel wat terughoudender met zoenen. Ik zelf ook. Het probleem is namelijk dat, als je eenmaal bent begonnen met iemand te zoenen, het ‘gevestigd gedrag’ is geworden waar je vervolgens niet meer onderuit kunt. En het wordt natuurlijk heel gênant als het dan niet van harte gaat. Om dat te voorkomen, ben ik tegenwoordig opzettelijk wat gereserveerder.’

Volgens Jan Kuitenbrouwer zoenen mensen zo snel om anderen te laten zien dat ze erbij horen. De zoener ‘claimt’ als het ware de gezoende: ‘Wie ik zoen, is van mij.’ Maar onze neiging om al dan niet te kussen hangt ook samen met de subcultuur waarin we ons bevinden. Kuitenbrouwer: ‘Mensen in de showbiz zijn heel aanrakerig en vrijwel onmiddellijk on kissing terms. Die zoenen elkaar allemaal veel en nadrukkelijk, ook als ze zojuist nog lelijk over elkaar hebben geroddeld. Daarentegen zijn mensen in de wereld van de wetenschap en in het zakenleven veel terughoudender.’

Als de vraag óf er gezoend moet worden eenmaal is beantwoord, dient het volgende probleem zich aan: hoeveel zoenen moet je geven? Was in de jaren tachtig en negentig de ‘drieklapper’ in zwang, Kuitenbrouwer en Van Eijk signaleren in het nieuwe millennium duidelijk een terugkeer naar het geven van twee zoenen. Een andere verandering aan het zoenfront is dat heteromannen, zoals vaders en zonen, elkaar zijn gaan zoenen. Volgens Kuitenbrouwer zijn mannen tegenwoordig minder homofobisch en mogen ze hun emoties meer uiten. ‘Tot de jaren zestig zoenden alleen vrouwen elkaar. Daarna mochten mannen ook meer hun gevoelens tonen en om daar uitdrukking aan te geven, zijn ze elkaar gaan zoenen.’ Toch zoenen nog lang niet alle mannen elkaar en ook niet in alle omstandigheden. Kuitenbrouwer: ‘Neem nou de Hollandse zakenman. Die is nog steeds niet toe aan het zoenen van zijn seksegenoten. Zelf zoende ik mijn vrienden vroeger ook niet als er collega’s van mij bij waren. Nu wel. Dat komt denk ik ook omdat ik ouder ben: het maakt mij gewoon niks meer uit wat anderen ervan denken. Ik heb mezelf toch al bewezen. Ik schaam me er ook niet voor om iemand aan te raken.’

Persoonlijke ruimte en zonegrenzen

Mensen die snel geneigd zijn anderen aan te raken of te omhelzen, dienen rekening te houden met de geldende aanrakings- en nabijheidscodes. Er bestaat namelijk zoiets als ‘persoonlijke ruimte’: het onzichtbare gebied dat we om ons heen hebben en waar anderen niet zomaar in mogen binnendringen. Doen ze dit toch, dan voelen we ons bedreigd en aangetast in onze integriteit.

De Amerikaanse antropoloog Edward Hall, uitvinder van de proxemica (de leer van de menselijke territoriale zones), onderscheidt vier territoriale grenzen: de intieme afstand (0 tot 50 cm), de persoonlijke afstand (50-120 cm), de sociale afstand (120-400 cm) en de openbare afstand (400 cm en meer). In de intieme zone mogen alleen geliefden, hartsvrienden, kinderen en ouders komen. De persoonlijke zone geldt voor gesprekken tijdens feestjes en op straat. Gaat het om zakelijke contacten, zoals tussen baas en werknemer, dan nemen mensen de sociale zone in acht. De openbare zone ten slotte is bedoeld voor politici en sprekers in het openbaar.

Frans Willem Winkel, als psycholoog verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, deed onderzoek naar het begrip persoonlijke ruimte. Winkel: ‘Normaal gesproken accepteer je een te dichte nabijheid niet, maar sommige situaties, zoals een volle lift, maken dat je het tolereert. Je staat dan toe dat anderen tegen je aan staan. Ondertussen treden wel psychologische afweermechanismen in werking: je doet alsof de ander er niet is, je kijkt weg, je gaat stokstijf stilstaan of je houdt je handen voor je kruis.’

Uit onderzoek van Winkel blijkt dat mensen die ongepast dichtbij komen, als agressiever worden gezien en negatiever worden beoordeeld. Winkel: ‘Dit zijn onbewuste processen die tot vooroordelen kunnen leiden tussen mensen uit verschillende culturen. Mensen uit ‘contact-culturen’, zoals je die vindt in landen rond de Middellandse Zee en in Afrikaanse landen, staan dichter bij elkaar en raken elkaar daardoor ook eerder aan. Bij iemand uit een ‘niet-contact-cultuur’ zoals de onze, kan dat heel raar overkomen. Zo kwam bijvoorbeeld uit mijn onderzoek naar voren dat een Surinamer eerder als verdacht werd gezien door een blanke agent, louter omdat hij te dichtbij de politieman stond. En dat terwijl de Surinamer niets had misdaan.’

Of aanraken door de beugel kan, hangt, net als bij nabijheid, af van de wijze waarop het wordt opgevat. Dit verschilt per cultuur, per subcultuur en soms zelfs per persoon. Psycholoog Els Plooij ervaart dit dagelijks in haar praktijk als haptotherapeut. Bij haptotherapie worden cliënten via ‘affectieve aanraking’ in contact gebracht met hun emoties. ‘De een vindt een hand op zijn schouder al te veel, terwijl de ander vraagt of hij tegen mij mag aanleunen’, zegt Plooij. ‘Iedereen heeft een eigen geschiedenis met aanraking.

Sommigen zijn niet opgevoed met aanraking en zijn heel onwennig. Anderen zijn beschadigd door misbruik of mishandeling en reageren wantrouwend.’ Tegelijkertijd is er veel behoefte aan aanraking, merkt Plooij. ‘Onze cultuur is erg aanraak-arm. Er rust nog altijd een taboe op aanraking en het wordt snel seksueel uitgelegd. Terwijl aanraken juist is bedoeld om elkaar beter te leren kennen, om voelend met elkaar om te gaan. Het kan gevoelens van eenzaamheid verminderen.’

Nader tot elkaar

Psycholoog Willeke Bezemer maakte in haar praktijk een sprekend voorbeeld mee van de heilzame werking die aanraking kan hebben. Bezemer: ‘Een cliënte was nogal gespannen en daardoor had ze last van obstipatie. Als haar man haar omarmde, kwam ze tot rust en kon ze een halfuur later naar de wc.’ Het probleem was echter dat de cliënte een nogal nurkse man had, die haar niet wenste te omarmen.

‘Tederheid mag niet in onze cultuur’, meent Bezemer. ‘Als je mannen bijvoorbeeld eens wat liefdevoller aanraakt, weten ze zich opeens geen raad. En dat terwijl aanraken zo mooi is: je kunt er expressiever door zijn in contacten en het helpt in intieme relaties om nader tot elkaar te komen.’

Volgens Bezemer hebben vrouwen meer vrijheid bij het aanraken dan mannen. ‘Mannen mogen elkaar alleen op de schouders en de armen aanraken, vrouwen kunnen elkaar ook nog omarmen en kussen. De laatste twintig jaar kan er wel meer, omdat de strakke rolpatronen van mannen en vrouwen zijn doorbroken.

Ook is de invloed van andere culturen steeds groter geworden en is homoseksualiteit veel meer geaccepteerd. Dat alles zorgt ervoor dat we aanraken niet meer zo eng vinden.’ Er is één uitzonderingssituatie waarin mannen zich helemaal kunnen laten gaan: als ze aan het sporten zijn. Bij een doelpunt vliegen ze elkaar om de nek en zoenen ze elkaar overal. Volgens zoöloog Desmond Morris mag het in die omstandigheden wel, omdat er in zo’n hyper masculiene sfeer geen misverstanden zullen ontstaan.

Hoewel vrouwen wat meer bewegingsvrijheid hebben als het gaat om aanraken, zijn ze met mannen vaak op hun hoede, weet Willeke Bezemer. ‘Als vrouw geef je een man niet zo snel een zoen. Dat komt omdat mannen vrij snel denken dat je daarmee openstaat voor hun avances. Ik ken vrouwen die niet naar de nieuwjaarsreceptie van hun bedrijf gaan, omdat ze dan bepaalde mannelijke collega’s moeten zoenen, terwijl ze daar helemaal geen zin in hebben. In de normale werksituatie kunnen ze zo’n zoen nog wel vermijden, maar op zo’n nieuwjaarsreceptie valt er niet onderuit te komen.’

Een vluchtige streling in de nek
Willeke Bezemer ziet in haar werk als trainer en adviseur dat aanraken soms uitmondt in seksuele intimidatie. Bezemer: ‘In 1994 is in de Arbowet opgenomen dat werkgevers hun werknemers moeten beschermen tegen seksuele aandacht die als ongewenst wordt ervaren. Bij een aanraking gaat het er dan om dat ze van beide kanten prettig moet worden gevonden. De stelregel is dat de ontvanger de grens bepaalt. Hoe lang de baas zijn hand op de schouder van de secretaresse legt, is dus niet van belang; ook een vluchtige streling in de nek kan al grensoverschrijdend zijn.

Hetzelfde geldt voor het aanraken tussen ouders en kinderen. Ouders moeten zich realiseren dat ze hun kind niet altijd zomaar kunnen aanraken. Tot vijftien jaar geleden was het nog zo dat er in opvoedkundige handboeken per leeftijdscategorie zones werden aangegeven waar je als ouder je kind wel en niet mocht aanraken. Hoe ouder het kind, des te minder delen van het lichaam je mocht aanraken.

Tegenwoordig letten ouders meer op de behoefte van het kind. Pietje hoeft tante Truus geen zoen te geven als hij daar geen zin in heeft.’ Jan Kuitenbrouwer neemt zijn dochter van zeven jaar nog steeds op schoot en raakt haar overal aan. ‘Soms denk ik wel eens: “Ga ik niet te ver?” Als ouder moet je jezelf in de gaten houden, want het kind laat toch alles toe, het weet niet beter. Zodra je lustgevoelens krijgt, moet je ophouden met aanraken. Maar een flinke omhelzing, dat moet altijd kunnen, vind ik. Effe lekker knuffelen, zo heet dat toch tegenwoordig?’

Willeke Bezemer glimlacht. Ze moet denken aan haar oude tante van 86. Die knuffelt nooit meer. Al haar intieme vrienden en familieleden met wie ze dat kon doen, zijn inmiddels overleden. Bezemer: ‘Ik raak mijn oude tante niet aan, want dat zou niet gepast zijn. Maar het gaat me wel aan het hart dat ze geen knuffels meer krijgt. Dus zet ik mijn hondje altijd bij haar op schoot. Mijn tante vindt dat prachtig. En mijn hondje ook uiteraard. Aanraken is verrijkend, zolang het maar van twee kanten komt.’ n

Voor dit artikel zijn de volgende boeken geraadpleegd:

Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp-ten Have

Etiquette. Beleefdheidsregels & omgangsvormen van A tot Z van Inez van Eijk

Lijfstijl. De manieren van nu van Jan Kuitenbrouwer

De taal van het lichaam van Julius Fast

De Aanraking van Laura Reedijk-Boersma

Manwatching. A Field Guide to Human Behaviour van Desmond Morris.

De veertien manieren waarop we elkaar vriendschappelijk aanraken

1 Handen schudden is sinds het begin van de negentiende eeuw in zwang als begroetingsritueel. Het is tamelijk formeel, maar je kunt de handdruk persoonlijker maken door hem wat langer te laten duren, door stevig maar niet te hard te knijpen en door de ander aan te kijken.

2 Het met de hand leiden van een ander, waarbij de hand op de rug of de arm ligt, gebeurt vooral in de ouder-kindrelatie, maar ook tussen gastheer en gast. Opgepast: dit kán dominerend overkomen.

3 Het klopje op de arm of op de rug heeft iets vaderlijks en kan toegepast worden bij begroeten, feliciteren, troosten, liefhebben of bij gewoon vriendelijk willen zijn. Een klopje op het hoofd, de billen, dijen of knieën is óf neerbuigend óf seksueel van aard.

4 Arm-in-arm lopen is ondersteunend en beschermend en vooral bedoeld om anderen te laten zien dat je bij elkaar hoort.

5 De arm om de schouder van de ander slaan, wordt vaak door heteromannen onderling toegepast, omdat ze weinig alternatieven hebben.

6 Een omhelzing is in principe bedoeld voor intense emotionele momenten, zoals afscheid en hereniging, maar wordt ook oppervlakkig gebruikt. Stijldansen is een symbolische weergave van deze aanraking.

7 Hand-in-hand lopen komt vooral voor bij ouders met kinderen en bij verliefden.

8 De armen om elkaars middel slaan, zien we meestal bij verliefden.

9 De zoen (zie elders).

10 Het hoofd van de ander strelen of het hoofd van de ander tussen de handen nemen, kan alleen in een vertrouwensrelatie.

11 Hoofd-hoofd-contact, het tegen elkaar leunen, doen vooral verliefden. Ook doen kinderen het bij hun ouders.

12 Elkaar strelen met de hand, de neus, de tong of de voet gebeurt vooral tussen partners.

13 Een ander dragen of op schoot nemen komt vooral voor bij ouders met kinderen en bij verliefden.

14 Stoeien: de ‘nep-aanval’. Deze nagebootste agressie (grijpen, knijpen, duwen, stompen) benadrukt de vrijheden die men zich ten opzichte van elkaar kan permitteren. Immers, je vertrouwt elkaar zó goed dat je honderd procent zeker weet dat het niet om een echte aanval gaat. Soms is dit voor mannen de enige manier om elkaar aan te raken, omdat andere vormen van aanraking te veel schaamte oproepen.

Bron: Manwatching. A Field Guide to Human Behaviour van Desmond Morris

Dilemma’s bij het aanraken

De deskundigen zijn het er over eens dat het bij aanraken gaat om fine-tuning. Het is een kwestie van aanvoelen of de ander jouw aanraking op prijs stelt en of de aanraking de juiste verhouding weergeeft tussen jou en de ander. Daarom opgelet in de volgende situaties:

• Tussen bazen en werknemers geldt de stelregel dat ‘hoog’ ‘laag’ wel mag aanraken, maar dat andersom ongepast is. Als een baas zijn werknemers te veel aanraakt, kan hij zijn overwicht kwijtraken. Door afstand te houden, benadrukt hij zijn hogere positie

• In een volle lift of tram mag je anderen wel aanraken, mits je ze niet aankijkt, je lichaam stijf houdt en geen opmerking maakt over de fysieke nabijheid.

• Ouderen kunnen jongeren over het algemeen zonder problemen aanraken, maar een jongere moet oppassen met het aanraken van een oudere. Als een jongen bijvoorbeeld zijn hand op de rug van een oude man legt, kan dit als denigrerend worden opgevat.

• Sommige vaders durven hun kind niet meer aan te raken op andere plekken dan schouders en handen, uit angst om beschuldigd te worden van seksueel misbruik. De beste oplossing is om het kind te vragen of het wil worden aangeraakt. En zodra ouders bij zichzelf lustgevoelens bemerken, moeten ze ophouden met aanraken.

• In het contact met zieken en stervenden kan aanraking lichamelijke pijn verlichten, maar door de weerloosheid van de zieke of stervende kan de aanraking ook snel iets dominerends krijgen. Wees voorzichtig.

• Bij het begroeten van kennissen en collega’s kan soms worden gezoend, soms niet. Van belang is in welke situatie je verkeert en hoe goed je de ander kent. Zo zoenen collega’s elkaar op het werk meestal niet, maar op de nieuwjaarsreceptie wel. Bedenk dat je niet meer terug kunt indien je eenmaal on kissing terms bent. Bij twijfel kun je beter een hand geven, dat kan zelfs persoonlijker overkomen dan een ongepaste zoen. Als je niet weet of de ander jou wil zoenen, kun je de ‘trekproef’ van Jan Kuitenbrouwer doen: trek de hand van de ander een klein beetje naar je toe. Geeft de hand mee, dan kun je zoenen.

De biologische kant van aanraken

Wanneer we worden aangeraakt, komen er twee processen op gang: een mechanisch en een emotioneel proces. Zenuwcellen in de huid reageren mechanisch op trilling en vervorming en daarna bepalen chemische stoffen in onze hersenen aan de hand van de emotionele lading hoe gevoelig we voor de mechanische prikkels zijn. Dezelfde aanraking kan dus heel verschillende sensaties oproepen.

Zo is een zoen bij het verwelkomen van gasten emotioneel weinig geladen en dus voelen we daar niet veel van, terwijl de kus van een geliefde die lang in het buitenland is geweest, veel meer aankomt. Een aanraking kan zelfs zóveel impact hebben dat lichamelijke pijn er door kan worden verlicht: pijnkanalen in het ruggemerg worden dan gesloten. De positieve input die de aanraking teweegbrengt moet dan wel groot genoeg zijn.

Ook de plek waar je iemand aanraakt, is van belang. In de buurt van het oor, waar tegenwoordig veel welkomstzoenen worden geplaatst, heeft de huid weinig aanrakingsreceptoren. Lippen daarentegen zijn zeer rijk voorzien van aanrakingsreceptoren.

Aanrakingen kunnen hormonale veranderingen in het lichaam teweegbrengen. Vooral de emotionele lading van een aanraking geeft een hormonale reactie. Zo zal iemand die ons in een volle trein per ongeluk aanraakt weinig emoties oproepen en zal er aan onze hormonen niet zoveel veranderen. Maar een positief gekleurde aanraking, bijvoorbeeld door je geliefde, maakt hormonen los die stress verminderen en het immuunsysteem versterken.

Je wordt dan minder vatbaar voor verkoudheid, het lichaam maakt meer van het ‘goede cholesterol’ HDL aan, en hersencellen die voor de stemming zorgen, worden positief beïnvloed. Tijdens haptotherapie wordt gebruik gemaakt van deze effecten: de stress van de patiënt wordt verminderd door hem op affectieve wijze aan te raken.

Met dank aan dr. Jan Snel van de vakgroep psychonomie aan de Universiteit van Amsterdam[/wpgpremiumcontent]