Als je gelijk hebt, krijg je helaas lang niet altijd gelijk. Een goede debater heeft niet alleen ijzersterke argumenten, maar beheerst ook de kunst van het overtuigen en schakelt zijn tegenstanders moeiteloos uit. Daar kan ik wat van leren. Ik heb liever een goede sfeer dan gelijk. Achteraf vind ik dat wel eens jammer.

In de eerste oefening moet ik meteen de rest van de groep overtuigen van het standpunt: ‘Er moet meer belasting betaald worden om opvang van overtollige regenval te kunnen financieren.’ Niet echt een onderwerp waar ik veel van afweet, maar dat maakt niet uit. ‘Alles is te verkopen als je de juiste uitstraling hebt en het met passie brengt,’ zegt cursusleider Peter van der Geer. Overtuigen kan op twee manieren, legt hij uit. Via convincere, Latijn voor overwinnen, of persuadere, verleiden. Het eerste gaat uit van eigen kracht: breng de argumenten met zo’n autoriteit dat de toehoorders het wel móéten geloven. Een goede verleider verplaatst zich in zijn toehoorders en stelt tegenstanders vragen die hen zo ver moeten krijgen dat zij zelf zeggen wat jij allang dacht. Hoewel deze zachte aanpak meer mijn stijl is, ga ik voor convincere, juist omdat ik zo’n dominante houding het lastigst vind.

‘We hebben een gróót probleem,’ begin ik mijn betoog, en ratel verder over rampen in de tuinbouw, economische crisis, ondergelopen tuintjes en overstromende toiletpotten. ‘Er is maar één oplossing,’ eindig ik. ‘Allemaal een beetje meer belasting betalen.’

Ik krijg feedback aan de hand van videobeelden van mijn optreden. Van der Geer wijst me op mijn wat te nonchalante lichaamshouding. En ik moet stiltes laten vallen na stellige uitspraken, dan krijgen ze meer impact. ‘Je betoog zwakt naar het eind toe af. Eerst was het “een groot probleem—, toen “heel vervelend— en op het laatst “behoorlijk vervelend—. Als je nog even doorgaat, is er helemaal geen probleem meer,’ zegt Van der Geer droog. Hij heeft gelijk. Het voelde voor mij zwaar over the top, maar dat valt dus wel mee.

We leren zogenaamde ‘claptraps’, debattrucs waar je altijd mee scoort. Een goeie oneliner bijvoorbeeld (Peter van der Geer: ‘Die bij voorkeur eindigt met het langste woord.’) Of een drieslag, zoals: heerlijk, helder, Heineken. Van der Geer: ‘Dat klinkt lekker, er zit een climax in en het is makkelijk te onthouden. Mensen zijn nu eenmaal lui.’

We gaan oefenen en ik verdedig de stelling: ‘Pedofielen moeten worden gecastreerd’. De cursusleider maakt het me niet gemakkelijk. Nadat ik mijn oneliner: ‘Pedofielen die niet willen leren, moeten we castreren!’ er bijna triomfantelijk in geworpen heb, zegt Van der Geer: ‘Dus u bent ook voor de doodstraf.’ Dat is de drogreden van de stroman, vertelt hij later. Iemand iets in de mond leggen dat hij helemaal niet heeft gezegd. Een valkuil is dat je hierover in discussie gaat, waardoor het debat afdwaalt van jouw standpunt.

Maar ik wimpel het doodstraf-argument af, met een duidelijk ‘Nee, dat zei ik niet’ en ga door met mijn betoog. Ik gooi er een drieslag in: ‘Het is safe, het is snel en het is sociaal.’ Ik begin dit spel ontzettend leuk te vinden. ‘Waarom vindt u pedofielen mindere mensen?’ werpt Van der Geer mij voor de voeten. ‘Eh… nee, eh…’ Daar raak ik even van in de war. Dit is dan ook een strikvraag. Antwoord geven op die vraag kan niet, omdat je dan automatisch iets toegeeft wat je helemaal niet vindt. Volgens Van der Geer kun je deze en andere drogredenen die je in de verdediging drukken, het beste negeren. Of voor de gewieksten onder ons: met een kwinkslag van de hand wijzen. Kom in elk geval zo snel mogelijk terug bij je eigen betoog en vraag de ander om met échte argumenten te komen. Ga niet mee in de stijl van de ander, en onderdruk je impuls om in de verdediging te gaan.

Nu het debatteren een beetje als toneelspelen voelt en er humor bij komt kijken, durf ik mijn tegenstander opeens wél de loef af te steken. De sfeer blijft losjes en goed. Als het zo kan, wil ik best gelijk krijgen! n[/wpgpremiumcontent]