Het ging me meer om Bosch als moraliserende tijdgenoot van Erasmus, met een net zo spottende houding tegenover de menselijke ijdelheid. Hij zag overal zonde en toverde ons een Godloze hel op aarde voor om aan te geven dat, of je nu gelooft of niet, boontje altijd om zijn loontje komt.

Als geboren Bosschenaar heb ik altijd een band met de schilder gevoeld. In plaats van me te vertellen hoe morbide, misantroop of krankzinnig Bosch was, sprak mijn moeder met trots over hem. Ik heb zijn schilderijen bekeken in het Prado, in Madrid, waar ze via het Spaanse koloniale verleden zijn terechtgekomen. El Bosco, zoals hij daar heet, was een surrealist avant la lettre en een inspiratie voor Salvador Dalí en Joan Miró.

Zijn band met dieren strekt zich uit tot allerlei net ontdekte soorten – stekelvarkens, olifanten, giraffen, apen – die hij in zijn schilderijen rond liet dartelen. Ze kregen de taak om mensen te voeden en vergezellen, maar ook om ze te verzwelgen en te kwellen. Een van Bosch’ bekendste

karakters, de Prins van de dood in de Tuin der lusten, is een roofvogel op een troon. De hele triptiek zit in feite vol kleurrijke beesten in een naakte-mensenzee.

Heel ongebruikelijk is de scène in het linkerpaneel die suggereert dat de mens via iets anders dan de schepping ter ­wereld is gekomen. Niet dat Bosch een evolutionist was. Moderne ideeën over de evolutie ontstonden pas in de achttiende eeuw in Frankrijk en Engeland, vóór Darwin, maar lang na Bosch. Zijn triptiek verwijst eerder naar de spontane generatie van Aristoteles, die meende dat levende wezens vanzelf kunnen ­ontstaan, bijvoorbeeld uit een rottend mengsel van water en mest. De Tuin toont ons twee poelen ‘oersoep’ waaruit gevederde, gevinde en gevleugelde dieren, een eenhoorn, een driekoppige vogel, en een reeks amfibieën aan wal kruipen. Ik ken geen ander schilderij met zulke taferelen, die het hart van de bioloog wel moeten verwarmen. Hoogtepunt is een schepsel met een eendenbek dat doodleuk een boek zit te lezen, dus de vrucht der kennis al in de paradijselijke modder in handen heeft. Door het ontstaan der soorten pal naast Adam en Eva uit te beelden suggereert de schilder een verband tussen bescheiden levensvormen en de oorsprong van de mens. En dat in de zestiende eeuw!

Maar hij gaat verder, want mensen worden in feite als dieren afgeschilderd. Niet alleen zijn ze naakt, ze trekken in kleine groepjes rond op zoek naar vruchten, raken in de problemen omdat ze hun dierlijke geneugten niet beheersen, zijn vraatzuchtig, hebzuchtig en zelden zo wijs als de uilen die zich ook onder hen bevinden. Dat Bosch de mens als dier neerzette, verklaart de negatieve reactie van velen die hem ‘monstrueus’ noemen, maar ook mijn eigen positieve reactie. Hij zag de mens als net zo onderhevig aan innerlijke drang en lust als de rest der schepping. Als hij iets over ­bonobo’s had geweten, zou hij voor onze hippieverwanten ongetwijfeld een plekje ingeruimd hebben in het erotische centrale tableau.[/wpgpremiumcontent]