Die spinningfiets is dé plek gebleken voor plotselinge inzichten. Na een uur zwoegen zie ik opeens waar een verhaal of column waar ik die dag aan heb gewerkt over gaat. Wat ik ermee wil zeggen. De pompende muziek en het spinnen slaan mijn gedachten plat, en in een flits is het daar: samenhang. Maar terwijl ik de blaadjes wegstop, tast ik alweer naar mijn hoofd. Is er nog meer?

Inge Schilperoord: ‘Ben ik wel zo anders dan de mensen die ik behandel in de gevangenis?’

Waarom gaat de een het foute pad op en de ander niet? Deze vraag fascineert forensisch psycholoog In...

Lees verder

Onderzoek naar creativiteit laat zien dat het in deze volgorde werkt. Eerst dwing je je hersenen tot het uiterste ergens over na te denken. Dan laat je het los. Terwijl je iets heel anders doet, biedt je brein je opeens de antwoorden aan op een presenteerblaadje. Opgediept uit verborgen, wijzere lagen van onze psyche. Maar hoe weten we wanneer de diepste laag is bereikt? En of we er helemaal bij kunnen?

In het PBC werkte ik met een vrouw die in veel opzichten de ideale persoon was om te onderzoeken. Gemotiveerd, slim, welbespraakt. ‘Ik moet begrijpen waarom ik dit heb gedaan,’ zei ze, ‘anders kan ik niet met mezelf leven.’ Dus zette ze alles op alles. Onze lange gesprekken, waarin we wroetten in haar verleden, zetten haar hersenen op scherp. Haar kleine, puntige gezicht ingespannen. Zodra we over haar man praatten, trilden de spiertjes rondom haar mond.

Hij was tijdens hun huwelijk steeds jaloerser geworden. In hun laatste maanden verbood hij haar het huis te verlaten en meldde zich zelfs ziek om haar in de gaten te kunnen houden. Wilde hij ’s middags naar het café, dan bond hij haar vast aan de radiator.

Dat zij hem in een vlaag van dronkenschap doodstak, verbaasde haar achteraf niet eens. Wel dat ze met het aardappelmesje meer dan dertig keer op hem instak. ‘Ik zag al dat hij dood was, hoorde mijn dochtertje gillen. Toch kon ik niet stoppen.’

Door alle gesprekken, psychologische tests en informatie van de mensen om haar heen, kregen we een behoorlijk goed beeld van wie ze was. Extravert, temperamentvol, enthousiast. Maar ook angstig en nerveus. Dat was ze altijd al geweest. Waarom werd pas later duidelijk.

In de laatste onderzoeksweek schreef ik mijn rapport met alles wat ik had verzameld. Zij had even rust. En juist toen kreeg ze de droom. Ze was een jaar of twee en werd door haar vader vastgebonden in haar stoel. Urenlang, in het donker. Schreeuwend en huilend van woede schrok ze wakker. Meteen belde ze een oudtante, die na zoveel jaren schoorvoetend bevestigde dat dit inderdaad zo was gegaan. ‘Nu begrijp ik het,’ zei ze zacht, aangedaan, ‘alles komt samen.’ De woede, redeneerde ze, was van ver gekomen. Ze wendde haar gezicht af. Van opzij keek ik naar haar: was er uit de onderste laag van haar psyche een diepe waarheid opgeborreld? Misschien. Maar was de bodem al in zicht?