Het kunstje ging erom een vingerhoed aan een draad op te trekken om op die manier drinkwater uit een bakje te halen. Het schilderij van Fabritius dat centraal staat in Donna Tartts roman Het puttertje toont precies zo’n beklagenswaardig huisdiertje.

Toen mensen allang geen puttertjes meer hielden, werd het trucje door de wetenschap herhaald en dat leverde ons, in 2002, kraai Betty op. Betty leefde in een volière op de universiteit van ­Oxford, alwaar ze de taak kreeg een emmertje met een stukje vlees uit een verticale pijp op te trekken. Betty kon kiezen tussen twee werktuigen: een recht stuk ijzerdraad en een draad met een haakje.

Haar metgezel stal de laatste, dus ze zat met een onbruikbaar werktuig, want met een recht draadje kon ze het handvat van het emmertje niet pakken. Betty nam echter het stukje ijzerdraad en boog het met haar snavel om zodat er een haakje aan zat. Ze werd hiermee op slag beroemd, want het ­ bewees dat vogels werktuigen kunnen vervaardigen, iets wat we tot voor kort alleen van mensapen kenden. Voor die tijd werd het maken van werktuigen zelfs gezien als het grote onderscheid tussen mens en dier.

Toch wist de oude Griekse dichter Aesopus al beter, getuige zijn fabel over de kraai en de kruik. Een kraai wil drinken uit een kruik met een nauwe hals, maar reikt niet ver genoeg om bij het water te komen. Dat lijkt een onoverkomelijk probleem, maar de slimme kraai haalt een steentje en gooit het in de kruik; daarna nog een steentje, en nog een, totdat het waterniveau hoog genoeg is om van te drinken. Aesopus’ vooruitziende blik werd eeuwen later bewezen in experimenten; eerst met roeken, die in het wild helemaal geen werktuigen gebruiken, en daarna met Nieuw-Caledonische kraaien – dezelfde soort als Betty – die in de Zuidelijke Pacific elke dag met takjes en bewerkte blaadjes in de weer zijn om larven en andere prooien uit hoeken en gaten te peuren. Zowel roeken als kraaien kregen een verticaal buisje voorgezet met daarin een laagje water waarop een meelworm dreef, maar wel buiten snavelbereik. Ze losten het probleem op door steentjes in het water te gooien.

Nu moet ik hier wel bij zeggen dat alle vogels vooraf hadden geleerd hoe ze stenen in een buis moesten gooien. Bovendien werd bij de taak zelf een stapeltje stenen naast de buis gelegd, dus de oplossing lag nogal voor de hand. Mensapen hebben dit soort training niet nodig; als zij een ongepelde pinda in een buis met water zien drijven, rennen ze meteen naar de kraan en halen een mondvol met water. Ze blijven water in de buis deponeren tot het niveau zo hoog is dat ze bij de pinda kunnen.

Maar goed, de wetenschap werkt al een eeuw met apen, terwijl we met de kraaiproeven pas aan het begin staan. Ik acht het goed mogelijk dat de kraaiachtigen, met hun relatief grote hersenen, in feite alles kunnen wat ons van chimpansees en andere primaten bekend is. De menselijke uniekheid wordt duidelijk van meer dan één kant ondermijnd.[/wpgpremiumcontent]