1 Je bent een man

Bekend verschijnsel: de man die aan de lopende band vraagt waar dingen zijn gebleven. ‘Schat, waar ligt de…?’ Dat is geen luiheid of gemakzucht, of in ieder geval niet alleen maar. Vrouwen scoren namelijk beter dan mannen op tests van het ‘object-locatie geheugen’, oftewel: wat ligt waar. Proefpersonen mogen dan bijvoorbeeld een minuut lang een plaatje met allerlei voorwerpen bestuderen. Vervolgens krijgen ze een versie voorgelegd waarin een aantal voorwerpen van plaats is verwisseld. Vrouwen weten dan beter dan mannen om welke het gaat.

In een ander experiment verbleven proefpersonen twee minuten in wat zogenaamd een wachtkamer was, met de gebruikelijke kantoorartikelen en enkele persoonlijke eigendommen. Daarna werden ze naar een andere ruimte gebracht, waar ze moesten beschrijven welke voorwerpen ze in de wachtkamer hadden gezien en waar die lagen. Ook op deze taak deden vrouwen het een stuk beter.

Verbazend, want mannen zijn doorgaans beter in ruimtelijke taken. Zo navigeren ze sneller en met minder fouten door een virtuele stad of doolhof. Dat zit hem waarschijnlijk in de gehanteerde strategie: terwijl vrouwen meer vertrouwen op herkenningspunten – ‘Bij de bakker linksaf, rechtdoor tot het postkantoor, dan rechtsaf’ – letten mannen vooral op hoever ze zich steeds in een bepaalde (kompas)richting bewegen.

Hoewel vrouwen dus misschien slechter hun weg vinden in een nieuwe omgeving, onthouden ze wel, dankzij hun strategie, beter wat ze onderweg hebben gezien. Oftewel: vrouwen onthouden beter wat zich waar bevindt. Evolutionair gezien verklaren onderzoekers dat vanuit onze dagen als jager-verzamelaars. Als jager – man – was het noodzakelijk om over grote afstanden je weg te vinden over lege steppes zonder herkenningspunten, als verzamelaar – vrouw – kwam het juist van pas om seizoen na seizoen te onthouden waar de eetbare planten te vinden waren.

Bovendien zoeken vrouwen onder tijdsdruk slimmer dan mannen, zo bleek vorige maand uit een experiment van de Nederlandse psycholoog Gijsbert Stoet en zijn collega’s van de universiteit van Glasgow. Proefpersonen kregen van hen de opdracht binnen acht minuten op een plattegrond de locatie van een restaurant op te zoeken, sommen te maken, en een strategie te bedenken om te zoeken naar een verloren sleutel. Ondertussen werden ze ook nog eens gebeld met vragen als: wat is de hoofdstad van Frankrijk? Aardig vergelijkbaar met de situatie waarin je snel de deur uit probeert te komen terwijl je nog van alles moet doen en dan tot overmaat van ramp je sleutelbos kwijt bent. Vrouwen bleken bij het zoeken naar de sleutel vaker een strategie te hanteren, zoals rondlopen in steeds grotere cirkels; mannen gingen meer lukraak te werk en misten plekken.

Kortom: als je iets zoekt, is het wel zo handig om te weten waar het ligt, of om er een slimme zoekstrategie op na te houden. In beide gevallen helpt het om een vrouw te zijn.

2 Je hebt oogkleppen op

Wanneer we de afstandsbediening van de televisie zoeken, besteden we geen aandacht aan een rood koffiekopje, de kat, of de krant. Nee, we zijn op zoek naar een zwart- of witkleurig rechthoekig voorwerp met knopjes, en onze blik valt dan misschien even op ons mobieltje. Die afstemming op een bepaalde vorm en kleur, en het compleet negeren van alles wat daar niet aan voldoet, staat bekend als ‘selectieve aandacht’ en komt normaal gesproken heel goed van pas.

Tenzij onze verwachting niet klopt. Een huiselijk voorbeeld: ik zoek naar een nieuw pak toetendoekjes. Volgens mijn vriendin liggen die in het middelste vak van de kast, maar daar heb ik al gekeken. Ik kijk nogmaals, roep geïrriteerd dat ze daar niet liggen, mijn vriendin houdt vol van wel, ik kijk een derde keer, en nee hoor, niks. Ik blijk te zoeken naar de vertrouwde oranje verpakking, maar er ligt, inderdaad in het middelste vak, een ander merk met een blauwe verpakking. Die toch echt drie keer pal voor mijn neus heeft gelegen.

Als we onze aandacht ergens op richten, kunnen we ziende blind zijn voor onverwachte of afwijkende zaken, zo laat onderzoek zien. In een beroemd experiment keken proefpersonen naar een filmpje van een groep mensen die een paar basketballen overgooiden. De kijkers moesten tellen hoe vaak er werd overgegooid. Halverwege loopt een man in gorillapak de scène in, blijft staan en trommelt een tijdje op zijn borst. Een groot deel van de proefpersonen zag de gorilla niet.

Zelfs mensen die zoeken voor hun beroep zijn niet immuun voor inattentional blindness, zo bewezen Amerikaanse onderzoekers deze zomer. Amerikaanse radiologen zochten CT-scans van longen af naar verdachte plekjes: aanwijzingen voor longkanker. De onderzoekers hadden een plaatje van een gorilla in de CT-scans geplakt, maar liefst 48 keer zo groot als de plekjes waarnaar de radiologen speurden. 83 procent van de radiologen zag de aap over het hoofd, terwijl registratie van hun oogbewegingen liet zien dat ze toch echt recht naar het dier keken.

3 Het ligt niet op de goede plek

Herkenbaar voor ouders met peuters: de afstandsbediening ligt opeens niet meer naast de tv, maar in de schoenenkast. En ook voor iedereen met een schoonmoeder die even spontaan de afwas doet: alles ligt op een andere plek.

Dat dingen die je niet vindt simpelweg op een verkeerde plek kunnen liggen, is een minder triviale reden dan het lijkt. De Amerikaanse onderzoeker Jeremy Wolfe schotelde proefpersonen reeksen collages voor van vage foto’s van speelgoed, vogels, fruit, gereedschappen en kleren. De opdracht was een stuk gereedschap te vinden. Soms ontbraken gereedschappen in bijna alle collages. Zat er dan een keer wel eentje tussen, dan zagen de deelnemers dat in 39 procent van de gevallen over het hoofd. Als de helft van de collages een stuk gereedschap bevatte, dan misten ze dat maar in 6 procent van de gevallen.

Dat heet het low prevalence effect: als iets zeldzaam is, zien mensen het simpelweg niet omdat hun visuele systeem heeft geleerd om niets te verwachten. Blijkbaar houdt ons brein bij hoe vaak iets op een bepaalde plek wordt gevonden. Evolutionair gezien is dat weer goed te verklaren, omdat je dan efficiënter kunt jagen en verzamelen. Maar als iets dan toch onverwacht opduikt – de afstandsbediening tussen de schoenen – dan registreert ons brein het simpelweg niet, juist omdat het zo onverwacht is.

4 Je zoekstrategie is verkeerd

Je geslacht, verwachtingen, schoonmoeder of peuter zijn moeilijk te beïnvloeden, maar bij je zoekstrategie kan dat gelukkig wel. De een zoekt van nature passief, de ander meer actief. Bij de eerste strategie wacht je als het ware totdat iets je aandacht vraagt, en verloopt het zoekproces automatisch; bij de tweede strategie speur je heel bewust alle mogelijke locaties af.

Mensen die passief zoeken blijken de nadruk te leggen op zien, het grondig verwerken van de informatie die binnenkomt wanneer je je ogen ergens op richt. Actief zoeken legt de nadruk op kijken: daarbij maken de ogen weliswaar snel sprongetjes naar steeds nieuwe zoeklocaties, maar de informatie die dan binnenkomt wordt slechts oppervlakkig verwerkt – je kijkt wel, maar je ziet niet.

Uit verschillende onderzoeken blijkt: passief zoeken is efficiënter dan actief zoeken. Het goede nieuws is dat iedereen kan leren passief te zoeken. De onderzoekers gaven proefpersonen simpelweg de instructie om zich open te stellen, en te wachten totdat het gezochte voorwerp zich als vanzelf aan hen zou presenteren. Mensen bewegen hun ogen dan minder vaak, en letten beter op welke informatie binnenkomt.

Bronnen o.a.: T. Drew e.a., The invisible gorilla strikes again: sustained inattentional blindness in expert observers, Psychological Science, 2013 / M.R. Watson e.a., Looking versus seeing: strategies alter eye movements during visual search, Psychonomic Bulletin & Review, 2010 / M.C. Hout, S.D. Goldinger, How your eyes search a scene, Scientific American, 2013 / G. Stoet, Are women better than men at multi-tasking?, BMC Psychology, oktober 2013[/wpgpremiumcontent]