1. Plan je opruimacties in. Wie concrete plannen maakt, is eerder geneigd ze uit te voeren. Kies een moment waarop je genoeg energie hebt.
  2. Geen idee waar te beginnen? Deel de klus op. Niet de hele keuken in één keer, maar eerst de bestekbak, dan een kastje… Doe kleine beetjes, bijvoorbeeld 30 minuten per dag.
  3. Begin met een ruimte die je dagelijks gebruikt, zoals de hal, keuken of woonkamer. Dan zie je het effect van je werk.
  4. Bedenk bij elk voorwerp: wil ik het houden of wegdoen? Handige vragen daarbij zijn: hoeveel heb ik er al van, en is dat genoeg? Heb ik tijd om het te gebruiken of te lezen? Heb ik het het afgelopen jaar gebruikt? Is het van goede kwaliteit? Zou ik het opnieuw kopen als ik het niet had? Kan ik het opnieuw kopen als ik het weer nodig heb? Lijkt het belangrijk enkel en alleen doordat ik er nu naar kijk?
  5. Wordt het ‘wegdoen’, beslis dan meteen hóé: in de vuilnisbak, naar de kringloopwinkel, weggeven, of verkopen?
  6. Wil je iets houden, bedenk dan in welke categorie het hoort: keukenspullen, toiletproducten, spelletjes, kleding… Let erop dat je niet te veel categorieën maakt.
  7. Bedenk direct wáár iedere categorie thuishoort en breng ze aan het eind van de uitzoeksessie ook meteen naar die plek.
  8. Houd je aan de OHIO-regel: ‘Only handle it once.’ Hanteer dus geen categorie ‘nog over na te denken’.
  9. Opruimen is hard werken; bedenk waarmee je jezelf wilt belonen. Een lekker bad, naar de film, een uitgebreide lunch…